Trickster is tegelijk schepper en vernietiger, gever
en onthouder, hij die anderen beetneemt en altijd zelf wordt beetgenomen.
. . . Hij bezit noch morele noch maatschappelijke waarden, is aan
de genade van zijn hartstochten en begeerten overgeleverd en toch
komen door zijn daden alle waarden tot aanzijn. . . . De mythe van
de trickster vindt men . . . bij de oude Grieken, de Chinezen, de
Japanners en in de Semitische wereld. Vele karaktertrekken van de
trickster zijn vereeuwigd in de . . . narrenfiguur uit de middeleeuwen
en bewaard gebleven in de . . . poppenkastfiguren Jan Klaassen en
Katrijn en in de clown.
– Paul Radin1
Van weinig mythische figuren ligt de oorsprong in een zo ver verleden,
en is de verspreiding in diverse culturen zo groot, als van hem die
de trickster wordt genoemd. Deze figuur is lange tijd voor zijn bestudeerders
een raadsel geweest, voornamelijk omdat de trickster elke zuiver rationele
of intellectuele analyse tart. Ieder die een bepaalde trickster-geschiedenis
heeft bestudeerd, kan inderdaad getuigen van zijn verwarring stichtende
en uitdagende trekken. Want de trickster heeft een bovenzinnelijke natuur,
van wie de heroïsche eigenschappen werkelijk ontzagwekkend zijn.
We kunnen bijvoorbeeld denken aan Maui, de Polynesische trickster, die
niets minder dan de zon een strik spant. Toch is hij, ondanks zijn geweldige
kracht, verschrikkelijk dom, de dwaas aller tijden, het voorbeeld of
de verpersoonlijking van menselijke absurditeit.
De beschrijvingen die wetenschappers ons van de trickster geven, getuigen
van deze essentiële dualiteit en dubbelzinnigheid. Een ‘dierlijk,
menselijk en goddelijk wezen’, zegt Stanley Diamond.2
‘Een mengeling van clown, cultuurheld en halfgod’, verklaart
Weston La Barre.3 We hebben al kennis genomen
van enkele gedeelten van Paul Radins opmerkingen over deze vreemde en
tegenstrijdige figuur. Uit dit alles is duidelijk dat het om een figuur
en een thema gaat die oeroud zijn, en die een blijvende aantrekkingskracht
op de mensheid hebben uitgeoefend sinds de dageraad van de beschaving
en misschien zelfs daarvoor. Ze zijn alomtegenwoordig, ambivalent en
tragikomisch. Daaruit kunnen we afleiden dat de mythe blijkbaar iets
heeft te vertellen dat van grote betekenis is. Maar wat?
 |
Masker van Raaf, Kwakiutl,
Brits Columbia, Canada; c. 1880. |
In de wereldmythologieën zijn de gedaanten waarin de trickster
verschijnt legio; en wel zozeer dat een bekende commentator, Joseph
Campbell, hem de ‘Held met de Duizend Gezichten’ noemde.4
Hij is Krishna als de wereldmagiër, die met zijn speelse listen,
als een incarnatie van Vishnu, heer van de wereld, iedereen –
mensen en goden – bedriegt. Hij is Manabozho of Haas van de Algonkin-volken,
van wie de vader, Aardemaker, Haas uitzond om als een menselijk wezen
uit een maagd te worden geboren om het kwaad te vernietigen dat de mensheid
bedreigde. Hij is Eshu, de trickster-godheid van Yorubaland in West-Afrika;
Raaf, van de Eskimo’s en de indianen van de Amerikaanse Noord-Westkust;
Loki, zo niet Odin, uit de Oud-Noorse overlevering; Coyote of Wolf van
de inheemse volkeren van westelijk Noord-Amerika; en, zoals al gezegd,
Maui van de Polynesische mythen. Hij is eveneens Hermes uit de vroeg-Griekse
mythologie; maar een jonge Hermes, vóór hij held en weldoener
van de mensen werd. En hierin ligt een sleutel.
