In lang vervlogen tijden, toen kranten, radio, en televisie nog onbekend
waren en het leven eenvoudiger was, was de invloed van de verbeeldingskracht
groter en werden er in de gedachtewereld grondtonen aangeslagen die
altijd zijn blijven resoneren. Een aantal hiervan is bewaard gebleven
in de eeuwig-jonge allegorieën van vele volkeren die, onder het
mom van epische gedichten of zelfs historische overleveringen, onmiddellijk
iedereen aanspreken die ze hoort. De ouden wisten dat niet alleen kinderen
maar ook volwassen mannen en vrouwen altijd graag naar een boeiend verhaal
luisteren; het was daarom gebruikelijk dat barden en vertellers het
land rondreisden en door middel van liederen en verhalen vertelden over
de beproevingen en overwinningen van helden. Zo werd gebruikgemaakt
van het doeltreffende middel van suggestie om grote waarheden over te
brengen en werden serieuze leringen over leven en moraal in een levendige
en opneembare vorm gegoten.
Het motief dat aan dit soort legenden en vele nationale heldendichten,
hoe verschillend ook voorgesteld, ten grondslag lag, was steeds hetzelfde:
het verhaal van de pelgrimstocht van de mens, individueel en als ras,
op zoek naar ware verlichting. In een zeker stadium van intelligentie,
begint de ontwakende ziel, niet langer tevreden met de gewone genoegens
en ambities, te vermoeden en ten slotte te weten dat een hoger en edeler
leven voor hem openligt; hij is bereid de verzoekingen en beproevingen
te ondergaan die nodig zijn om hem voor te bereiden op de uiteindelijke
overwinning: de vereniging van de gezuiverde persoonlijkheid met zijn
innerlijke god, de Vader in de ‘hemel’ – waarbij over
de hemel wordt gesproken als zijnde in ons.
Het te bereiken doel werd op verschillende manieren gesymboliseerd:
het visioen van de Heilige Graal of het veroveren van een schat, zoals
het Gulden Vlies of de Gouden Appels van de Hesperiden; soms een huwelijk
met een godin of, zoals in het verhaal van Perseus en Andromeda, met
een prinses, na haar uit de greep van een zeemonster te hebben bevrijd.
In de Bhagavad Gita, een deel van het grote hindoe-heldendicht de Mahabharata,
strijdt Arjuna voor zijn rechtmatig erfdeel in een ‘wettige oorlog’.
Het bijbelverhaal van de Israëlieten, die zich uit de slavernij
bevrijdden en veertig jaar lang rondzwierven in de Sinaï woestijn,
op weg naar het Beloofde Land, is een duidelijke allegorie, evenals
de gelijkenis van de Verloren Zoon. Het verhaal van de beproevingen
en de uiteindelijke overwinning van Job, die weet dat zijn ‘verlosser
leeft’, is onmiskenbaar; het verhaal van Dante en Beatrice moet
hier ook onder worden gerekend.
In Ierland zien we hoe Bran op zoek is naar het mystieke land van vreugde
en vrede; en Art, de zoon van Conn, die zware beproevingen moet doorstaan
op zoek naar de Prinses van het Eiland der Wonderen. In Wales hebben
we Pwyll en Manawyddan en de reis van Koning Arthur naar Annwn, de Hades
van Wales, om de magische ketel te veroveren – een soort Heilige
Graal. Dankzij Wagner zijn de Germaanse legenden van Siegfried en Brünhilde
en andere nu algemeen bekend. De heilige mythe van Orpheus en Eurydice
is een duidelijke vertolking van het drama van de ziel. Maar onder de
oude en populaire verhalen is er niet één steeds zo beroemd
gebleven als dat van de zwerftochten van Odysseus zoals verteld door
Homerus.
Velen menen dat Odysseus symbolisch het ontwaakte denken van de mens
voorstelt, want na vele jaren strijd tegen wereldse zaken – weergegeven
door de Trojanen – probeert hij kennis over zichzelf te herwinnen.
