Een kosmisch continuüm
Ruth Harrison

 

Werelden na werelden wentelen in hun baan
En gaan van schepping naar verval
Als bellen lucht op de rivier
Die blinken, barsten en vergaan.
   – P.B. Shelley, Hellas

De mens heeft altijd dromen van onsterfelijkheid gedroomd, vermoedelijk vanaf het moment dat hij voor de eerste keer aandachtig naar schildpadden en bomen keek, in het besef dat hen een langer leven was beschoren dan hemzelf, en hij heeft zijn gedachten over een bestemming zonder dood vastgelegd in mythen, beeldspraak en proefschriften. Onze legenden en scheppingsmythen dringen in onze gedachtewereld door vanuit de grensgebieden van de kosmos, waar krachtige oerenergieën worden omgezet in vormen die zich manifesteren in onze culturele tradities. In de diepere bronnen van het zijn voelen wij een magie, een zuivere wijsheid, die is als vochtige ziele-aarde, waar alles wat ooit zal bestaan uit ontkiemt.

Het denkbeeld van een doorgaand bewustzijn, van wedergeboorte, is niet nieuw. Meer dan de helft van de wereldbevolking gelooft in de een of andere vorm van wedergeboorte; en hoewel velen het nog steeds zien als de opvatting van ‘romantici’ en niet veel aandacht waard, begint de reïncarnatiehypothese opnieuw aan geloofwaardigheid te winnen. Dit is vooral het geval in de westerse wereld, die een grote mate van vaardigheid heeft ontwikkeld in het gebruik en de toepassing van nieuwe technieken, want de technologie heeft het ons mogelijk gemaakt dieper in de geheimen van de natuur door te dringen. Zo hebben bijvoorbeeld nieuwe reanimatietechnieken ertoe geleid, dat bij enkele personen die ‘klinisch dood’ waren verklaard, de levensfuncties terugkeerden, en zij over hun ervaringen ‘aan gene zijde’ konden vertellen. Vooral veel informatie bevat het boek Leven na dit Leven van dr. Raymond Moody, omdat hij veel gevallen uit de praktijk aanhaalt.

Een andere aanwijzing voor een nauwere verbondenheid tussen wetenschap en filosofie is de Nieuwe Fysica. Bij enkele geleerden begint de opvatting te leven dat op subatomaire niveaus het leven van een deeltje misschien niet als stof moet worden beschouwd, maar eerder als proces moet worden begrepen – een continuïteit van zuivere energie, die zich in ruimte-tijd als beweging manifesteert. Dit wijkt niet veel af van de zienswijze van oosterse mystici, die de stof typeren als bedrieglijk, en de werkelijkheid als ongedifferentieerd.

Ook anderen leveren hun bijdrage aan het zich steeds uitbreidende bewijsmateriaal dat er op duidt, dat de mens niet sterft met het uitblazen van zijn laatste adem, maar op een of ander bestaansgebied blijft voortbestaan, zelfs al heeft hij zijn stoffelijk voertuig – het lichaam dat zijn meer bestendig zelf omhult – ‘afgelegd’. Dr. Ian Stevenson,* die hoogleraar is in de psychiatrie aan de medische faculteit van de universiteit van Virginia, en daar tevens aan het hoofd staat van de kleine afdeling voor parapsychologie, heeft gevallen onderzocht van herinneringen aan vorige levens (voornamelijk bij kinderen), en hij zegt dat deze het meest geloofwaardig kunnen worden verklaard aan de hand van de hypothese van reïncarnatie.

*Zie Reincarnation: The Phoenix Fire Mystery, samengesteld en geredigeerd door Joseph Head en S.L. Cranston.

Twee zeer gerespecteerde natuurkundigen, die uitgebreid onderzoek hebben verricht op het gebied van de biomechanica en de ultrahoog vacuüm-technologie, hebben zich beziggehouden met enkele experimenten en methoden voor het onderzoek van die verschijnselen, die momenteel bekend zijn als ‘zien op afstand’, een soort buitenzintuiglijke waarneming.* Hun conclusie is, dat het binnen ‘het bereik van de geest’ (de titel van hun laatste boek) van bijna ieder mens ligt. De theoretische betekenis van hun onderzoek is dat het voor de wetenschappelijke gemeenschap in zekere zin een waarschuwing inhoudt haar standpunt te herzien ten aanzien van het materialistische paradigma dat paranormale activiteiten als deugdelijk gebied van onderzoek verwerpt.

