Als goden worden
Kirby Van Mater

 

De relatie van ons menselijke ego tot zijn innerlijke godheid is misschien de diepste en meest omvattende van alle mystieke leringen. Het komt goed tot uitdrukking in het gebed van Socrates dat de uiterlijke mens zo zou moeten leven dat hij één is met de innerlijke mens en, op een andere manier, in het christelijke idee van verlossing waar mens en God verzoend moeten worden door Christus. Maar dit verlossingsverhaal geldt niet alleen voor de mensheid, maar ook voor de kosmos.

Het goddelijke of kosmische zelf is de eenheid achter al zijn manifestaties, en zijn drang om geestelijk volmaakt te worden weerspiegelt zich overal en geeft richting aan de evolutiedrang in alle dingen. Uiterlijke vormen veranderen voortdurend om vollediger de groei van innerlijke centra te weerspiegelen, die op hun beurt het voorbeeld van het goddelijke universele zelf volgen. Kortom, als het Zelf van een entiteit zich ontwikkelt, brengt het niet alleen de bijbehorende veranderingen teweeg in zijn uitingsvormen, maar beïnvloedt het tevens de vooruitgang van andere levens. Deze onderlinge verbanden zijn niet alleen van stoffelijke aard, zichtbaar en tastbaar; maar ze bestaan ook in werelden van zijn die we niet kunnen waarnemen. Onze verborgen gedachten en gevoelens bijvoorbeeld beïnvloeden de gedachten en gevoelens van anderen, en laten tegelijk hun indruk achter op de rijken onder ons zowel als boven ons. Op deze manier ontwikkelen alle scharen van wezens zich gezamenlijk, en dragen stuk voor stuk bij aan elkaar en aan de universele wording van het geheel.

Kunnen we ons de dramatische verandering van bewustzijn indenken die het voor een wezen in een bepaald rijk noodzakelijk maakt zich te manifesteren in het rijk daarboven? We kunnen ons wel voorstellen hoe groot de kloof is tussen het zelfbewustzijn van het dierenrijk en het rijk van de mens; maar hoe staat het met de levensgebieden boven de mens? De overleveringen van de mensheid spreken steeds van goddelijke wezens die in andere werelden leven, en stellig bestaan er dergelijke vergevorderde wezens, die aan hetzelfde patroon van innerlijke ontplooiing onderworpen zijn. Ieder van ons heeft de mogelijkheid door evolutie te worden ‘zoals de goden’ als onderdeel van het natuurlijke groeiproces van ons menselijke ego in de richting van zijn goddelijke ouder. Deze grote stap kan echter niet in een keer worden genomen want het verschil in bewustzijnsniveau tussen ons en de staat van de goden is nu te groot. We zijn nog niet eens volledig menselijk, zoals diegenen die universele daden verrichten en van eeuw tot eeuw verschijnen om opnieuw verlichting te brengen. Deze Groten zijn menselijk, evenals wij, maar zijn van het kaliber van een adept. Elke generatie heeft over hun bestaan gefluisterd en over het pad dat ze volgen. Hun prestaties kunnen de onze zijn als we ons eenmaal bewust worden van onze spirituele waardigheid.

Iets in onze eigen innerlijke natuur had in de universele beginperioden deel aan de schepping van werelden en vormen, want in een zeer wezenlijke betekenis zijn alle graden van stellair bestaan in de mens aanwezig. Als we onszelf leren kennen, bereiken we de eenwording met de goddelijke regionen van universeel bewustzijn. De heilige mysteriën van alle landen vormden de toegang tot deze innerlijke evolutie: het individuele ontwaken van het menselijk bewustzijn tot het kosmische Zelf.

‘Discipline gaat aan de mysteriën vooraf’: er waren en zijn veel vormen van discipline, afhankelijk van de individuele behoefte. Bij elk is het doel het overwinnen van de lagere karaktereigenschappen – hebzucht, gierigheid, begeerte, haat, afgunst, enzovoort – die de karmische draden zijn die de mens binden aan het wiel van het aardse bestaan, en het bewustzijn eerder beperken dan bevrijden. Het leven is de grote leermeester, en de eerste stap die we moeten zetten is te leren hoe we het dagelijks bestaan met spirituele waarden kunnen verrijken. Enkele van de noodzakelijke en begeerde eigenschappen zijn liefde voor allen, harmonie, geduld, onverschilligheid voor persoonlijke genoegens of pijn, en moed om de waarheid te volgen. Het consequent beoefenen van deze deugden verbreekt de ketenen die ons binden aan ons beperkte gebied van ervaring, en brengt de bewustzijnsverandering teweeg van het persoonlijke naar het universele. Dit is het ‘geheime’ pad dat, als het trouw wordt gevolgd, de mens verzoent met God, en de uiterlijke en de innerlijke mens verenigd. We ontdekken dan dat we al zijn wat we wilden worden.

Welke mysterieuze magie ontsteekt het vuur in ons om een serieus begin te maken met deze transformatie? Is dit ontwaken het resultaat van eonen van individueel evolutionair streven het doel te bereiken, of is het een uiting van het universele Zelf in zijn, voor ons, onbegrijpelijke wegen? Misschien is het, net als bij bliksem, een samenkomst in die zeldzame figuren van het lot, van leven-bewustzijn of kracht, neerdalend uit de hemel en opstijgend van de aarde, een symfonie van klank en licht, een ontmoeting van goden en mensen. Dit is de evolutionaire bestemming die ons allen wacht: net als bij vogels die na hun overwintering terugkeren, zijn er eerst maar enkele, maar met het verstrijken van de lange cyclussen nemen ze in aantal toe, een facet van het eeuwige wordingsproces van de natuur.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 1982

© 1982 Theosophical University Press Agency