In vroeger tijden wist een geheel volk dat er in zijn land bepaalde
instellingen bestonden, die mysteriescholen werden genoemd. Elk land
bezat zulke centra en het onderricht bestond naar verluidt uit twee
gedeelten. In Griekenland, bijvoorbeeld, waren dat (1) de kleine mysteriën,
waarin de leerlingen na een voorafgaande loutering van het karakter
werden onderwezen door middel van symbolische toneelstukken en ceremoniën
die een beeld gaven van de aard en het doel van het leven op aarde en
de bestemming van de mens; en (2) de grote mysteriën, die een meer
directe vorm van onderricht boden aan hen wier altruïstische instelling
en geschiktheid om zo’n zware weg te gaan al voortdurend waren
getest. De tweede afdeling onderwees vermoedelijk leringen die de samenstelling
en de processen van het zonnestelsel en van de mensheid betroffen, en
geboorte en dood, gezien als twee fasen in het continuüm van het
leven. Wat er aan geschreven aanwijzingen tot in onze tijd is bewaard,
duidt erop dat in de centra van de mysteriën aan de zelfbewuste
mens werd getoond hoe hij de vele fasen moest doorlopen die de stadia
van de groei van de ziel aangaven.
Een belangrijk deel van het onderricht in de grote mysteriën vond
zijn hoogtepunt in een ‘examen’, inwijding genaamd, dat
de kandidaat tot in iedere vezel van zijn karakter op de proef stelde.
*
De leringen over de dood zoals die ontvangen waren in de tijd voorafgaande
aan dit belangrijke moment in het drama van de ziel, moesten nu bewust
worden ervaren, waarbij het lichaam in een opgeroepen trancetoestand
werd gehouden, en ieder vermogen van het innerlijk wezen was geconcentreerd
op de processen die plaatsvonden. In zekere zin was de ziel bevrijd
van de verhullende sluiers van het stoffelijk leven; ze kon de veranderingen
voelen die plaatsvonden en eveneens de werkelijkheid zien achter de
schijn van het aardse bestaan. Als de kandidaat erin slaagde de omstandigheden
waarmee hij te maken kreeg op zo’n innerlijke ‘reis’
naar zijn diepste wezen, ongeschonden te doorstaan en te beheersen,
dan had de vroegere neofiet, wanneer op de derde dag de ‘terugkerende’
ziel zijn voertuig, het lichaam, weer tot leven wekte, zich ontwikkeld
tot een ingewijde, die in staat was te spreken met het gezag van iemand
die rechtstreekse ervaring had opgedaan. Zo iemand werd in de kunst
afgebeeld met een aureool van licht, hetzij om het hoofd, in welk geval
het een ‘halo’ werd genoemd, of om het lichaam, zoals in
allerlei oosterse voorstellingen.
*Dr. Angelo Brelich heeft duidelijk gemaakt dat
‘gedurende het inwijdingsproces, bij zogoed als alle volkeren
die inwijding in praktijk brachten, de ‘novicen (ritueel) moeten
sterven, vóór de (rituele) geboorte van de ingewijde.
De inwijdingsdood wordt op verschillende manieren in praktijk gebracht,
uiteenlopend van het zeer realistische dramatiseren ervan tot vage symbolische
toespelingen.’
In het geval van de oude Egyptische mysteriën waren de leringen
en de betekenis ervan verborgen in mythen, en in een geografie van het
hemelse land – waarvan de aardse tegenhanger een spiegelbeeld
was.* Het eerste werd besproeid door de ‘hemelse’ Nijl of
de ‘Rivier van de Hemel’ waarvan de aardse rivier slechts
het symbool was. Het ‘Heilige Land’ waarop in werkelijkheid
werd gedoeld in de Pert-em-Hru en in andere oude geschriften,
was in drie regionen verdeeld, overeenkomende met de drie voornaamste
stadia van onderricht: (1) Restau, het Gebied van Inwijding;
(2) Aahula (of Elysium in het Griekse stelsel), het Gebied
van Verlichting waar de kandidaat de Witte Kroon ontving; en (3) Amentet,
de Plaats van Vereniging met de ongeziene Vader of oorsprong van ons
planetaire leven.
