Universaliteit is stellig één sleutel waarover we beschikken
om de zuiverheid van een leer te toetsen. Over de hele wereld vinden
we een vast geloof in een spirituele werkelijkheid achter de verwarring
van het dagelijks bestaan, hoewel het begrip van de exacte aard van
het verband tussen de sferen van geest en stof enorm verschilt. In de
meeste gevallen gaat men uit van de gedachte dat de beide beginselen
door een stroom van bewustzijn worden verbonden. In veel religies en
filosofieën wordt deze verbindende stroom voorgesteld als een zich
voortdurend manifesterende eb en vloed ‘geboorte’ in de
ene wereld, die ‘dood’ betekent in de andere terwijl het
bewustzijnsbeginsel eeuwig blijft voortbestaan.
Dit geloof in periodieke wederbelichaming of reïncarnatie is natuurlijk
een centraal thema van vele Oosterse religies. In de tempels van India
en ook onder het volk wordt het aanvaard als een van de ‘eeuwige
wegen’ van de natuur. In China en Japan spreken de taoïstische
en Zen-meesters erover in hun esoterische leringen. Tot de filosofen
van het Westen die het in de oudheid onderwezen, behoorden Plato en
Pythagoras, de kerkvaders Origenes en Clemens Alexandrinus, en in meer
recente tijden hield reïncarnatie het denken bezig van Goethe,
Leibniz en Schopenhauer en inspireerde het het dichterlijk genie van
Wordsworth, Masefield, Whitman en Browning.
Dat reïncarnatie een essentieel leerstuk is van vele traditionele
Afrikaanse religieuze stelsels en filosofieën, wordt echter niet
algemeen beseft. Het geloof in wedergeboorte wordt vermeld bij volkeren
verspreid over het hele enorme continent: Akamba (Kenia), Akan (Ghana),
Lango (Oeganda), Luo (Zambia), Ndebele (Zimbabwe), Sebei (Oeganda),
Yoruba (Nigeria), Shona (Zimbabwe), Nupe (Nigeria), Illa (Zambia), en
vele andere. Er bestaat natuurlijk een grote verscheidenheid in het
begrip van de processen van wedergeboorte: het geloof erin varieert
van een ‘gedeeltelijke’ reïncarnatie van een voorouder
in één of meerdere individuen strikt binnen dezelfde familie,
tot dat van een eindeloze cyclus van wedergeboorten, verbonden met de
gedachte aan zuivering en verfijning van de innerlijke natuur.
Omdat er eindeloze graden van begrippen bestaan is reïncarnatie
bekend onder vele namen: onder de Yoruba’s van Nigeria wordt op
verschillende wijzen op wedergeboorte gezinspeeld, waaronder Yiya
omo, vertaald als het ‘uitbotten van een tak’ of ‘omkeren
om een kind te zijn’, en A-tun-wa, ‘een wederkomst’.
De Aboh sprekende volkeren van de Ibo stammen in Nigeria spreken over
Inua uwe, of ‘terugkeren tot leven’, omdat zij
geloven dat de dood slechts het einde is van één leven
en een poort naar een ander; de mens moet herboren worden, want reïncarnatie
is een spirituele noodzakelijkheid.
De oude theosofie die ten grondslag ligt aan de traditionele Afrikaanse
religies, blijkt nog duidelijker als we delven in hun fascinerende ingewikkelde
interpretaties van de leer van wedergeboorte. Er schijnt een algemeen
geloof onder hen te bestaan dat de golf van menselijke zielen in een
bepaalde wereldperiode beperkt in aantal is; daarom is reïncarnatie
alleen maar logisch. Het Illa volk van zuidelijk Zambia gelooft bijvoorbeeld
dat er in de dageraad van de openbaring een bepaald aantal geesten werd
geschapen die een lichaam ontvingen. Wanneer het lichaam in de loop
van het leven verslijt, leeft de geest verder in zijn eigen sfeer van
bewustzijn en laat op de juiste tijd een nieuw lichaam voor zich gereedmaken.
Hiermee verbonden is het geloof in de onvermijdelijkheid van wedergeboorte
voor de meerderheid van de mensheid, met slechts twee uitzonderingen
die door de Illa ouderen worden genoemd – de mizhimo
of ‘stamgoden’, en die onfortuinlijke individuen waarvan
de spirituele evolutie op de een of andere manier door tovenaars is
onderbroken. Het Illa volk gelooft ook dat de reïncarnerende geest
geslachtloos is en zich kan manifesteren in het lichaam van een man
of van een vrouw, ongeacht het geslacht van het individu in een vorig
leven. Zij beweren, in overeenstemming met de esoterische leringen van
vele andere religieuze tradities, dat de incarnerende geest, het ware
Zelf van ieder individu, aan het nieuwgeboren kind geen herinnering
verschaft aan vorige levens in de werelden van geest of stof. Tijdens
het leven bezielt de geest het lichaam, maar wordt zelf niet bezoedeld
door de wisselvalligheden van het dagelijks bestaan. Dit doet denken
aan de oude Griekse mythen over de rivier de Lethe of Vergetelheid in
de Onderwereld, waarvan degenen die op het punt stonden te reïncarneren,
een zekere hoeveelheid dronken, wat hen hun vorig bestaan deed vergeten.