Zijn trouwe vrouw Penelope, die de hogere natuur of de spirituele intuïtie
vertegenwoordigt, blijft tijdens het hele gedicht als een doordringende
invloed op de achtergrond. Terwijl Odysseus, als actief verstandelijk
beginsel, vecht tegen de obstakels en snel vordert, wacht Penelope thuis
geduldig op zijn terugkeer, gezeten aan haar weefgetouw en bezig met
het weven en uithalen van haar patronen. Odysseus wordt niet alleen
van zijn vrouw gescheiden, maar is ook een balling van zijn huis en
land; niet alleen moet hij voortdurend in actie komen, maar hij moet
voor zichzelf ook het ware pad vinden, dat hem naar huis zal leiden.
Bij het zoeken naar een verklaring van de Odyssee is het niet
nodig de volgorde van het gedicht aan te houden zoals Homerus dat arrangeerde
of zoals de Homerische legenden door anderen werden samengevoegd; het
is gemakkelijker en het geeft meer voldoening het eenvoudige verhaal
in zijn natuurlijke opeenvolging van gebeurtenissen na te gaan. Na het
slagveld van Troje te hebben verlaten, vaart Odysseus uit naar zijn
geboorte-eiland ‘het schone Ithaka’, in de verwachting het
snel te zullen bereiken; maar al snel drijft een storm de vloot uit
zijn koers en belet een hevig gevecht zijn voortgang. De vernietiging
van al zijn schepen op één na en het verlies van vele
zeelieden volgt kort daarop. Een van de vreemdste voorvallen in dit
inleidende deel is de ontmoeting met Polyphemus, de cyclopische reus
met één enkel oog in het midden van zijn voorhoofd. Voor
we deze figuur schouderophalend afdoen als een verwrongen verbeelding
van de vroegere mens, moeten we de mogelijkheid van een symbolische
betekenis in gedachten houden. Soortgelijke schepsels werden vermeld
door vele oude volkeren die ver van elkaar verwijderd leefden; mogelijk
wijst dit op een of andere gebeurtenis in de geschiedenis van de mens
die nu vergeten is.
Na aan dit eenogige monster te zijn ontkomen en na nog enkele andere
gevaarlijke avonturen, bereiken Odysseus en zijn reisgenoten spoedig
het eiland van de tovenares Circe, die duidelijk de bekoring van zinnelijke
vreugden vertegenwoordigt. Odysseus is onaangedaan door de grove verleidingen
waaraan zijn vrienden ten prooi vallen, die door de goden in varkens
worden veranderd; en zijn moed en ‘vertrouwen in de hemel’
overwinnen uiteindelijk de verleidster en dwingen haar hem te dienen.
Zij geeft de mannen hun menselijke vorm terug en vertelt Odysseus hoe
hij de weg naar de Onderwereld kan vinden.
De ingang tot de Hel of de Onderwereld, het ‘open graf’,
heeft in de oude allegorieën meer dan één betekenis
en komt in een of andere vorm steeds tevoorschijn in inwijdingsmythen;
Orpheus, Aeneas en vele anderen moesten de gevreesde ‘afdaling’
volbrengen. In de legende van Perseus en Andromeda vliegt de held, bijgestaan
door de goden, naar de afschuwelijke gebieden van koude en duisternis
en vernietigt de vreselijke Medusa voor hij de prinses van Ethiopië
uit de handen van het monster kan redden. Voor Odysseus is het gebeuren
een beproeving vol verschrikkingen. Circe heeft hem gewaarschuwd dat
hij, voor hij verder kan gaan, inlichtingen over de toekomst moet verkrijgen
van Tiresias, een eerbiedwaardige profeet, die bij de bewoners van Hades
leeft, hoewel hij zelf niet dood is. Van begin af aan is dit hele gebeuren
omringd door verschrikkelijke gevaren, en om veilig door de menigte
van wraakgierige schimmen te komen is de hoogste fysieke en morele moed
vereist. Zoals alle hoofdpersonen uit heldendichten over de ziel, moet
hij de Vallei van de Schaduw van de Dood oversteken: de schimmen trotseren,
de talmende overblijfselen van vroegere zonden en fouten; daarna moet
hij leren wat nodig is voor zijn verdere vooruitgang. Ten slotte, al
is hij tot het uiterste beproefd, keert hij ongeschonden terug.
