Men kan gerust zeggen dat er in de opgetekende geschiedenis geen tijd
is geweest waarin op zo uitgebreide schaal onderzoek is gedaan naar
de werkingen van het menselijk denkvermogen als tegenwoordig. Het heeft
inderdaad veel tot onze kennis bijgedragen. Maar omdat de wetenschap
de ontwikkeling van het menselijk zelfbewustzijn als een onderdeel van
de lichamelijke evolutie beschouwt, is haar onderzoek hoofdzakelijk
vanuit een stoffelijk uitgangspunt verricht. Ondanks alle ontdekkingen
is daarom in wezen de sluier van het mysterie die over de oorsprong
en de ware aard van het denkvermogen ligt, niet weggenomen. Aan de andere
kant hebben de heilige overleveringen, zoals die in mythen en legenden
– uit verleden en heden – worden aangetroffen, het denkvermogen
nooit op één lijn gesteld met het lichamelijke gestel,
maar hebben het gezien als de schakel tussen de geest en het vlees,
als iets dat in de vroege mensheid sluimerde totdat het werd ‘ontstoken’
of ‘gewekt’ door de tussenkomst van goddelijke en half-goddelijke
wezens. Dit proces is op verschillende manieren allegorisch beschreven,
bijvoorbeeld als het stelen van het vuur van de goden. En er bestaat
een menigte van zinnebeeldige figuren die de menselijke intelligentie
symboliseren. Zo verschijnt Prometheus naast Coyote en de Raaf, naast
de Haas, Hermes, en de Spin, of welke andere persoonlijkheid ook die
beschavingen door de eeuwen heen aan hun ‘tricksters’ [Zie
het artikel: Het denkvermogen: trickster en
herschepper] hebben toebedeeld.
In de Afrikaanse folklore is dit thema goed vertegenwoordigd, omdat
de meeste volken en stammen beneden de Sahara hun eigen schat aan verhalen
bezitten, waarvan vele de een of andere versie bevatten van vuur-mythen
of mythen van aanverwante aard. De tricksters staan bovendien vaak centraal
in de handeling, of zij sluwe goden dan wel slimme kleine dieren zijn.
De pygmeeën van de regenwouden kennen drie versies van de Prometheus-mythe.
Elk hiervan vermeldt dat de mensen in het begin in het paradijs woonden
maar geen vuur hadden. Op een dag was een pygmee in de wildernis verdwaald
en kwam hij op een plek waar een helder vuur brandde, en hij besloot
er iets van mee naar huis te nemen voor zijn kameraden. In de meest
uitvoerige van deze drie versies behoorde het vuur toe aan de god Toré,
en werd het slechts bewaakt door de oude moeder van Toré, Matu
genaamd. Toen de oude dame was ingedut, pakte de man vlug een brandend
stuk hout en maakte zich uit de voeten. Hij werd echter door Toré
betrapt en met lege handen naar zijn kamp teruggezonden. Een tweede
poging werd door de broer van de pygmee gedaan, maar ook deze mislukte.
Toen trad Doru, de grote tovenaar, naar voren. Eerst stal hij de veren
van de heilige tawa-vogel, die hij tot vleugels omvormde en aan zijn
schouders bevestigde. Nadat hij een tijd had geoefend, kreeg hij de
kunst van het vliegen onder de knie en, neerschietend op het kamp van
Toré, pakte hij het vuur. Toré achtervolgde hem tot in
de hoogste hemelen en de diepste afgronden, maar de tovenaar was hem
te slim af. Toen hij de meerdere in zijn tegenstander moest erkennen,
riep hij luid: ‘Doru, je bent mijn broeder! Doru, wij werden uit
dezelfde moeder geboren!’ Toré deed toen een beroep op
zijn moeder om hem te helpen, maar hij constateerde dat zij was doodgevroren.
In zijn woede zwoer hij dat de mens zou boeten voor de moord op zijn
moeder, want voortaan zouden alle mensen sterven. Ondertussen stak Doru
andere takken met het vuur aan en gaf ze aan de mensen. Als beloning
gaf elke man hem een van zijn dochters en begroette hem als een weldoener
. . . totdat de mensen begonnen te sterven, de een na de ander.
De overeenkomsten met andere overleveringen komen duidelijk naar voren,
maar we moeten eerst de vaak gehuldigde opvatting laten varen dat dit
soort mythe alleen betrekking heeft op de ontdekking van het vuur. Hoezeer
dit het leven van de mensen ook moet hebben verbeterd, het valt moeilijk
te geloven dat dit feit op zich in dergelijke bewoordingen over de hele
wereld zou worden herdacht.