*Mind-Reach, Russell Targ en Harold Puthoff. Delta Book, Dell Publ., New York, 1978.

Een verandering van houding binnen de wetenschap had allang moeten plaatsvinden, en is van het hoogste belang, willen de onderzoekers inderdaad de werkelijkheid leren begrijpen. Dat is een zelfdiscipline die ook aan de mysteriën voorafgaat. Van Iamblichus tot Einstein zijn in iedere eeuw denkers van nieuwe ideeën gestuit op ongeloof; die tijdperken werden gevolgd door perioden van bevestiging en ontdekking. Het tijdperk waarin wij nu leven, het Aquarische, is ondanks al het ontwrichtende en tragische dat erin plaatsheeft, een tijd van sterke en positieve impulsen ten opzichte van het creatief goede, waarin stromen van welwillende gezindheid bestaan, ten opzichte van de mensheid, ten opzichte van hervormende ideeën en dromen; stromen die een weg zoeken door ons emotionele, mentale, en geestelijke bewustzijn en niet alleen hoop geven maar ook inspireren. Zo zijn er mensen die proberen een brug te slaan over de kloof, die de oude wereldbeschouwingen scheidt van nieuwe, verandering brengende gedachtepatronen, die overal in de wereld in het bewustzijn van de mensen naar voren treden. We worden uitgedaagd ons op positieve en creatieve wijze met deze krachtstromen mee te bewegen, en eerder te zoeken naar wat ons verbindt dan naar wat ons scheidt. Veranderingen, die voor velen een bedreiging betekenen, kunnen een werktuig zijn voor veel goeds; ze overvallen ons, gewoonlijk voor we erop zijn voorbereid, schokken ons in onze zelfvoldaanheid, en dwingen ons opnieuw tot bezinning, tot beslissingen en keuzen die we voorheen waarschijnlijk niet zouden hebben gezien. Als we scherp opletten, zullen we ontdekken dat verandering, ontbinding, ontgoocheling – zelfs verval en vernietiging processen zijn die sporen achterlaten van een overwonnen toestand die, evenals de afgelegde huid van een reptiel, duidt op vernieuwing, op een klimaatverandering.

Robert Muller van de Verenigde Naties ziet de veranderingen die in de hedendaagse samenleving plaatsvinden als totaal verschillend van die in het verleden. Hij constateerde onlangs dat er niet langer topfiguren bestaan, die als eenling door de grootsheid van hun visie een gehele gedachtewereld kunnen wijzigen; maar, zei hij, we kennen op het ogenblik een soort collectief streven, waarin vele individuen, die dezelfde droom delen, als eenheid spreken. Hij sprak daarover als ‘kleine lichtjes die her en der verspreid schijnen’, overal in de wereld. Een uitdagende gedachte – vele stemmen met één boodschap.

Wat we nu horen is niet nieuw, maar opnieuw geformuleerd. Zolang we ons kunnen herinneren, weet de mens dat hij meer is dan de som van zijn delen. Hij heeft steeds het gevoel gehad dat hij op weg was naar iets grootsers. Deze gedachten zijn nu overal om ons heen, omdat meer en meer mensen – met een andere achtergrond, cultuur, en religieuze overtuiging – in dezelfde taal over deze eeuw spreken als een tijd van algehele verandering; een tijd vol van beloften voor de grote droom van één menselijke familie, die in haar opvattingen volwassen is geworden – broederschap als een feit in de natuur, en niet als een sentimentele wens.

