Velen die deze woorden lezen, hebben hun eigen kinderen in deze wereld
zien komen. Als hun beleving een beetje overeenkomt met de mijne, zal
het ook hen hebben getroffen hoe uiterst volledig de nieuwkomers waren
in ieder detail, en zo transparant, bijna onstoffelijk. En vanaf het
begin was het hummeltje zichzelf, een echt individu. Naderhand als er
een tweede en een derde kind kwam, waren ook die uniek, geheel verschillend
van hun broertjes en zusjes.
Ligt het niet voor de hand dat wij ons afvragen, vanwaar kwamen deze
personen, opduikend in ons daglicht vanuit het mysterie van onbekende
gebieden? Het is niet gemakkelijk te aanvaarden dat dit wonder alleen
het gevolg is van familie genen die toevallig bijeenkwamen; dat alleen
de lichaams-chemie verantwoordelijk is voor de vorming van de eerste
cel tot een kind met al zijn of haar speciale talenten, trekken en gevoelens.
Eerder is het omgekeerde het geval: deze ziel, met zulke sterke
banden met ons verbonden, maakt eenvoudig gebruik van de genetische
erfenis die bijna oneindig veel mogelijkheden biedt. De binnenkomende
krachten gebruiken deze potentiële mogelijkheden selectief, zodat
het kind en later de volwassene kan worden – wat hij is! Deze
zienswijze is zo natuurlijk en sluit het element van het toeval uit,
dat zegt dat als de genetische spiralen op een andere wijze gecombineerd
waren er vrijwel elk ander soort individu had kunnen ontstaan.
De heersende opvatting in wetenschappelijke kringen (enkele opmerkelijke
uitzonderingen daargelaten) is, dat de mens niet meer is dan een aspect
van de stof, d.w.z. dat de mens die we kennen pas ontstond naarmate
het lichaam zich ontwikkelde en dat hij daarom zal ophouden te bestaan
als het lichaam sterft. Vandaar dat, als er wordt verklaard dat er in
ons iets onsterfelijks zou kunnen zijn dat voorafgaat aan de geboorte
en na de dood blijft bestaan, we enigszins geneigd zijn te menen dat
dit een onwetenschappelijke gedachte is. Mogelijk onwetenschappelijk
volgens de grenzen die wetenschappers zichzelf hebben gesteld. Maar
als er wordt beweerd, dat een ziel die in een lichaam leeft op een of
andere manier in strijd is met de feiten van de wetenschap,
dan is dat niet juist. Waar het wel mee in strijd is, is de opvatting
dat bewustzijn, denkvermogen, al onze innerlijke eigenschappen, ontleend
zouden zijn aan de stof; en dat is geen wetenschappelijk feit, maar
alleen een theorie – en wel één die vierkant wordt
tegengesproken door leraren en filosofen uit de oudheid, maar ook door
velen in deze tijd. Deze gedachten betreffen in dit verband natuurlijk
reïncarnatie, maar ze kloppen met alle feiten.
Wanneer we eenmaal de premisse aanvaarden dat de mens een blijvend
element in zich heeft, een geestelijke ziel, zo u wilt, dan is er een
onafscheidelijk verband tussen het onderwerp van de dood en dat van
de geboorte. Want wat onze ervaringen ook mogen zijn na onze dood, tenslotte
worden ze gevolgd door het omgekeerde proces als de ziel terugkeert
tot de geboorte. Deze twee bewustzijnstoestanden zijn dan ook volkomen
met elkaar verstrengeld.
Het kind dat bij zijn geboorte aan ons wordt toevertrouwd, verschijnt
dus beladen met het karma uit zijn verleden, zijn begaafdheden en karakter
dat alleen hem toebehoort. Dit doet op geen enkele wijze iets af aan
de verantwoordelijkheid van de ouders om het milieu te verschaffen,
de discipline, de mogelijkheden en bovenal de liefde, die het kind en
de opgroeiende volwassene in de gelegenheid zullen stellen hun hogere
potentieel naar buiten te brengen en hen aan te moedigen tot zelfbeheersing
en zelfvertrouwen. Het ouderschap wint trouwens in hoge mate aan schoonheid
en betekenis als wij onze kinderen beschouwen als metgezellen uit een
ver verleden, die in dit leven aan onze zorg zijn toevertrouwd in de
jaren van hun vorming. De liefde die wij voor hen hebben wordt daardoor
groter en geeft ons een perspectief, dat niet mogelijk is vanuit het
standpunt van één leven.
