Toen ik voor het eerst de boeddhistische geloofsbelijdenis las, de
‘Drie Juwelen’ genaamd, herkende ik daarin de zuivere grondslag
van mijn eigen geloof:
Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha;
Ik neem mijn toevlucht tot de Dharma;
Ik neem mijn toevlucht tot de Sangha.
Mijn ‘toevlucht’ was niet een uiterlijke schuilplaats of
bescherming, maar een innerlijk heiligdom, een gewijde plaats in mijzelf.
‘Boeddha’ was niet één enkel persoon, maar
een voorbeeld van wat al diegenen zijn die hun leven wijden aan de verbetering
van de menselijke omstandigheden. En ‘Dharma’ was niet een
bepaalde leer, maar een steeds groeiend besef dat alles in het leven
elk moment is doordrongen van de waarheid. Het meest van alles vond
ik mijn toevlucht in ‘Sangha’, de gedachte dat de mensheid
zich ontwikkelt tot een bewuste, onderling afhankelijke eenheid van
wederzijdse hulp.
Deze ‘juwelen’ bleven voor mij betrekkelijk onveranderd
tot ik ze hoorde uitleggen als morele verplichtingen: eerbied voor de
leraar, eerbied voor de leringen, en eerbied voor de broeders. Maar
deze vereenvoudigde interpretatie brengt de mensen er vaak toe te veel
nadruk te leggen op één van de drie, ten koste van de
andere twee.
Er zijn veel mensen van wie hun eerbied voor de leraar zo belangrijk
wordt dat ze hem vergoddelijken: sommigen proberen zich een beeld van
zijn gezicht te vormen, zijn stem te horen, hem daadwerkelijk voor zich
te hebben; anderen trachten te bereiken dat de leraar door hen spreekt
of handelt.
Dan zijn er die zich uitsluitend wijden aan de leringen. Zij worden
vaak dogmatisch en citeren hoofdstuk en vers ter ondersteuning van hun
starre interpretaties. Als de leringen een zekere oefening of ritueel
inhouden, kunnen deze tot louter ceremonieel worden, terwijl de ware
bedoeling wordt vergeten. Al wat dan overblijft is de uiterlijke vorm.
Tenslotte zijn er die geen bepaalde belangstelling hebben voor leraren
en leringen. Zij geloven eenvoudig in universele broederschap, de eenheid
van het leven. Zij bekommeren zich oprecht om anderen en streven voortdurend
naar verbondenheid door met anderen te delen.
Na dit alles te hebben overdacht, begon ik mezelf af te vragen: komt
de ware essentie van elke leraar niet tot uitdrukking in zijn leringen?
En wat is het doel van de leringen anders dan tot richtsnoer te dienen,
de weg te wijzen, de sleutels te verschaffen waarmee ieder van ons de
waarheid in zichzelf kan ontdekken en met anderen kan delen?
De Boeddha, of welke andere leraar ook, manifesteert zich in de Dharma,
de universele ideeën die de eenheid van het leven en de waardigheid
van de mensheid beschrijven. Ze zijn de toetsstenen waardoor ieder mens
de waarheid in zichzelf kan herkennen en anderen kan helpen hetzelfde
te doen. En zowel de Boeddha als de Dharma, de leraar en de leringen,
openbaren zich in volle omvang in onze oprechte bedachtzame zorg voor
elkaar.