In het verhaal van de pygmeeën woonde de eerste mens, evenals
Adam en Eva, oorspronkelijk in het ‘paradijs’, in een toestand
van onschuld en dromerige gelukzaligheid. De pygmeeën zeggen dat
zij spoedig daarna bananen, hun hoofdvoedsel, kregen, dat gelijk is
aan de maïs van Noord- en Zuid-Amerika, de rijst van het Oosten,
of de tarwe van het Midden-Oosten. De komst van de landbouw en veeteelt,
waarop vaak wordt gezinspeeld als goddelijke gaven of kundigheden die
door de goden werden onderwezen, komen in alle overleveringen voor als
een vervolg op het ontwaken van het denkvermogen. Blijkbaar waren er
verschillende soorten voedsel nodig voor een mensheid die zowel lichamelijk
als mentaal was veranderd, waarbij zij in het bijzonder het vermogen
verwierf om zich voort te planten.
Dat de dood op dit punt zijn intrede deed, klinkt ook door in mythen
over de hele wereld. Dat is een natuurlijke gang van zaken, want het
zijn de spanningen en de druk van het mentaal-emotionele deel van de
menselijke samenstelling die het stoffelijk voertuig uitputten of zelfs
vernietigen, net als door de elektrische stroom tenslotte de gloeilamp
doorbrandt.
Doru was een bovenmenselijk wezen, wat blijkt uit het feit dat de pygmeeën
hem een grote tovenaar noemen. Aangezien de vogel een algemeen erkend
symbool van wijsheid is, verwierf Doru zich goddelijke wijsheid door
zich delen van de heilige tawa toe te eigenen. Nadat hij het vuur van
intelligentie had ‘gestolen’, moest Toré toegeven
dat hij zijn gelijke was, zoals ook de elohim van het Oude Testament
deden, toen zij de mens beschouwden en hem ‘als een van ons’
bevonden. De uitroep van Toré dat Doru ‘uit dezelfde moeder
is geboren’, wijst op de dualiteit van de menselijke natuur, waarin
van het hogere zelf gezegd kan worden dat het de lichtende tweelingbroeder
van het lagere zelf is, dat bezig is zich al strijdende van de banden
van de stof te bevrijden.
Een opvallende bijzonderheid in de pygmeeën-mythe is het gebrek
aan waakzaamheid van de kant van moeder Matu. Maar misschien strookte
de diefstal wel volledig met de bedoeling van het plan van de natuur.
Maar wanneer denkvermogen van de mens is verlicht, en hij misschien
in staat is de goden uit te dagen en door de hoogste hemelen of de diepste
hellen te reizen, is toch de natuurlijke stroom van intuïtieve
wijsheid, die hij in de dagen van zijn onschuld onbewust bezat, gestuit;
de Natuur, de Grote Moeder, is dus, waar het hem betreft, ‘bevroren’.
De Yoruba-god Eshu is een klassieke trickster-figuur. Evenals Hermes
kan men hem op het marktplein en langs de weg aantreffen. Maar waar
hij ook is, hij houdt zich stellig schuil in afwachting van de argelozen
die met hun zaken bezig zijn, en hij schept er gewoon behagen in hen
in verwarring te brengen. Omdat moeilijkheden en opschudding hem op
de voet volgen, is hij ook wel de god van toeval en ongeluk genoemd.
Hoe vreemd het ook lijkt, Eshu is de vertrouwde helper van Orunmila,
de god van wijsheid en waarzeggerij. En hoewel Orunmila de boodschapper
van Oludumare is, de hoogste god in de Yoruba-hiërarchie, rust
op Eshu de verantwoording ervoor zorg te dragen dat het ongeluk hen
treft, die geen acht hebben geslagen op de wil van Oludumare, zoals
die door Orunmila werd verkondigd. Als vergoeding voor zijn hulp voedt
Orunmila hem. Eshu is, evenals Hermes, de middelaar tussen de ‘hemel’
en de mens: zonder deze schakel in het menselijke gestel zou het hogere
zelf, of de spirituele vader, niet in staat zijn met de dier-mens in
verbinding te treden. Als de influisteringen van de intuïtie, die
een afspiegeling zijn van de wil van de god in de mens, worden genegeerd
en de mens van de juiste koers afwijkt, zal dat zeker door lijden worden
gevolgd. Het ‘voedsel’ dat Orunmila aan Eshu voor zijn diensten
geeft, is het symbool van de spirituele steun die elk menselijk wezen
van zijn of haar hogere zelf ontvangt.