Want welke naam hij ook draagt, trickster evolueert, zoals sommigen,
Campbell en Radin bijvoorbeeld, hebben opgemerkt. Dat vreemdsoortige,
maar opmerkelijke wezen leert, groeit in begrip, verandert, en wordt
op een bepaald moment in zijn avontuurlijke blunders herschapen. Tot
dat punt blijft trickster echter bezig met het veranderen van gedaante
en het experimenteren met een duizendtal identiteiten, veranderingen
van geslacht inbegrepen, in een schijnbaar nooit eindigend zoeken naar
zichzelf. In al die bedrijven brengt hij grote schade toe aan degenen
die hem omringen en heeft zelf talloze slagen, nederlagen, vernederingen
en gevaren te verduren, die uit zijn ondoordachte, roekeloze rooftochten
voortvloeien. Bij het begin van zijn bestaan ziet men hem eerst als
een vaag, chaotisch, nauwelijks concreet wezen, dat geen zelfkennis
of levenswijsheid bezit, ondanks zijn goddelijke afkomst. Pas later,
tijdens zijn omzwervingen, treedt trickster als een cultuurheld, halfgod
en redder van de volkeren naar voren. Maar dat gebeurt pas nadat zijn
herschepping of zelfwording plaatsvindt en hij de grote en heroïsche
eigenschappen naar buiten brengt, die hem door zijn goddelijke voorvader
bij aanvang werden geschonken.
Veel wetenschappers schijnen de volle betekenis van de paradox, dat
trickster held-verlosser wordt, niet te hebben gezien of te hebben genegeerd,
en sommigen maken een scheiding tussen de twee cyclussen, alsof er geen
verband tussen bestaat. Dat is enigszins te rechtvaardigen omdat verschillende
beschavingen soms op het ene en soms op het andere deel van deze bepaalde
mythe de nadruk hebben gelegd. Tenzij een wetenschapper erop bedacht
is, kan de samenhang over het hoofd worden gezien, zoals Campbell opmerkt:
In de latere ontwikkelingen van vele mythologieën
raken de essentiële zaken als naalden verborgen in grote hooibergen
van bijkomstige anekdoten en verstandelijke interpretaties; want wanneer
een beschaving overgaat van een mythologische op een wereldse beschouwingswijze,
worden de oude beelden niet langer beleefd . . .
Overal waar de poëzie van de mythe wordt uitgelegd
als biografie, historie, of wetenschap, betekent dat haar dood. De
levende beelden worden slechts vage feiten uit een grijs verleden
of uit verre streken . . . tempels worden musea en de schakel tussen
de beide perspectieven wordt verbroken.5
Toch is er in een groot aantal mythen een duidelijke eenheid tussen
trickster en de held-weldoener. De held moet de goden hun rijkdom afhandig
maken, hem stelen en op een of andere manier ter beschikking van de
mensheid stellen. Deze hemelse schat is gewoonlijk het ‘vuur’
of houdt daarmee verband. Raaf steelt de vuurstokken van de goden. Maui
trekt op tegen Mahu-ika, de bewaker van het vuur, om het weg te nemen
en het naar de mensen te brengen. In de Griekse mythe is het Prometheus
die dat doet. De vele verwijzingen naar die gevallen waarin de heldgeworden-trickster
de zon een strik spant, illustreren deze ontwikkeling.6
De held die bedriegt, doodt, of met zijn ‘listen’ de goden
sust, wordt als een redder van de wereld geëerd.
De heroïsche eigenschappen van trickster waren dus vanaf het eerste
begin van zijn loopbaan al aanwezig. Maar ze waren sluimerend, in zaadvorm,
totdat hij besloot ze te ontwikkelen, wat hij pas deed na een lang en
pijnlijk proces van vallen en opstaan, van groei en gedaanteverwisseling.
Want in al zijn openbaringen blijft trickster een oerwezen, van dezelfde
orde als de goden, ondanks zijn langdurig verblijf in menselijke omstandigheden.
In een prachtige studie van de mythen van de Nieuwe Wereld, voert Daniel
G. Brinton de trickster-figuren van dat halfrond terug tot een oorspronkelijke
hoge lichtgod.7 Voor de traditionele volkeren
zijn licht, vuur en zon woorden die altijd een dubbele betekenis hadden.
