Van geboorte tot geboorte . . .
John P. Van Mater

 

Velen die deze woorden lezen, hebben hun eigen kinderen in deze wereld zien komen. Als hun beleving een beetje overeenkomt met de mijne, zal het ook hen hebben getroffen hoe uiterst volledig de nieuwkomers waren in ieder detail, en zo transparant, bijna onstoffelijk. En vanaf het begin was het hummeltje zichzelf, een echt individu. Naderhand als er een tweede en een derde kind kwam, waren ook die uniek, geheel verschillend van hun broertjes en zusjes.

Ligt het niet voor de hand dat wij ons afvragen, vanwaar kwamen deze personen, opduikend in ons daglicht vanuit het mysterie van onbekende gebieden? Het is niet gemakkelijk te aanvaarden dat dit wonder alleen het gevolg is van familie genen die toevallig bijeenkwamen; dat alleen de lichaams-chemie verantwoordelijk is voor de vorming van de eerste cel tot een kind met al zijn of haar speciale talenten, trekken en gevoelens. Eerder is het omgekeerde het geval: deze ziel, met zulke sterke banden met ons verbonden, maakt eenvoudig gebruik van de genetische erfenis die bijna oneindig veel mogelijkheden biedt. De binnenkomende krachten gebruiken deze potentiële mogelijkheden selectief, zodat het kind en later de volwassene kan worden – wat hij is! Deze zienswijze is zo natuurlijk en sluit het element van het toeval uit, dat zegt dat als de genetische spiralen op een andere wijze gecombineerd waren er vrijwel elk ander soort individu had kunnen ontstaan.

De heersende opvatting in wetenschappelijke kringen (enkele opmerkelijke uitzonderingen daargelaten) is, dat de mens niet meer is dan een aspect van de stof, d.w.z. dat de mens die we kennen pas ontstond naarmate het lichaam zich ontwikkelde en dat hij daarom zal ophouden te bestaan als het lichaam sterft. Vandaar dat, als er wordt verklaard dat er in ons iets onsterfelijks zou kunnen zijn dat voorafgaat aan de geboorte en na de dood blijft bestaan, we enigszins geneigd zijn te menen dat dit een onwetenschappelijke gedachte is. Mogelijk onwetenschappelijk volgens de grenzen die wetenschappers zichzelf hebben gesteld. Maar als er wordt beweerd, dat een ziel die in een lichaam leeft op een of andere manier in strijd is met de feiten van de wetenschap, dan is dat niet juist. Waar het wel mee in strijd is, is de opvatting dat bewustzijn, denkvermogen, al onze innerlijke eigenschappen, ontleend zouden zijn aan de stof; en dat is geen wetenschappelijk feit, maar alleen een theorie – en wel één die vierkant wordt tegengesproken door leraren en filosofen uit de oudheid, maar ook door velen in deze tijd. Deze gedachten betreffen in dit verband natuurlijk reïncarnatie, maar ze kloppen met alle feiten.

Wanneer we eenmaal de premisse aanvaarden dat de mens een blijvend element in zich heeft, een geestelijke ziel, zo u wilt, dan is er een onafscheidelijk verband tussen het onderwerp van de dood en dat van de geboorte. Want wat onze ervaringen ook mogen zijn na onze dood, tenslotte worden ze gevolgd door het omgekeerde proces als de ziel terugkeert tot de geboorte. Deze twee bewustzijnstoestanden zijn dan ook volkomen met elkaar verstrengeld.

Het kind dat bij zijn geboorte aan ons wordt toevertrouwd, verschijnt dus beladen met het karma uit zijn verleden, zijn begaafdheden en karakter dat alleen hem toebehoort. Dit doet op geen enkele wijze iets af aan de verantwoordelijkheid van de ouders om het milieu te verschaffen, de discipline, de mogelijkheden en bovenal de liefde, die het kind en de opgroeiende volwassene in de gelegenheid zullen stellen hun hogere potentieel naar buiten te brengen en hen aan te moedigen tot zelfbeheersing en zelfvertrouwen. Het ouderschap wint trouwens in hoge mate aan schoonheid en betekenis als wij onze kinderen beschouwen als metgezellen uit een ver verleden, die in dit leven aan onze zorg zijn toevertrouwd in de jaren van hun vorming. De liefde die wij voor hen hebben wordt daardoor groter en geeft ons een perspectief, dat niet mogelijk is vanuit het standpunt van één leven.

