Poorten van bewustzijn
Grace F. Knoche

 

Wat weten we weinig van die mysterieuze gebieden die ons bewustzijn ’s nachts binnengaat tijdens de slaap en voor een langere periode tijdens de dood. Toch volgen we deze circulaties instinctief, zoals vogels in hun vlucht magnetische stromen volgen; onfeilbaar vinden we telkens weer onze weg hierheen terug na een tocht die honderden, misschien wel duizenden jaren duurt in de innerlijke rijken van de natuur.

Men onderzoekt in deze tijd de verschijnselen die met de dood en de slaap samenhangen, in een poging erachter te komen hoe de pijn en angst kunnen worden verlicht die de overgang in het Onbekende vaak vergezellen. Slaap aanvaarden we graag, met dankbaarheid voor onze nachtelijke rust. Maar met de dood is het anders. Verstandelijk kunnen we wel inzien dat het de manier van de natuur is om haar levenskrachten te herstellen, dat de bevrijding van de ziel uit een ziekelijk of oud lichaam een zegen is, en dat er zonder periodieke vormverandering geen doorgaande groei mogelijk is. Niettemin is de komst van de dood van hen met wie wij nauw zijn verbonden altijd een schok; we beseffen de onherroepelijkheid ervan en voelen dat we in de greep zijn van een kracht, groter dan we kunnen begrijpen. Alle hoop een toevallig kwaad te herstellen en een onuitgesproken gedachte te delen is vervlogen. Toch voelt men de steun van een binnenstromende kracht, een atmosfeer van rustige zekerheid dat de banden die ons verbinden met hen die we liefhebben, even onsterfelijk zijn als het hart van het Zijn.

De dood was niet altijd het lot van de mens. Veel overleveringen zinspelen erop dat ze op het toneel verscheen toen de mensheid in zijn jeugd zich van zichzelf bewust werd, toen het denken ontwaakte; en dat het vermogen om te denken en te kiezen ons hoogmoedig maakte, zodat we zorgeloos en zelfzuchtig werden. Hoe het ook zij, de stoffelijke dood dient een heilzaam doel doordat hij het mogelijk maakt dat de ziel periodiek rekenschap aflegt tegenover haar innerlijke rechter, haar eigen hoger zelf. In de loop van de tijd werd de dood verpersoonlijkt, zoals in India, waar Yama, bewaker van de doden, een ‘vriendelijk gezicht’ toont aan de deugdzamen, maar die voor hen die hun mens-zijn geweld aandoen, een ‘achtervolger en vernietiger’ is. Kortom, het zijn onze gedachten en emoties en daaruit voortvloeiende daden tijdens ons leven die ons, nadat we sterven, beschermen of kwellen. Hemelen, hellen en vagevuren – sferen van geluk, van lijden en zuivering – zijn eigen aan de natuur, al wordt de beschrijving ervan zowel in Oosterse als Westerse geschriften schromelijk overdreven.

Een van onze moeilijkheden is dat we ons leven op aarde als het allerbelangrijkste beschouwen, terwijl het in werkelijkheid slechts een deel van onze bestemming vertegenwoordigt. Evenals de Asvattha of vijgenboom in het vedische India, waarvan werd gezegd dat hij met zijn wortels in de hemel groeit, en met takken en bladeren naar de aarde reikt, zo zijn wij mensen geworteld in onze monadische essentie die onze intelligentie en onze emotionele natuur overstraalt en zelfs ons stoffelijk lichaam. Geboorte en dood kunnen dan worden gezien als poorten, als episoden in het ontwaken van de ziel, waarvan de groei hoofdzakelijk wordt gestimuleerd door onze goddelijke bron.

De betekenis van slaap, dood en wedergeboorte omvat tevens de realiteit van inwijding: de vervulling van een leven dat in volledig bewustzijn is geleefd, een bewustzijn dat eerstehands ervaringen brengt van de wegen die we in de slaap, en na het sterven, onbewust volgen. Hij die het leven van de geest wil begrijpen, moet zelfbewust door de onderwereld gaan. Als hij overwint, stijgt hij op naar de portalen van de zon en keert, met behoud van de herinnering aan de verlichting die hij ontving, terug om zijn medemensen erin te laten delen.

In dit themanummer hebben onze medewerkers uit moderne en oude bronnen geput in een poging een of meer facetten te tonen van dit kosmische, maar toch heel menselijke thema. We geloven oprecht dat we in hoge mate worden geholpen de cruciale eisen die het leven ons stelt tegemoet te treden, doordat we iets kunnen waarnemen van het panorama dat zich voor ons ontvouwt als we onszelf zien als kosmische pelgrims.

 

Uit het tijdschrift Sunrise feb 1981

© 1981 Theosophical University Press Agency