*Dit verklaart tot op zekere hoogte waarom plaatsen,
vermeld in de Pert-em-Hru, of ‘Boek van het tevoorschijn
treden in het licht’ (ten onrechte ‘Dodenboek’ genoemd),
gesitueerd schijnen te zijn aan een kant van het land tegenover hun
plaats op de feitelijke kaart. Overigens wordt in het neo-Zoroastrische
platonisme de ‘Hemelse Aarde’ – ‘alam al-mithal
– op dezelfde manier aangeduid (zie dr. Henri Corbins The
Man of Light in Iranian Sufism). William Blake, de Engelse mysticus,
maakte onderscheid tussen het hemelse Jeruzalem en de stad met dezelfde
naam in Judea.
Dit is ondermeer beschreven door dr. T. M. Stewart:
de zichtbare schepping werd beschouwd als de tegenhanger
of het spiegelbeeld van het Heilige Land, of de Ongeziene Wereld,
en deze Ongeziene Wereld werd niet voorgesteld als een vaag geloof.
‘De boven-weg’ toont hoe de Rechtvaardigen, na door het
portaal van de tombe te zijn heengegaan, (ten eerste) een inwijding
doormaken, die hun (ten tweede) verlichting schenkt en (ten derde)
hun een eindeloze vereniging met licht, de Grote Schepper brengt.*
*Symbolism of the Gods of the Egyptians,
blz. 11, passim.
Deze uiteindelijke ontzagwekkende ervaring wordt beschreven in het
Poimandres-geschrift van de Hermetica – een
vertaling van het oud Egyptische denken in Alexandrijns Grieks, dat
het idioom van deze taal gebruikt. De verteller, beschreven als een
‘zoon’ – d.w.z. discipel – van wijsheid (Thoth),
treedt korte tijd het ‘grenzeloze licht’ van het heelal
binnen, welke tijdelijke samensmelting voor hem een vreugdevolle en
machtige ervaring is waarvan de naglans hem voor altijd bijblijft.
 |
Vignet dat een Egyptische inwijding illustreert.
Het lichaam van de kandidaat is ‘begraven’.
Het haviksmasker geeft aan dat de ziel zich bewust is van zijn hogere
zelf – Horus. De zeven treden hebben betrekking op de zeven
graden van inwijding; de figuur op de troon is de ingewijde die,
na de zevende te hebben doorlopen, nu ‘Gerechtvaardigd’
is, of wel, ‘ge-Osirifieerd’. Evenals Osiris is hij
meester van de kosmische krachten en van die welke weerspiegeld
zijn in de mens. |
De Egyptische ‘levensweg’ onderscheidde twee temperamenten:
de ‘hartstochtelijke mens’ en de mens met zelfdiscipline,
de zogenaamde ‘stille mens’. Naar de beschrijving van dr.
H. Frankfort blijkt de hartstochtelijke mens in alle tijden egoïstisch,
materialistisch en vaak meedogenloos te zijn. De stille mens is geduldig
en meester van zichzelf in alle omstandigheden van het dagelijks leven.
Amenemope, de wijze uit de oudheid, stelt de twee typen tegenover elkaar:
Wat de hartstochtelijke mens in de tempel betreft, hij is als een
boom die in het open veld groeit. Plotseling [komt] het verlies van
zijn bladeren, en bereikt hij zijn einde op de scheepswerven; [of]
hij wordt ver over water vervoerd en een vlam is zijn doodskleed.
[Maar] de werkelijk stille mens blijft op zichzelf. Hij is als een
boom die groeit in een tuin. Hij gedijt; hij verdubbelt zijn vruchtopbrengst;
hij [staat] voor zijn heer. Zijn vruchten zijn zoet: zijn schaduw
is verkwikkend; en hij bereikt zijn einde in de tuin.*
*Ancient Egyptian Religion, blz. 65-6.
Frankfort denkt dat wij in onze westerse cultuur misschien geneigd
zijn het ideaal van de stille mens verkeerd te begrijpen. Het betekent
niet dat hij wereldvreemd is, in de zin van onpraktisch, of zo onderdanig
tegenover anderen dat hij een soort voetveeg is. In werkelijkheid is
de stille mens de meest succesvolle mens, omdat hij zichzelf volledig
in de hand heeft en daardoor ook iedere situatie waarbij hij zelf betrokken
is. De hoge gezagsdragers van het oude Egypte beschreven zichzelf als
‘waarlijk stil’, een uitdrukking die getuigt van een uitgesproken
Egyptische wijsheid. De betekenis van de uitdrukking ‘stille mens’
blijkt het duidelijkst uit het trainingssysteem dat in de Egyptische
mysteriën werd gebruikt, waar discipline voorafging aan het onderricht
en door alles heen werd gehandhaafd.