Velen geloven dat de processen van het incarneren zich tijdens het
hele leven voortzetten. Het menselijk zelf is zo rijk aan mogelijkheden,
zo vervuld van in vele levens verzamelde wijsheid dat, naarmate de jaren
verstrijken, ieder de gelegenheid heeft te putten uit dit verborgen
reservoir van innerlijke rijkdommen. In feite doet het leven zelf dit
voor ons, omdat elke ervaring die op ons afkomt een bewustmaker is,
als wij ertoe kunnen komen het op deze wijze te zien. Als dus de jeugd
met zijn overvloed aan vitaliteit plaatsmaakt voor volwassenheid en
dan voor ouderdom, kunnen de jaren rijker worden aan inzicht, voller
van die liefde die gericht is op het beste voor alle wezens en dingen.
Natuurlijk komt de tijd dat de lichaamskrachten beginnen af te nemen;
iets van het transparante van het kind komt misschien terug, alsof het
licht van de ziel opnieuw zichtbaar wordt nu de lagere psycho-mentale
krachten verminderen. Het komt bij sommigen voor dat de latere jaren
getuigen van de meeste wijsheid, de meeste helderheid, dat zij het productiefst
zijn en een grote hulp voor anderen. Dit is waarschijnlijk de reden
dat bij vele volkeren de ouderen werden geëerbiedigd en geraadpleegd.
De ouderdom ontwikkelt ook enkele eigenschappen die begrepen dienen
te worden om er op een verstandige manier mee om te kunnen gaan. De
greep van het reïncarnerende ego op het lichaam wordt minder en
de hogere kwaliteiten van de ziel komen dan niet zo duidelijk tot uitdrukking,
zodat ze soms bij tussenpozen hun leidende invloed uitoefenen. Het kan
gebeuren dat er in het mentale deel verwarring ontstaat, en in sommige
gevallen schijnen ook de emotionele aspecten een eigen leven te gaan
leiden naarmate de innerlijke natuur zich terugtrekt. Ieder mens is
weer anders, maar bijna altijd brengen tederheid en liefde een wonder
teweeg en straalt het gelaat een innerlijk licht uit dat we direct herkennen.
Een van de meest hoopgevende aspecten van de reïncarnatiegedachte,
als we aan de dood denken, is dat wij au revoir zeggen en niet
vaarwel. Wij hebben de stellige wetenschap dat de banden van vriendschap
en liefde alleen sterker kunnen worden in toekomstige levens. Vanuit
het persoonlijk gezichtspunt zien wij onbeperkte mogelijkheden voor
ons om van binnenuit al die goede eigenschappen te ontvouwen die wij
tot uitdrukking wilden brengen maar waarin wij nog maar gedeeltelijk
zijn geslaagd. Zeker, de ervaring van het sterven is ingrijpend en reëel;
maar zoals wij zonder angst in slaap vallen, geven wij ook bij de dood
ons bewustzijn over aan de wijze wetten van de natuur, in het vertrouwen
dat wij zowel in de dood als in het leven onszelf zullen zijn. Wij zullen
zelfs een nog verder gaande terugtrekking van het innerlijk bewustzijn
ondergaan. De lichamelijke aspecten zullen een tijdlang buiten werking
zijn; er zal een scheiding volgen tussen de hogere mens en de lagere
mentaal-emotionele trekken en gewoonten totdat het hogere menselijke
ego ten slotte bevrijd, een vrede zal genieten die alle beschrijving
te boven gaat en waarin aspiraties en edele impulsen, hoe onvervuld
ook tijdens het leven, zullen worden verweven in de structuur van het
ware karakter.
Wanneer deze energieën ten slotte zijn uitgeput, wordt het reïncarnerende
ego opnieuw aangetrokken tot de velden waar hij eens zaaide. De processen
van het incarneren beginnen en de binnenkomende ziel steekt zich, laag
na laag, weer in het kleed dat hij eens heeft afgelegd. Maar omdat dit
een oneindig veel vollediger slaap was, bouwt de wordende mens zich
opnieuw een karakter dat in alle opzichten het directe resultaat is
van een vorig leven of van vorige levens, versterkt door al zijn onzichtbare
motieven en stille inspanningen.
Zo wordt als de tijd daar is een kind geboren bij een vader en een
moeder, een kind dat misschien hun pad vele malen en in verschillende
rollen heeft gekruist. Een ziel wordt geboren, ‘wolken van glorie
meevoerend’, om zijn plaats te zoeken langs de eindeloze weg van
de evolutie.