Tweederde god, eenderde mens
Grace F. Knoche

 

Een vier tot vijfduizend jaar geleden, lang voor de schepping van de Ilias en Odyssee door Homerus, bezongen onbekende dichters in het land van Sumerië de heldendaden van Gilgamesj, hij die zich in de werelden van het hiernamaals waagde, op zoek naar het eeuwige leven. In het Gilgamesj-epos dat in spijkerschrift op kleitafels is vereeuwigd die van Sumerische, Hettitische, Babylonische en Assyrische oorsprong zijn, vinden wij een inwijdingsverhaal dat ons rechtstreeks aanspreekt, niet omdat Gilgamesj een inwijdingskandidaat is, maar omdat hij een heel menselijk iemand is, die net als wij het hoofd moet bieden aan ziekte en dood en toch naar het leven verlangt.

‘Over dood en leven wilde ik vragen!’ Zo begint Gilgamesj de aloude speurtocht naar de kennis van het leven door naar de betekenis van de dood te zoeken. Gilgamesj is koning van Uruk en zijn jeugdige kracht is ‘als een wilde os’ op hol geslagen. De goden, die acht slaan op de dringende smeekbeden van zijn onderdanen, verschaffen een metgezel om een vriend voor hem te zijn en hem te beschermen. Gilgamesj droomt van een vallende ster en zijn moeder, die ‘alles weet’, legt dit uit als de komst van Enkidu die zijn beschermer en vriend zal zijn: Enkidu, van dier pas mens geworden en met een tot nu toe onbedorven toewijding en intuïtie. Vrijwel onmiddellijk binden beiden echter de strijd aan, totdat Enkidu, die het onderspit delft, Gilgamesj trouw belooft. Hun ogen ontmoeten elkaar en zij weten dat ze broeders zijn. Gilgamesj heeft nog meer dromen, en zijn moeder dringt er bij hem en Enkidu op aan, door te dringen in het enorme cederwoud en de reus Huwawa te doden. Gilgamesj verlangt naar het avontuur; hij kent geen vrees en zou graag naam willen maken, zelfs zo nodig in de dood. Enkidu voelt echter dat er gevaar dreigt; ook hij heeft vreemde dromen. Toch vertrekken ze, en na over zeven bergen te zijn getrokken en zeven ceders te hebben geveld, doden zij Huwawa ‘van de zeven verschrikkingen’. Opgetogen keren zij naar Uruk terug.

Op dit punt wordt Ishtar, godin van de liefde en de oorlog, op Gilgamesj verliefd, maar hij wil niets met haar te maken hebben. Zij is woedend en smeekt haar vader, de god Anu, de hemelse stier te vormen om hem te vernietigen, Opnieuw zegeviert Gilgamesj met hulp van Enkidu. Dit maakt haar woede alleen maar groter en haar vervloeking brengt Enkidu ertoe de godin te beledigen. Die nacht heeft Enkidu een onheilspellende droom: de goden, in raadsvergadering bijeen, beslissen dat een van beiden moet sterven, en het kan niet Gilgamesj zijn. Ze zijn beiden troosteloos; Enkidu wordt ziek en na twaalf dagen is hij dood. Gilgamesj, met droefheid geslagen, waakt zeven dagen en nachten bij zijn vriend, in de hoop dat hij uit de ‘slaap’ die hem vasthoudt, wordt opgewekt. Waarom bestaat de dood toch? Waarom moeten vrienden worden gescheiden? Zijn klaaglied behoort tot de grootste poëtische uitingen aller tijden. Tenslotte aanvaardt Gilgamesj het feit van de dood en begint aan zijn reis naar Utanapisjtim, de stamvader, op zoek naar de beloning der onsterfelijkheid, voor zichzelf en ook om zijn vriend weer tot leven te kunnen brengen.

Op zijn tocht door de wildernis en over steppen doorstaat hij vreselijke ontberingen en komt eindelijk bij Mashu, de bergketen die van de ‘hemelmuur’ tot de onderwereld reikt en waakt over het opgaan en het ondergaan van de zon. Bij de ingang houdt Schorpioenman Gilgamesj tegen: niemand dan zij die voorbereid zijn mogen de ‘twaalf mijlen duisternis waar geen licht is’ binnentreden. Maar zijn vrouw komt tussenbeide: deze jongeman is geen gewone sterveling – ‘tweederde van hem is god, éénderde van hem is mens’. Het wordt Gilgamesj toegestaan door een opening in de berg de Weg naar de Zon op te gaan. De verschrikkingen van de eeuwigdurende nacht worden overwonnen en hij komt er doorheen en vindt Sjamasj, de zon, in volle pracht. Er wordt opnieuw een poging gedaan om Gilgamesj van zijn plan af te brengen: ‘U zult het leven dat u zoekt nooit vinden.’ Maar hij wil niet worden tegengehouden en na de buitengewone moeilijkheden van zijn reis uitvoerig te hebben verteld, doet hij het volgende beroep op Sjamasj, de dappere:

Moet ik mijn hoofd in het hart van de aarde leggen
Zodat ik alle jaren door zal slapen?
Laat mijn ogen de zon aanschouwen
Zodat ik volop licht heb!
De duisternis wijkt als er genoeg licht is,
Moge hij die een dood is gestorven de glans van de zon aanschouwen!