De drie voornaamste al eerder genoemde graden waren van toepassing
op (1) stervelingen of onderrichte proefleerlingen ‘die nog niet
tot innerlijke visie waren gekomen’; (2) Intelligenties ‘die
daartoe wel waren gekomen . . . en die het ‘Denkend Beginsel’
hadden ontvangen’; en (3) ‘Wezens (of Zonen) van het Licht
die één waren geworden met het Licht’ van het goddelijk
element in hen.* In zekere zin corresponderen deze groeperingen met
de verdeling van de mens door de gnosticus Paulus in lichaam, ziel en
geest, en evenals deze drie aspecten van de menselijke essentie zijn
samengesteld uit hun eigen elementen, zoals energie, emotionele en mentale
entiteiten, zo hadden ook de graden hun eigen onderverdelingen.
*Stewart, Op.cit., blz. 14.
Het bekende vignet uit de Pert-em-Hru, het ‘Wegen van
het Hart’ genaamd, schildert de ziel van de kandidaat (gewoonlijk
beschreven als ‘het hart van de overledene’), de ab
of ib, die op de schaal wordt gewogen tegen de veersymbool
van Maat (‘waarheid’). Ab is niet alleen een term
voor het hart, inderdaad een vitaal orgaan, maar betekent ook de bewuste
entiteit die, in zekere zin onafhankelijk van de uiterlijke vorm van
de persoonlijkheid, de ‘god in de mens’ is. Er is een speciaal
gebed in het geschrift, dat gericht wordt tot het ‘hart’
tijdens de weegscène, dat luidt:
O, mijn hart, mijn voorvaderlijk hart, nodig voor
mijn transformaties, . . . zonder u niet af van mij nu ik sta voor
de bewaker van de Schalen. U bent mijn individualiteit in mijn borst,
goddelijke metgezel, die waakt over mijn lichamen.
Deze invocatie werd gegrift op een heilige scarabee, Kheperu, symbool
van de zonnegeboorte of wedergeboorte in de mens, maar dat ook een kosmische
betekenis heeft, voorgesteld door het opgaan van de zon bij de dageraad.
Dr. M.W. Blackden beschrijft het laatste Pert-em-Hru inwijdingsritueel
als de ‘ziel’ of kandidaat die voor de ‘Zuilenhal
van de Twee Waarheden’ staat, waarbinnen een glimp van de ‘goden’
of ingewijden wordt opgevangen. Anubis kondigt aan dat de initiant aan
de deur staat en vraagt hem te vertellen over het toetsen van zijn karakter.
Dan wordt hem de naam van de deur gevraagd. ‘Opener van het Goddelijk
Licht’, is het antwoord. De namen van de scharnieren zijn ‘Heer
van de Waarheid’ voor het bovenste, en ‘Heer van de kracht
om het dier te binden’ voor het laagste. De Egyptenaren beschouwden
namen als belangrijk: wanneer men de volle betekenis kende had men macht
over wat zij vertegenwoordigen.
Er is een prachtige passage in de Pert-em-Hru aangeduid als
Het hoofdstuk over het binnengaan in en het tevoorschijn
komen uit Amentet: . . . de schrijver Nebseni, zegevierend, zegt:
‘stervelingen, . . . Ik ga binnen als de Havik en kom tevoorschijn
als de Bennu vogel . . .’*
*Papyrus van Nebseni, in The Book of the
Dead, E.A. Wallis Budge, blz. 61.
 |
| Het symbool van het denkvermogen drijft het
Zwarte Zwijn van Set (stof) uit de inwijdingskamer, de Rechtszaal
van Osiris volgens het Boek van de Poorten. |
De Havik is het valk-symbool van Horus, een hoog element in de constitutie
van de mens en de kosmos. Deze tekst betekent dus, onder andere, dat
de kandidaat de ervaring begint als iemand die zich bewust
is van zijn ingeboren spiritualiteit en beëindigt als de drager
van het goddelijke, gezuiverd van de droesem die werd verteerd in de
zuiverende vlam van eenwording met de innerlijke god. In een andere
tekst zegt de succesvolle kandidaat:
Ik ben als de sterren die geen vermoeidheid kennen.
Ik ben op de Boot van Miljoenen Jaren.