Terwijl ze stellig werden gebruikt voor de materiële zaken die
ze aanduiden, vertegenwoordigen ze ook, en in belangrijker mate, de
spirituele werkelijkheid daarachter. Vuur is de verlichting van het
bewustzijn of rechtstreekse kennis. Licht is zulke innerlijke kennis.
De zon heeft betrekking op de geest van de zon: de bron van leven en
licht en het vuur van kennis in ons stelsel. En het is bij dergelijke
volkeren dat de poëzie en de herscheppende kracht van trickster
als de ‘vijand van grenzen’ – om Karl Kerényi’s
scherpzinnige uitdrukking te gebruiken – levend en sterk is gebleven.
Hoe vaak wetenschappers deze mythe ook hebben geanalyseerd in een poging
haar betekenis te rationaliseren, ze blijft voortleven in al haar veelzijdige
en verstrekkende grootsheid. Als ons begrip ervan zich beperkt tot een
of twee aspecten, wil dat zeggen dat de allerbelangrijkste betekenis
ervan ons ontgaat. Want een ernstige overdenking van de mythe in haar
wereldwijde verscheidenheid, brengt ons tot de overtuiging dat ze alleen
op de evolutie van het menselijk bewustzijn en de veelheid van fasen
en kleurschakeringen die zij meebrengt, betrekking kan hebben. Ja, de
evolutie van ons bewustzijn, maar dan vanuit een gigantisch perspectief
en niets minder; een evolutie die ons terugvoert naar het legendarische
illo tempore: naar de nacht der tijden, miljoenen jaren geleden,
naar het magische moment van de eerste schepping, die dageraad van de
tijd ‘toen de wereld voor het eerst werd geboren’ en wij
‘met de goden wandelden’.
Vanuit de aanvankelijke schemering van een pasgeboren bewustzijn, dat
iedere werkelijke samenhang van zijn facetten mist en dat zijn goddelijke
opdracht heeft vergeten, volgen we trickster, terwijl zijn bewustzijn
zich gestadig en in toenemende mate manifesteert. We zien hoe de zelfkennis
van deze pas beginnende entiteit zich ontwikkelt, die kracht, geheugen
en een sterker gevoel van identiteit met zich brengt, totdat hij op
een zeker moment door het vuur van innerlijke verlichting op de goden
te veroveren, zich het zelfbewustzijn of het vermogen tot zelfbespiegeling
ten volle verwerft en kan werken voor het welzijn van de mensheid. Om
in de termen van Jung te spreken, het Onbewuste in hem is omgezet in
het Bewuste, wat helderheid van spirituele visie met zich brengt, zowel
op zichzelf als op het heelal. Het is weer Radin die de vraag stelt
en tot een conclusie komt:
Is dit een speculum mentis,* waarin de strijd
wordt uitgebeeld van de mens met zichzelf en met een wereld waarin
hij zonder zijn wil en toestemming is geworpen? . . .
*[Speculum mentis, Latijn: ‘spiegel
van het denken’.]
Op grond van uitgebreide gegevens omtrent inheemse
stammen waarover we nu beschikken, is het niet alleen een redelijke,
maar een wel bijna bewijsbare hypothese dat we hier werkelijk te maken
hebben met zo’n archaïsch speculum mentis.
Ons probleem is dus in feite van psychologische aard.
Alleen als we het in de eerste plaats zo zien, als een poging van
de mens om zijn innerlijke en uiterlijke problemen op te lossen, wordt
de figuur van trickster begrijpelijk en betekenisvol.8
Het inzicht van Radin is het resultaat van een jarenlange, diepgaande
studie van dit mythologisch fenomeen. Het nadert opmerkelijk dicht een
heel bijzondere opdracht of ‘gulden voorschrift’ dat in
het Oosten aan beginnende zoekers naar de spirituele werkelijkheid wordt
gegeven:
Het denken is de grote vernietiger van het werkelijke.