Diep verscholen in deze overleveringen kunnen we de verborgen mechanismen
van de natuur en de eeuwige eb en vloed van de openbaring onderscheiden,
zoals die in de tradities van volkeren over de hele wereld worden beschreven.
In De geheime leer lezen we bijvoorbeeld dat het aantal wezens
binnen een bepaalde levenssfeer in een bepaalde tijd beperkt is om karmische
redenen. Voor de grote meerderheid van de mensheid die, gevangen in
de wereld van de stoffelijke bekoringen, worstelt om het ware zelfbewustzijn
van de innerlijke spirituele natuur te verwerven, is reïncarnatie
inderdaad een noodzakelijkheid. Terwijl lichamen die geschikt zijn voor
de verschillende fasen van evolutie verslijten, gaat het eeuwige spirituele
Zelf van ieder individu voort van geboorte naar geboorte, en bekleedt
het zich met het geschikte voertuig waardoor het zijn potentiële
mogelijkheden tot uitdrukking kan brengen, zoals deze zich door de ervaringen
van vele levens heen hebben ontwikkeld. De enige uitzonderingen op deze
‘cyclus der noodzakelijkheid’, zijn wezens die, door voortdurend
te streven naar de hogere werkelijkheden, aan de eindeloze kringloop
van reïncarnatie zijn ontsnapt en, voor ons, als goden zijn geworden,
en aan de tegengestelde pool degenen die bewust de natuurwet van spirituele
evolutie hebben overtreden. Zoals de Illa leiders het ons op hun eigen
manier vertellen, zoekt het spirituele Zelf manifestatie in een lichaam
van het ene of het andere geslacht, op verschillende tijden van zijn
lange reis, en heel weinig wezens zijn vrij van de voortdurende gang
van wedergeboorten.
Evenals in andere religieuze tradities, zijn de bijzonderheden van
de Afrikaanse leringen omtrent de belichaming van het spirituele Zelf
gehuld in mysteriën. We weten echter wel dat veel Afrikaanse volkeren
geloven in de samengestelde natuur van de mens, op een manier die merkwaardig
veel weg heeft van de meer bekende religieuze leringen van het Verre
en Nabije Oosten. De oude Egyptenaren waren van oordeel dat de mens
uit negen delen bestaat, variërend van het stoffelijk lichaam khat,
tot de woonplaats van de spirituele natuur sahu. De oude joodse
leringen van de kabbala spreken over de mens als een tienvoudige entiteit,
en de esoterische tradities van India, die veel termen van de moderne
theosofie leverden, spreken afwisselend van vier, vijf, of zeven aspecten
of delen. Al deze tradities zijn het erover eens dat het alleen de onsterfelijke
essentie van de menselijke natuur is die eeuwig voortduurt, terwijl
de meer stoffelijke ‘lichamen’ bij de dood uiteenvallen,
wanneer de levenskracht wordt teruggetrokken.
In de tabel op de volgende bladzijde, die de overleveringen van vier
Afrikaanse volkeren vergelijkt met de theosofische leringen betreffende
de samengestelde natuur van de mens, worden opmerkelijke parallellen
direct duidelijk. Alle zien een spiritueel lichaam (een levensessentie
of ‘levensadem’) aan de ene kant, met gradaties via hart-ziel,
mentaal lichaam of wil, en levensbeginsel tot aan de ‘schaduw’
en het stoffelijk lichaam als de lagere voertuigen. In alle vier voorbeelden
wordt het reïncarnerende ego beschouwd als de spirituele essentie,
die na de dood in zijn eigen sferen van bestaan verblijft en gedurende
het aardse leven de meer materiële ‘lichamen’ bezielt.
Onder de Yoruba van Nigeria wordt dit proces begrepen in de beperkte
zin van de okan of ‘hart-ziel’ van een voorvader,
die streeft naar manifestatie onder zijn eigen afstammelingen. Het is
niet duidelijk in welk verband de emin of het ‘spirituele
lichaam’ staat tot het proces, hoewel het gewoonlijk door de Yoruba
wordt gezien als de uiteindelijke zetel van het leven. In de Nupe (Nigeria)
traditie is het de kuci of ‘persoonlijke ziel’,
die bij de geboorte het kind van de afstammelingen zou bezielen, Men
meent dat de kuci terugkeert naar Soko (God) voor
een bepaalde periode voorafgaande aan de reïncarnatie, en de Nupe
stamleden illustreren de onvermijdelijkheid van het proces van wedergeboorte
door de reis van de kuci na de dood te vergelijken met het pad van een
steen die in de lucht wordt geworpen: vroeg of laat moet hij ergens
neerkomen! De rayi of ‘levensessentie’ wordt naar
men zegt bij de dood weer opgenomen in het voortgaande proces van schepping
en schenkt leven aan de reïncarnerende entiteit zonder daadwerkelijk
het stoffelijk lichaam binnen te treden. Van de moza of ‘levensadem’
van de Illa wordt gezegd dat ze het lichaam bezielt op een manier die
overeenkomt met de bijbelse mythen.