Velen geloven dat de processen van het incarneren zich tijdens het hele leven voortzetten. Het menselijk zelf is zo rijk aan mogelijkheden, zo vervuld van in vele levens verzamelde wijsheid dat, naarmate de jaren verstrijken, ieder de gelegenheid heeft te putten uit dit verborgen reservoir van innerlijke rijkdommen. In feite doet het leven zelf dit voor ons, omdat elke ervaring die op ons afkomt een bewustmaker is, als wij ertoe kunnen komen het op deze wijze te zien. Als dus de jeugd met zijn overvloed aan vitaliteit plaatsmaakt voor volwassenheid en dan voor ouderdom, kunnen de jaren rijker worden aan inzicht, voller van die liefde die gericht is op het beste voor alle wezens en dingen.

Natuurlijk komt de tijd dat de lichaamskrachten beginnen af te nemen; iets van het transparante van het kind komt misschien terug, alsof het licht van de ziel opnieuw zichtbaar wordt nu de lagere psycho-mentale krachten verminderen. Het komt bij sommigen voor dat de latere jaren getuigen van de meeste wijsheid, de meeste helderheid, dat zij het productiefst zijn en een grote hulp voor anderen. Dit is waarschijnlijk de reden dat bij vele volkeren de ouderen werden geëerbiedigd en geraadpleegd. De ouderdom ontwikkelt ook enkele eigenschappen die begrepen dienen te worden om er op een verstandige manier mee om te kunnen gaan. De greep van het reïncarnerende ego op het lichaam wordt minder en de hogere kwaliteiten van de ziel komen dan niet zo duidelijk tot uitdrukking, zodat ze soms bij tussenpozen hun leidende invloed uitoefenen. Het kan gebeuren dat er in het mentale deel verwarring ontstaat, en in sommige gevallen schijnen ook de emotionele aspecten een eigen leven te gaan leiden naarmate de innerlijke natuur zich terugtrekt. Ieder mens is weer anders, maar bijna altijd brengen tederheid en liefde een wonder teweeg en straalt het gelaat een innerlijk licht uit dat we direct herkennen.

Een van de meest hoopgevende aspecten van de reïncarnatiegedachte, als we aan de dood denken, is dat wij au revoir zeggen en niet vaarwel. Wij hebben de stellige wetenschap dat de banden van vriendschap en liefde alleen sterker kunnen worden in toekomstige levens. Vanuit het persoonlijk gezichtspunt zien wij onbeperkte mogelijkheden voor ons om van binnenuit al die goede eigenschappen te ontvouwen die wij tot uitdrukking wilden brengen maar waarin wij nog maar gedeeltelijk zijn geslaagd. Zeker, de ervaring van het sterven is ingrijpend en reëel; maar zoals wij zonder angst in slaap vallen, geven wij ook bij de dood ons bewustzijn over aan de wijze wetten van de natuur, in het vertrouwen dat wij zowel in de dood als in het leven onszelf zullen zijn. Wij zullen zelfs een nog verder gaande terugtrekking van het innerlijk bewustzijn ondergaan. De lichamelijke aspecten zullen een tijdlang buiten werking zijn; er zal een scheiding volgen tussen de hogere mens en de lagere mentaal-emotionele trekken en gewoonten totdat het hogere menselijke ego ten slotte bevrijd, een vrede zal genieten die alle beschrijving te boven gaat en waarin aspiraties en edele impulsen, hoe onvervuld ook tijdens het leven, zullen worden verweven in de structuur van het ware karakter.

Wanneer deze energieën ten slotte zijn uitgeput, wordt het reïncarnerende ego opnieuw aangetrokken tot de velden waar hij eens zaaide. De processen van het incarneren beginnen en de binnenkomende ziel steekt zich, laag na laag, weer in het kleed dat hij eens heeft afgelegd. Maar omdat dit een oneindig veel vollediger slaap was, bouwt de wordende mens zich opnieuw een karakter dat in alle opzichten het directe resultaat is van een vorig leven of van vorige levens, versterkt door al zijn onzichtbare motieven en stille inspanningen.

Zo wordt als de tijd daar is een kind geboren bij een vader en een moeder, een kind dat misschien hun pad vele malen en in verschillende rollen heeft gekruist. Een ziel wordt geboren, ‘wolken van glorie meevoerend’, om zijn plaats te zoeken langs de eindeloze weg van de evolutie.

 

Uit het tijdschrift Sunrise feb 1981

© 1981 Theosophical University Press Agency