Zelfs de zonnegod kon iemand die vervuld is van geestdrift voor het zoeken niet weerhouden. Gilgamesj reist verder en wordt pas tot stilstand gebracht bij de zee waar Siduri, de wijnmaakster, woont. Voor haar vertelt hij nogmaals zijn droevige verhaal. Als zij de kwelling in zijn ziel ziet, dringt zij er bij hem op aan terug te keren vanwaar hij kwam, want ‘het leven dat u najaagt zult u niet vinden.’ Zij vertelt hem van de Wateren des Doods, die niemand behalve Sjamasj mag oversteken; maar als hij wil volhouden, moet hij Ursjanabi zoeken, de veerman van Utanapisjtim die, als het mogelijk is, hem zal overzetten; zo niet, dan moet hij huiswaarts keren en het hem toebedeelde leven verder slijten.

Boos en teleurgesteld door de voortdurende waarschuwingen, neemt Gilgamesj zijn bijl op en verbrijzelt het tuig van de boot en ook de ‘heilige stenen’ die hem zouden hebben beschermd voor de Wateren des Doods. Maar toch is de veerman bewogen door het lot van de vreemdeling en besluit hem te helpen. Hij geeft hem opdracht 120 stokken te snijden en zegt dat iedere stok, na eenmaal gebruikt te zijn, moet worden afgedankt, want zijn hand mag het dodende water niet aanraken. Na verloop van tijd hebben zij zich met de stok voortgeduwd naar het eiland waar Utanapisjtim woont.

Hoe fragmentarisch het dichtwerk ook is, en bijeengevoegd uit verschillende bestaande versies, het oefent nog steeds een magische werking uit, zelfs in vertaling. De antwoorden van Utanapisjtim, de Ververwijderde, zijn zeldzaam mooie en krachtige passages.

Alles is vergankelijk; sinds onkenbare tijden is er niets blijvends: ‘de slapenden en de doden, hoezeer lijken zij op elkaar . . . de gewone burgers en de edelen, wanneer ze hun lot zijn genaderd’, Gilgamesj verwondert zich erover dat Utanapisjtim een mens lijkt als hijzelf, en toch is hij hier in het gezelschap van goden en heeft hij de gave van het eeuwige leven ontvangen. Hoe kan dat? Utanapisjtim (voorloper van Noach) vertelt dan de geschiedenis van de Grote Zondvloed die Sjurrupak verzwolg toen de goden hadden uitgemaakt dat de mensheid had gefaald en moest worden vernietigd. Door een droom of op andere manieren hadden zij hem de raad gegeven om ‘bezittingen in de steek te laten en het leven te redden’, en het hout van zijn huis te gebruiken om een boot te bouwen en daarin de ‘zaden van alle levende wezens’ in veiligheid te stellen. De storm die opstak raasde met zo’n woede, dat zelfs de goden uit de hoogste hemel en de rechters van de onderwereld weenden uit medelijden. Omdat Utanapisjtim en zijn vrouw hun opdracht om de levenszaden voor het nageslacht te behoeden hadden vervuld, en de goden behulpzaam en trouw waren gebleven, werden zij aan hen gelijk.
Utanapisjtim kijkt aandachtig naar Gilgamesj en besluit hem dezelfde gunst van onsterfelijk leven aan te bieden die zij hadden ontvangen, mits hij zes dagen en zeven nachten waakzaam en wakker kan blijven. Maar terwijl Utanapisjtim nog spreekt, wordt zijn gast door de slaap als een ‘mist’ overmand. Gilgamesj slaapt door tot hij op de ochtend van de zevende dag wordt gewekt. Hij heeft gefaald in de beproeving. Wanhoop vervult zijn ziel: waar hij ook gaat is er dood. ‘Wat zal ik doen? Waarheen zou ik kunnen gaan?’

Utanapisjtim gelast de veerman de zorg voor deze mens – misschien is hij gedeeltelijk god, maar toch nog mens – over te nemen en hem toe te staan zich te reinigen en te verfrissen in helder stromend water en hem nieuwe kleren te geven die geen tekenen van slijtage en zware inspanning zullen vertonen tot zijn terugkeer in Uruk. Als dit is gebeurd gaan Ursjanabi en Gilgamesj aan boord van de boot. Net als zij onder zeil willen gaan, doet de vrouw van Utanapisjtim een beroep op haar echtgenoot om de jongeman niet te laten gaan zonder hem iets te geven om mee te nemen naar zijn geboorteland. Utanapisjtim biedt Gilgamesj dan een ‘verborgen ding’ aan, een plant die prikt als de doornen van een roos; als hij haar kan beetpakken en blijven vasthouden, zal hij het leven dat hij zoekt bereiken. Gilgamesj verheugt zich. Hij bindt zware stenen aan zijn enkels en laat zich neer in de diepe vaargeul waar de plant groeit, en door er stevig aan te trekken, brengt hij deze aan de wal. Verrukt beginnen hij en de bootsman aan hun terugreis.