De mythe vertelt, dat Eshu geen hoofd van zichzelf bezat. Maar op een
keer haalde hij de moeder van Orunmila over hem een geitenbok te geven,
die hij prompt slachtte. Hij nam de onvemietigbare kop van het dier,
deed deze in een pot, die hij ondersteboven op zijn schouders plaatste.
Toen ontdekte men dat de geitenkop, zoals die door Eshu werd gedragen,
de zon was. De verklaring van dit verhaal zou misschien in één
opzicht kunnen slaan op het feit, dat de vroegste mens geen ‘hoofd’
had, in die zin dat hij geen bewuste mentale vermogens bezat. De kop
van de geitenbok was onvernietigbaar, en had daarom deel aan het eeuwige
en kosmische. Bovendien is het feit dat de geit oorspronkelijk aan de
Grote Moeder, Oduduwa, behoorde, een aanwijzing dat hij aan de essentie
van het leven ontsprong. Dat men ontdekte dat de kop de zon was toen
hij door Eshu werd ‘gedragen’, geeft te denken, want het
ontwaakte denkvermogen werd steeds geacht van solaire oorsprong te zijn.
Hoe de zuivere intelligentie haar intrede in de materiële wereld
van de mensen deed en hoe Eshu daarbij een hoofdrol speelde, wordt als
volgt verteld: de schepper Obatala wilde zijn vriende Shango in de stad
Oyo een bezoek brengen. De orakels voorspelden dat, als hij deze tocht
ondernam, hem ongeluk zou wachten, maar hij besloot toch te gaan. Obatala
(heer van het witte kleed) staat bekend om zijn grote goedheid en zijn
reinheid, die tot uitdrukking komen in de witheid van zijn gewaden.
Onderweg kwam hij Eshu tegen, die langs de weg zat met een grote schaal
olie, en hij vroeg Obatala deze op zijn hoofd te tillen, zodat hij haar
kon dragen. In zijn goedheid voldeed Obatala hieraan, maar terwijl hij
dit deed, werd zijn kleding met druppels olie bespat, en vanwege zijn
reinheid moest hij naar huis gaan en zich verkleden. Hij begaf zich
voor de tweede keer op weg om Eshu weer op dezelfde plaats met hetzelfde
verzoek aan te treffen. Nadat hij zijn gewaden opnieuw had bezoedeld
en naar zijn paleis was teruggekeerd voor schone kleren, vertrok hij
voor de derde keer naar Oyo – en trof Eshu op zijn gebruikelijke
plek aan. Dit keer weigerde Obatala de schaal op te tillen, waarop Eshu
hem overal met olie bespatte, maar nu ging de schepper niet terug. In
het gebied van Shango belandde hij door een valse beschuldiging in de
gevangenis. Hij lag daar lange tijd vergeten, maar omdat hij een machtige
godheid was, liet hij de regenval ophouden. Toen de oogsten mislukten
en de mensen stierven, raadpleegde Shango zijn waarzeggers, die zeiden
dat een grote figuur met bezoedelde witte gewaden in een van zijn kerkers
zat opgesloten. Toen hij ontdekte dat het Obatala was, liet hij hem
natuurlijk direct vrij, en het leven keerde terug op het land.
Evenals in de pygmeeën-mythe worden er drie pogingen gedaan,
waarvan twee min of meer automatisch zijn en zonder succes. Maar de
derde keer, door gebruik te maken van een list, slaagt de trickster
in zijn poging. Als gevolg daarvan komt de intelligentie, die nu niet
langer rein is, in de gevangenis van het materiële bestaan, en
pas wanneer er een groot gebrek aan spiritueel ‘voedsel’
en ‘water’ is, en de mensheid eindeloos heeft geleden, wijst
de intuïtie erop dat de intelligentie tot dusver door de stof was
verduisterd, maar dat zij opnieuw de leidende rol moet spelen die bij
haar hoge afkomst past.
Geen overzicht, hoe kort ook, van de wijze waarop Afrikaanse volkeren
het denkvermogen en de evolutie daarvan afschilderen, is volledig zonder
Ananse, de Spin, te noemen, de held van vele volksverhalen van de Ashanti
en aanverwante volken. Omdat hij een typische trickster is, wordt hij
soms als wijs, maar vaker als alleen maar listig voorgesteld. Hij is
hebzuchtig en immoreel, en slaagt er meestal in de goden, mensen en
dieren te overtroeven. De schoffel en de menselijke spraak zijn zijn
uitvindingen.