Dit is zo oud als het zonlicht, maar we luisteren met gerichtere aandacht. We moeten eigenlijk wel, want nooit eerder beschikten we over zo’n verschrikkelijk vermogen onszelf, onze omgeving, onze cultuur en onze wereld beschaving te vernietigen. En nooit eerder is de oude stelregel ‘Ken uzelf’ belangrijker geweest. In een lezing in Gifford deed W. Macneile Dixon de uitspraak dat ‘. . . over onze ware aard, over wat wij werkelijk zijn en in staat zijn te worden, over de hoogten van kennis, wijsheid en kracht die de ziel kan bereiken, over dat alles hebben wetenschap en filosofie tot dusverre nauwelijks gesproken.’* Woorden als deze zetten ons aan opnieuw onze richting te bepalen in deze tijden van overgang, en om onze openheid en onze wil te blijven leren, te toetsen.

*Reincarnation: The Phoenix Fire Mystery, blz. 562.

Hoewel we schepselen zijn in een doorgaand proces van verandering, waarin we zonder ophouden leren en ons begrip van de wetten en harmonieën van de natuur verdiepen, zijn we tegelijkertijd vatbaar voor gezapigheid, inactiviteit, en een zekere mate van zelfvoldaanheid, die onze voortgang tussen geboorte en dood in ons kleine bestaan vertragen. Eén leven kan de eeuwigheid zelf zijn, waarin elk van ons functioneert als het bewustzijn van het Leven; onze geboorte en dood kunnen de middelen zijn waarmee het Leven zichzelf door rust en activiteit instandhoudt. Is het zo vreemd onszelf te beschouwen als het voertuig waarin het Leven zijn eigen bewustzijn ontwikkelt? Zuiver (goddelijk) Leven wil zich in vele voertuigen tot uitdrukking brengen, maar alleen door middel van de mensheid kan het Leven zichzelf op bewuste wijze kennen. Hoe structuren ontstaan is een raadsel dat ons met ontzag vervult en dat gehuld schijnt in raadsels. We beginnen te beseffen dat vorm of structuur door denken wordt voorafgegaan en dat, voorafgaand aan het denken, de begeerte naar vorm ergens moet zetelen. Zoals Einstein constateerde, is de grondslag voor alle ware wetenschap een besef van het mystieke. Vanuit ons intuïtieve zelf resoneert het mystieke met ons denken, en we beginnen te herinneren wat we eens wisten toen we ons nog in de schoot van de goddelijke substantie bevonden. Koraalriffen, die uit vele kleine skeletjes bestaan die daar zijn achtergebleven, nadat de diertjes lang geleden zijn vertrokken, doen ons denken aan de hoog oprijzende monumenten en minaretten van herinnering die de mens gedurende zijn leven bouwt, en die blijven bestaan nadat hij zijn stoffelijke vorm verlaten heeft. Deze bouwwerken van herinneringen fungeren voor de gezamenlijke mensheid als bolwerken tegen de vloedgolven van verval, tegen de destructieve krachten die ook hun rol spelen op het levenstoneel – de gebieden van de stof. Omdat we steeds bezig zijn stoffelijke en gedachtestructuren te scheppen, wordt de vraag naar doel en richting bijzonder relevant. Een snelle terugblik op de geschiedenis die we al hebben voortgebracht, op de structuren van onze geloofsstelsels, van onze opvoedkundige, sociale, en organisatie-vormen, toont ons zondermeer de fouten in wat wij deden en nalieten, fouten als gevolg van onnadenkendheid en vaak onmenselijkheid in ons handelen. We zouden die geschiedenis willen uitwissen, maar aangezien we haar niet kunnen herschrijven, kunnen we alleen met meer zorg te werk gaan als we ons ‘draaiboek samenstellen’ voor de toekomst. De beste omstandigheid voor het scheppen van de inhoud, het motief en de geest van onze handelingen ligt in het kennen van het zelf dat deze voortbrengt, en wij leren het zelf kennen als we onszelf gaan zien als uitingen van het Leven, en ons bewustzijn als het terrein waarop we onze eer betuigen aan dat Leven, en aan het leven van alle andere wezens die met ons hun plaats hebben in deze onweegbare schoonheid die we ons Heelal noemen. Geleidelijk aan zullen we misschien ervaren dat we meer ten volle uitdrukking geven aan de Levensessentie – dat we volledig bewust en volmaakt zijn binnen de omstrengeling van de eeuwige kosmische werkelijkheid.

 

Uit het tijdschrift Sunrise feb 1981

© 1981 Theosophical University Press Agency