Op een avond, als zij stoppen om bij een put wat uit te rusten, kan Gilgamesj het niet nalaten een bad te nemen in het verkoelende water. Een slang die op de bodem ligt te luieren, vangt de geur op van de plant, gaat rustig en onopgemerkt naar de oppervlakte en eet haar op; zelf verjongd, laat hij zijn afgeworpen huid achter. De met zoveel ontberingen verworven beloning is verspeeld! Onze held weent, totaal troosteloos: ‘Voor wie heb ik gezwoegd? Voor wie heb ik mijn hartenbloed vergoten?’ Voor niets anders dan een slang, een ‘aard-leeuw’, verwierf hij de gunst van het eeuwige leven!

De kleitafel breekt hier af met hun aankomst in Uruk en met slechts een vluchtige verwijzing naar Gilgamesj, de koning die wijs was en ‘alles zag’, die in steen het verslag van de Grote Zondvloed vastlegde en van al zijn ervaringen op zijn lange, lange reis op zoek naar het onsterfelijke leven.

Zinspelingen op een wijsheid die in oude tijden thuishoorde in het Heiligdom, zijn overal in het heldendicht te vinden: de nauwe band tussen goden en mensen, met dromen die beloften en voorspellingen inhouden; de herhaalde waarschuwingen en pogingen om de jongeman af te brengen zich te wagen aan wat buiten zijn bereik is – alleen de zon kan veilig de Wateren des Doods oversteken, ieder ander zou sterven; de vele zinspelingen op de getallen zeven en twaalf; de duidelijke kennis van hemelse zaken – in de ‘twaalf mijlen’ op de Weg naar de Zon, bewaakt door Scorpio (Schorpioen). En schuilt er geen betekenis in de meedogende tussenkomst van de vrouwen (van Schorpioenman en Utanapisjtim), waardoor zich een kentering voltrok ten gunste van de jongeman? Wat de slang of ‘de wijze’ betreft, alleen zo iemand kan met recht aanspraak maken op de ‘plant’ der onsterfelijkheid. Al is het ten slotte duidelijk dat Gilgamesj niet gereed is voor de laatste beproeving, wordt het hem toegestaan te ‘proberen’ omdat hij het zoeken moedig had doorgezet. En hoewel hij niet slaagde, had hij toch de bescherming van de goden verdiend en een veilige terugtocht naar huis, waar hij zijn bestemming zou volbrengen en rechtvaardig en verlicht zou regeren tot aan zijn dood, op een leeftijd van 120 jaar.

En hoe is het nu met ons? Op welke manier kan het lezen over helden van vroeger, het bestuderen van leringen over de toestanden na de dood, ons helpen nu te leven en met meer begrip het scheiden en het sterven tegemoet te treden waarmee wij in ons leven te maken krijgen? Evenals Gilgamesj zijn ook wij gedeeltelijk god, gedeeltelijk mens, en het is juist zijn menszijn dat ons hart beroert en onze moed versterkt. Als er sprake was van falen, komt dat omdat hij nog meer moest leren en leren beheersen. Betekent het niet een overwinning dat hij het onmogelijke aandurfde uit liefde voor een vriend, zelfs al was hij nog niet voldoende ontwaakt om de ‘onsterfelijkheid’ vast te houden die hij schijnbaar had verworven? Alles wat hij wel aankon, verkreeg hij, en hij keerde gelouterd en met zelfbeheersing terug naar Uruk.

De in spijkerschrift vermelde overlevering is onvolledig, maar toch vragen wij ons af of ze niet precies daar eindigt waar ze moet eindigen, zodat toekomstige generaties zich beter in hem kunnen herkennen. Wij leven in een heel andere tijd en in volkomen andere omstandigheden dan die waarmee Gilgamesj te maken had, maar wij hebben dezelfde eigenschappen, edele en lage. Verdriet en vreugde, falen en overwinnen, zijn steeds het lot van de mens, evenals het verlangen naar waarheid en wijsheid.

 

Bibliografie

  • Eliade, Mircea, Death, Afterlife, and Eschatology, Harper & Row, 1967.
  • Heidel, Alexander, The Gilgamesj Epic and Old Testament Parallels, University of Chicago, 1949.
  • Kramer, S.M., Sumerian Mythology, University of Pennsylvania, 1972.
  • Sandars, N.K., The Epic of Gilgamesh, Penguin Classics, 1972.
  • Speiser, E.A., Ancient Near Eastern Texts, University of Princeton, 1950.
 
 

Uit het tijdschrift Sunrise feb 1981

© 1981 Theosophical University Press Agency