Wulbari, de luchtgod, maakte Ananse Aanvoerder van zijn Schare. Dit
maakte Ananse zo verwaand, dat hij pochte intelligenter te zijn dan
Wulbari zelf. De luchtgod had hem echter afgeluisterd, en zei hem de
volgende dag ‘iets’ voor hem te halen, zonder hem te vertellen
wat het was, want Spin, die beweerd had zijn gelijke te zijn, zou dit
vast wel zelf kunnen uitzoeken. Door Wulbari een poets te bakken, kwam
Ananse te weten dat de luchtgod niets minder wilde hebben dan de zon,
de maan en de duisternis. Aangezien hij inderdaad erg knap was, ving
Spin de begeerde voorwerpen, deed ze in een zak en ging weer naar huis.
Wulbari vroeg hem of hij erin geslaagd was ‘iets’ te vinden,
en in antwoord hierop nam Ananse de duisternis uit zijn zak. Alles werd
donker en niemand kon iets zien. Toen haalde hij de maan eruit en iedereen
kon een beetje zien. Ten slotte haalde hij de zon tevoorschijn, en zij
die toevallig naar Spin keken, werden blind, zij die maar even hadden
gezien, werden blind aan één oog, terwijl zij die hun
ogen een ogenblik hadden gesloten, niets van hun gezichtsvermogen verloren.
Hoewel dit oppervlakkig bezien een heel ander verhaal is, heeft het
ook te maken met het ontwaken van de intelligentie, of het zonne-aspect
in de mens. Evenals Prometheus, daagde Ananse de god uit, waarbij hij
zichzelf tot een gelijke uitriep, en uiteindelijk slaagde hij erin hem
de baas te worden. De drie voorwerpen – de duisternis, de maan
en de zon – zijn een voorstelling van de omstandigheden die onder
de vroege mensheid heersten. De duisternis duidt op het feit dat er
in het begin in het geheel geen intelligentie was, terwijl het maanlicht
het dagen van een zeker dierlijk bewustzijn betekent. De verschijning
van de zon duidt op de komst van het solaire element of de intelligentie
in het bewustzijn van de mens.
Zoals al eerder gezegd, stond de eerste onbewuste mens in een natuurlijke
verbinding met de hogere rijken van het zijn, waaraan een einde kwam
toen de mens zelfbewust werd. De ‘blindheid’ heeft dus in
wezen betrekking op hetzelfde verschijnsel als de dood van de moeder
van Toré. De pygmeeën- en Yoruba-mythen zinspelen op het
feit dat er kennelijk drie ‘pogingen’ werden ondernomen
om de mensheid te verlichten, en de drie graden van ‘blindheid’
zouden hier ook heel goed op kunnen doelen.
Uit de Afrikaanse overleveringen blijkt, evenals uit die in andere
werelddelen, dat de intelligentie in oorsprong goddelijk is, maar in
het geval van de mens een tweevoudig karakter draagt. Want hoewel zij
hem het zelfbewustzijn schonk en hem zo boven het dier verhief, begon
hij, toen hij dit nieuwe aspect van zijn bewustzijn ontwikkelde, van
de wegen van de natuur af te dwalen en zijn eigen pad te banen, dat
hem langs de ruwe zijwegen van het stoffelijk bestaan voerde. Toch leeft
het vurig verlangen om naar de bron terug te keren nog steeds in zijn
ziel. De mythen geven dit goed weer, want zelfs al vertonen Spin, Doru,
of wie van hun mede-tricksters ook, de zwakheden en gebreken die we
allemaal gemeen hebben, toch vormt hij de schakel met de goden of, zoals
Toré moest toegeven, is hij ‘een zoon van dezelfde moeder’.
En na vele eonen zal deze broeder, mateloos verrijkt door de ervaringen
van zijn aardse omzwervingen, zijn rechtmatige plaats als een zelfbewuste
god innemen.
Bibliografie
- Courlander, Harold, Tales of Yoruba
Gods and Heroes, Myths, Legends and Heroic Tales of the Yoruba People
in West Africa, Crown Publishers, New York, 1973.
- Idowu, E. Bolaji, Olodumare, God in Yoruba
Belief, Longman, Londen, 1962.
- Maupoil, Bernard, La Géomancie à
l’Ancienne Côte des Esclaves, Travaux et Mémoires
de l’Institut d’Ethnologie, Parijs, 1943.
- Radin, Paul, African Folktales, Bollingen
Series, Princeton University Press, 1964.
- Schebesta, Paul, Les Pygmées du
Congo Belge, Institut Royal Colonial Belge, Brussel, 1952.