Voor de Egyptenaren van de vroegste dynastieën betekende inwijding
het stimuleren van hogere vermogens die in ons allen aanwezig zijn,
het trainingssysteem gebaseerd op ‘juist leven’ en ‘juist
denken’, om de meer moderne boeddhistische termen te gebruiken.
Deze ethische beginselen waren de belichaming op het menselijk gebied
van de wetten van de godin Maat, die kosmische orde, rechtvaardigheid
en plicht in de vorm van verantwoordelijkheid vertegenwoordigden. De
vierde inwijding was niet de waardeloze ceremonie zoals die door sommige
hedendaagse pseudo-leraren wordt verkondigd, maar betekende onder meer
het overschrijden van de ‘horizon van de Zon’, d.w.z. het
ontmoeten van en het tijdelijk opgenomen zijn in of het eenworden met
de zonneheerlijkheid die in het hart van ieder van ons zetelt. Dit kan
niet een luchthartig aanvaarde onderneming zijn, want de lagere, zelfverheerlijkende
neigingen van onze natuur moeten alleen door onszelf worden overwonnen.
Wanneer de poorten van de ‘hemelse Nijl zijn geopend’, wordt
niet alleen de Atef-Kroon van verlichting geschonken, maar de verlichte
mens kan nu meer ten volle het hogere denken tot uitdrukking brengen
en zijn hele wezen en al zijn werk aanwenden voor de verheffing van
zijn medemensen. In dit stadium heeft de hiërofant de vergeestelijkte
intelligentie van de mens aangeraakt, die dan als het ware een nieuwe
geboorte ondergaat van bovenaf.
Wanneer dat gebeurt beseft men dat alles in het heelal, ook de kosmos
zelf, gezien als een organisme in alle stadia van bewustzijn en zijn,
tot het geringste van zijn atomaire delen, een embryo in een ei is.
Omdat niets volkomen volwassen is – in de betekenis van af, klaar,
‘volmaakt’ in absolute zin: compleet of niet-veranderend
– zijn wij allen bezig te ontwikkelen of worden wij ontwikkeld.
Bewustzijn doordringt de oneindigheid en daarom kan de ‘geboorte’
in één aspect ervan en het vertrek of de ‘dood’
uit die bepaalde fase niet een allereerste begin of een eeuwig einde
betekenen. Leven en dood als een paar aan elkaar verbinden zoals wij
gewoonlijk doen, is een vergissing, want de poorten tot en uit het leven
op aarde zijn geboorte en dood.
Het hele proces is een eindeloos worden, zoals het zaadje sterft wanneer
het ontkiemt en ook het kiemplantje zijn vroege hulpeloze toestand verlaat
om mettertijd een plant te worden in zijn volle kracht en wasdom. Zijn
innerlijke kwaliteiten ontluiken in het volwassen stadium, brengen bloemen
voort die zijn ingeboren schoonheid en zijn mogelijkheden voor de toekomst
tot uitdrukking brengen. Deze verschillende kwaliteiten in velerlei
graden ontwikkelen zich uit de onzichtbare essentie binnenin het hart
van het nietige zaadje, uit iets – niet meer dan een speldenknop
– dat voortkomt uit de weidse gebieden van mogelijkheden in de
Ruimte, die door de oude volkeren werd gezien als de Moeder van alle
wezens.
Bibliografie
- Blackden, M.W.: vert. en uitg. Ritual of the Mystery of the
Judgment of the Soul, From An Egyptian Papyrus, Bernard Quaritch,
Londen, geen datum.
- Blavatsky, H.P.: De geheime leer, Theosophical University
Press Agency.
- Brelich, Angelo: ‘Symbol of a Symbol,’ een artikel
in Myths and Symbols, Studies in Honor of Mircea Eliade,
Chicago University Press, 1971.
- Budge, Sir E.A. Wallis: From Fetish to God in Ancient Egypt,
Oxford University Press, Londen, 1934.
- Frankfort, Henri: Ancient Egyptian Religion: An Interpretation,
Columbia University Press, New York, 1949.
- Rossiter, Evelyn: Commentaries on The
Egyptian Book of the Death: Reu Nu Pert Em Hru, Or The
Chapters of Coming Forth by Day: Papyri of Ani, Hunefer, Anhaï,
Miller Graphics, verspreid door Crown Publishers, N.Y., geen datum.
- Stewart, Thomas Milton: The Symbolism of the Gods of the Egyptians
and the Light They Throw on Freemasonry, Baskerville Press, Londen,
1927.