De innerlijke
constitutie van de mens zoals afgeschilderd door
verschillende Afrikaanse overleveringen en in de theosofische
leringen |
| Theosofie |
Yoruba (Nigeria) |
Nupe (Nigeria) |
Illa (Zambia) |
Lozi (Zambia) |
Atman: spirituele essentie
Buddhi: meedogende natuur
Manas: denk-beginsel
Kama: begeerte-beginsel
Prana: levensbeginsel
Lingasarira: astraal dubbel
Sthulasarira: stoffelijk lichaam |
Emin: spiritueel lichaam
Okan: hart-ziel
Iye: mentaal lichaam
Ojiji: ‘schaduw’
Ara: stoffelijk lichaam |
Rayi: levensessentie
Kuci: persoonlijke ziel
Fifingi: ‘schaduw’
Naka: stoffelijk lichaam |
Moza of Muwo ‘levensadem’
Mozo: hart, wil, bedoelingen
Shiu en Bash-impulukutwi: hart, ziel, levensbeginsel
Izhina: ‘naam’ letterlijk ‘persoonlijkheid’
Musedi Chinguhule: dubbel ‘schaduw’ |
Moyoo: ziel
Mulimu: emanatie
Mubiti of Situpu: ‘omhulsel’
Silumba: dubbel |
Zoals iedere dag uitdagingen brengt die in grove lijnen door vroegere
ervaringen zijn voortgebracht en die met het verstrijken van de jaren
het karakter vormen en louteren, zo wordt reïncarnatie in veel
religieuze tradities afgeschilderd als de manier waarop de natuur de
spirituele essentie in het hart van ieder wezen tot groter zelfbewustzijn
brengt, door middel van het vuur van de stoffelijke ervaringen. De zuivering
en loutering van de innerlijke natuur van de mens door myriaden van
levens, ligt als een spirituele noodzaak in het centrum van sommige
Afrikaanse tradities inzake reïncarnatie. Dit is in het bijzonder
het geval onder het Akan volk van Ghana, dat over wedergeboorte spreekt
als iets essentieels, zodat ieder mens zijn of haar volledige potentieel
van mededogen kan bereiken:
Het is als een man die een emmer in een diepe put
laat zakken. Het gewicht van de emmer, als die uit de put omhoog wordt
gehaald, zal vertellen of de emmer vol water is of niet. Voelt men
dat hij licht is en niet vol, dan gaat de emmer weer omlaag . . .
totdat het gewicht de man verzekert dat de emmer vol is. Zo is het
met het komen en teruggaan van de ziel in de bron. Hij wordt niet
opgetrokken en in dienst genomen van de bron voordat zijn emmer of
nkrabea [individuele essentie of bestemming, geschonken door
Nyankopan, een aspect van God] geheel is gevuld met het goede –
voordat de bestemming van de ziel volledig is gerealiseerd. En dan
is het een vreugdevolle thuiskomst voor de geheel geïntegreerde
ziel. De terugkeer van een ziel op aarde is dus niet als een veroordeelde
misdadiger die gehangen moet worden, maar meer als een klein kind
gereed om meer te leren en zich te verbeteren.
– The Akan Doctrine of God,
blz. 82
Als een gouden draad, verborgen in het grove weefsel van de menselijke
ervaringen, kan – als men maar ijverig zoekt – de werkelijkheid
van de innerlijke spirituele natuur van de mens, zoals die door de oude
wijsheid wordt verkondigd, worden aangetroffen in de religieuze filosofieën
over de hele wereld. De geheime leringen over de eb en vloed van de
spirituele manifestatie in de stof, waarover eens fluisterend werd gesproken
in de zalen van de mysteriescholen van Azië, Europa en de Amerika’s,
vinden hun weerklank in het gedempte gezang van de ouderen bij de flikkerende
vuurgloed tijdens een inwijdingsceremonie ergens in het hart van Afrika.
Bibliografie
- Chegwe, Austin Onwuka, ‘Reincarnation; a socio-religious phenomenon
among the Ibo-speaking Riverines of the Lower Niger,’ Cahiers
des Religions Affricanes, deel 7, nr. 13, 1973, blz. 113-37.
- Danquah, J.B., The Akan Doctrine of God: a Fragment of Gold
Coast Ethics andReligion, Frank Cass, Londen, 1968.
- Idowu, E.B., Olodumare; God in Yoruba belief, Longmans,
Londen, 1962.
- Mbiti, John S., African religions and philosophy, Heinemann,
Londen, 1969.
- Nadel, S.F., Nupe religion, Kegan Paul, Londen, 1954.
- Smith, E.W., and Dale, A.M., The Illa speaking peoples of Northern
Rhodesia (2 delen), Macmillan, Londen, 1920.