We weten dat in het hele universum de grote cyclus van geboorte, volwassenheid,
ouderdom, dood en wedergeboorte alle levende wezens beheerst en dat
alle dingen leven. Hoe kan men het dan over de geboorte hebben als een
zeldzaam wonder? Misschien zouden we nog eens naar de betekenis van
die twee woorden moeten kijken. Een wonder is dat wat men niet kan verklaren
en dat daardoor verwondering wekt; zeldzaam, kan worden gezien als iets
dat bijzonder en daardoor uniek is.
Is er geen reden voor verwondering wanneer een kind wordt geboren?
Kan men niet van iets unieks spreken bij ieder die opnieuw de wereld
binnentreedt om zijn reis in een fysiek lichaam aan te vangen en zijn
bestemming voor dat gedeelte van de grote cyclus te vervullen? Iedereen
die met de geboorte van een menselijk wezen te maken heeft gehad, zal
zeker een diep gevoel van verwondering hebben ervaren.
Wanneer we met open oog en hart nadenken over het heilige gebeuren
van geboorte en dood, komen we dichter bij de waarheden van het zijn
en van het leven, waarbij we eerder gebruikmaken van de intuïtie
dan van het intellect. Wie heeft ooit op zo’n manier naar een
pasgeboren baby gekeken zonder te beseffen dat er meer in het spel is
dan alleen de fysieke daad van de voortbrenging? Wanneer men direct
na de geboorte in de ogen van een kind kijkt, wordt er contact gemaakt,
het kind ziet iets – misschien met de ogen van de geest zowel
als met het fysieke oog. Er is daar een tegenwoordigheid die schijnt
te zeggen: ‘Ik ben zo oud als de tijd zelf, ik ben weer terug.’
Dit vervaagt snel en dan houdt men een klein weerloos kinderlichaam
in de armen, maar de tegenwoordigheid die een moment werd gevoeld was
niet zwak of hulpeloos of blind. Deze was zichzelf.
Het is waar dat de wetenschap veel informatie verstrekt over het proces
van het vormen en ontwikkelen van het fysieke lichaam. Daartoe behoort
niet in de laatste plaats het feit dat de materie waarmee de foetus
zal worden opgebouwd, aan het heelal wordt ontleend en een voertuig
bouwt van een bepaald soort, met bijzondere eigenschappen die uit het
overgeërfde ‘genenreservoir’ van de ouders worden gekozen.
De wetenschap is echter niet in staat om mee te delen waarom het komende
wezen bepaalde trekken en hoedanigheden kiest die nodig zijn voor het
vervullen van zijn bestemming in dat speciale lichaam. Hier betreden
we een gebied waar de oorzaken onbekend zijn, en dus het gebied van
het schijnbaar wonderbaarlijke. De wetenschap beschikt niet over informatie
betreffende de geest die in dat lichaam zal gaan wonen. Hier komen andere
oorzaken in het spel die niet vatbaar zijn voor een stoffelijke analyse.
Bij het overdenken van die ‘andere oorzaken’ wenden we
ons tot het welbekende filosofische werk uit het oude India, de Bhagavad
Gita, waarin het onderscheid tussen het lichaam en de geestelijke
bewoner ervan heel duidelijk wordt gemaakt. In het dertiende hoofdstuk
spreekt Krishna, in zijn hoedanigheid van leraar, over het belang die
twee te onderscheiden, als een basis voor wijs handelen. Hij zegt:
Dit vergankelijke lichaam, o zoon van Kunti, staat
bekend als Kshetra [veld]: zij die bekend zijn met de ware aard van
de dingen noemen de ziel die herkent, de Kshetrajña [kenner
van het veld]. Weet ook dat ik de Kenner ben in ieder sterfelijk lichaam,
. . .
In hoofdstuk vijftien spreekt Krishna als de Verheven Geest, waarvan
alle manifestatie uitgaat en waarnaar ze weer zal terugkeren, de Eenheid
die de bron en instandhouder van alles is:
Het is zelfs een gedeelte van mijzelf dat, terwijl
het in deze wereld van voorwaardelijk bestaan het leven heeft aangenomen,
de vijf zintuigen en het verstand samenbundelt opdat het een lichaam
moge verkrijgen en dit weer moge verlaten. En zij worden door de Opperste
Heer meegedragen, welk lichaam hij ook betreedt of verlaat, gelijk
de bries de geur van de bloem draagt.
‘Gelijk de bries de geur draagt . . .’ – wat een
mooie en poëtische manier om de speciale essentie te beschrijven
die ieder individu met zich meevoert naar het leven op aarde, na alles
wat het nodig heeft voor zijn ervaring in deze ‘wereld van voorwaardelijk
bestaan’, tot zich te hebben getrokken. De oorzaken die de fysieke
geboorte tot gevolg hebben, wortelen in een ver verleden, oorzaken die
door dat wezen zelf zijn verwekt. Zij zijn tot rijpheid gekomen bij
zijn geboorte en zijn tegenwoordig leven, waar hij de omstandigheden
aantreft die hij voor zichzelf geschapen heeft. Hij komt met zijn eigen
karmische erfenis, dat merkwaardige web van actie en reactie dat hij
voor zichzelf geweven heeft, dat een eigen schepping is maar dat samenhangt
met en inwerkt op de evolutionaire stromen van de hem vergezellende
ego’s en levens.
In het algemeen zijn we gewend te denken dat een menselijke geboorte
alleen van belang is voor en invloed uitoefent op een kleine groep gezinsleden.
Van tijd tot tijd wordt er een kind geboren dat een groter effect heeft
op zijn medemensen, dat een leider zal zijn, een schepper van nieuwe
ideeën, een leraar. Maar hoe staat het met de anderen? Wat te zeggen
van die kinderen die geboren worden, volwassen worden en sterven en
slechts in beperkte kring bekend zijn? Ook zij hadden hun plekje in
de voortstromende rivier van het leven, een plekje dat geen ander had
kunnen innemen. Het bewijs hiervoor is zelfs in de fysieke wereld te
vinden. Als de foetus door tussenkomst van zijn moeder de substantie
voor zijn lichaam aan de sterren ontleent, ondervindt dan iets in de
uitgestrektheid van de ruimte niet de invloed daarvan? Dit feit alleen
zou een aanwijzing moeten zijn dat in een universum van actie, reactie
en interactie, de gebeurtenis van een geboorte, hetzij groot of klein,
van een kind of van een kosmos, van invloed is op het geheel. Niets
is zonder gevolgen, niets zonder banden, niets staat alleen of op zichzelf.
Een kind is dus zowel zeldzaam als een wonder, een kind van zijn ouders,
een kind van het universum. Hij is een broeder of een zuster van de
leden van zijn menselijke gezin, maar in werkelijkheid. is hij een broeder
of een zuster van alle wezens. Hij is zowel een uitdrukking van de Eenheid
van allen als van het individuele deel – in de woorden van Krishna,
‘Ziehier mijn goddelijk mysterie . . .’