Laat de discipel de vernietiger vernietigen.9
Dit geeft een boeiend inzicht in de aard van ons denken. Het leert
ons dat het denkvermogen de oorzaak kan zijn van een verkeerd begrip
van de ware aard van de dingen – en wel in de allereerste plaats
van onszelf – en we krijgen de raad dit te overwinnen. Want het
is duidelijk dat ons niet wordt gezegd het denkvermogen te vernietigen,
dat wonderlijke instrument dat ons tot waarnemen en analyseren in staat
stelt en dat we ons door evolutie hebben verworven, maar alleen om die
aanwezige kracht te leren beheersen die in het klassieke Oosterse denken
maya of ‘illusie’ wordt genoemd. Dat wordt duidelijk
wanneer later dezelfde bron vermeldt:
Want het denken is als een spiegel; bij het weerkaatsen
verzamelt het stof. Het heeft de zachte ademtocht van zielenwijsheid
nodig om het stof van onze illusies weg te blazen. Tracht, beginneling,
uw denken en ziel één te laten worden.10
Een verdere gedachte is deze: het denkvermogen moet tweevoudig zijn
in zijn werking. Terwijl het onze waarneming van de werkelijkheid kan
vertroebelen, is het, hoe paradoxaal ook, dat vermogen in ons dat –
wanneer juist gebruikt – onze visie kan verheffen boven de feiten
die de hersenen en de zintuigen ons verschaffen. Ons denkvermogen vertegenwoordigt
dus niet ons totale bewustzijn. En wanneer we de vergissing begaan dat
wel te geloven, speelt het denkvermogen ons parten. Alleen wanneer we
het denken gebruiken om ons van zulke beperkingen te bevrijden, kan
het de transformatie tot stand brengen die ons vrije toegang geeft tot
het volle bewustzijn van ons volledige wezen, wat zinnebeeldig wordt
voorgesteld in die episoden van de mythe waarin de zon een strik wordt
gespannen, het bemachtigen van het goddelijke vuur van kennis.
Vele Amerikaans Indiaanse stammen, om niet te spreken van traditionele
culturen elders, wisten dit en waren zich volkomen bewust van de schadelijke
gevolgen voor de gemeenschap wanneer men alleen met het brein dacht
en de gedachten vergat die uit het hart voortkomen. In hun mythen zien
we Raaf en Coyote opgewekt alles doen wat hun culturen aan hun leden
verbieden, en andere mythen laten Trickster alle rituele handelingen
in omgekeerde volgorde uitvoeren. Bij de Lakota’s van de grote
vlakten werd de trickster een blijvend bezit van de gemeenschap in de
persoon van de medicijnmannen, bekend als de Onweer Dromers of heyokas,
de ‘clowns’. Alleen aan de heyokas was het toegestaan alle
handelingen in omgekeerde volgorde te doen. Steeds wanneer een moeilijke
situatie ontstond als gevolg van onderlinge misverstanden en wanbegrip
onder de mensen, stormde de heyoka het toneel op met zijn clownstreken
en bokkensprongen. Het zien van deze vreemde vertoning was gewoonlijk
genoeg om de goede stemming en de zelfbeheersing te herstellen bij hen
die bij de zaak waren betrokken, waardoor een meer humane oplossing
kon worden bereikt en de gemeenschap tegen zichzelf werd beschermd.
De heyoka was een levende speculum mentis, die ertoe bijdroeg
de trickster in ons te herscheppen in een weldoende held, voor het welzijn
van het geheel.
Verwijzingen
- The Trickster, A Study in American Indian Mythology,
Schocken Books, N.Y., 1972: blz. xxiii.
- In Search of the Primitive, Transaction Books,
New Brunswick, N.J., 1974: blz. 189.
- The Ghost Dance, The Origins of Religion,
Dell Publishing Company, N.Y., 1972; blz. 195.
- The Hero With A Thousand Faces, Bollingen
Series XVII, Princeton University Press, Princeton, N.J., 1973; passim.
- Op.cit., blz. 248-9.
- Katharine Luomala, Oceanic, American Indian, and
African Myths of Snaring the Sun, Bernice P. Bishop Museum Bulletin
168, Honolulu, 1940; herdrukt door Kraus Reprint Company, N.Y., 1971.
- Myths of the Americas, oorspronkelijk gepubliceerd
in 1868: herdrukt door Multimedia Publishing Corp., Blauvelt, N.Y.,
1976: blz. 172-207.
- Paul Radin, Op.cit., blz. xxiv.
- H.P. Blavatsky, De stem van de stilte, blz.
1.
- Op.cit., blz. 24.