Op dit punt gekomen verandert de toon van het gedicht; de luchtige
en opgewekte manier waarop Odysseus zijn avonturen heeft verteld, maakt
plaats voor diepe ernst, en de taferelen in Hades worden beschreven
met een intense levendigheid en veel realisme. Zijn deze schilderingen
feitelijk onthullingen van het leven na de dood? Na de onzuiverder regionen
te hebben verlaten, trekt Odysseus verder, ontmoet de strenge Minos,
de Rechter van de Doden, en krijgt zelfs een vluchtig kijkje in de hemelwereld
of de Elysese velden, waar de hogere en onsterfelijke delen van de mens
hun bestaan hebben tussen de incarnaties op aarde. Plato en Plutarchus
geven een waardevol inzicht in de Griekse leer over dit mysterieuze
onderwerp, die praktisch identiek blijkt te zijn met de Egyptische,
Indiase en andere oude opvattingen over de toestanden na de dood.
Na de wijze Tiresias te hebben gesproken, keert Odysseus ten slotte
terug naar Circe, die de gevaren schetst die hem nog te wachten staan
op zijn reis naar huis. Dan komt de gevaarlijke zeestraat tussen Scylla
en Charybdis en de subtiele verlokkingen van de Sirenen. In hun voortreffelijke
schoonheid bieden ze hem de voldoening aan om zich op kennis te kunnen
beroemen, en vertellen hem dat ze op de hoogte zijn van ‘Al wat
onder de stralende baan van de zon ligt’, en ze zingen met alle
bekoring van hemelse muziek:
Gezegend is de man die onze stem mag horen,
Het lied onderricht de ziel, bekoort het oor.
Kom naderbij! Uw ziel zal in vervoering opstijgen!
Kom naderbij! Leer nieuwe wijsheid van de wijzen.
Zal hij, na met succes de beproevingen van de Onderwereld te hebben
doorstaan, het slachtoffer worden van trots en onbezonnen zelfvertrouwen?
Omdat hij de overweldigende kracht van deze beproeving maar al te goed
kent, neemt de held iedere voorzorg, laat zich aan de mast vastbinden
en stopt de oren van zijn bemanning vol met was, als bescherming tegen
de gezangen van de Sirenen. Zij varen veilig door de Straat, maar raken
opnieuw in moeilijkheden als zijn manschappen, om hun gulzigheid te
bevredigen, Apollo’s heilige ossen doden en verslinden. Dit wekt
zo de toorn van de god dat hij een hevige storm op hen afstuurt om de
bemanning van Odysseus tot de laatste man te vernietigen, en de moedige
man blijft alleen achter met niets dan zijn eigen kracht en de gunst
van Athene, zijn gids.
In zijn wanhoop en eenzaamheid komt hij voor een nieuwe verleiding
te staan die hem bijna noodlottig wordt. Hij geeft zich zeven jaar lang
over aan de verleidingen van de lieflijke nimf Calypso op haar betoverde
Atlantische eiland. Calypso biedt hem zelfs ‘eeuwig leven, vrij
van ouderdom en lijden’. Maar met de hulp van Athene, de verpersoonlijking
van goddelijke wijsheid, weet hij de kracht te vinden om weerstand te
bieden.
Dit is een van de passages in de Odyssee, die het diepe inzicht
van de dichter onthult en de innerlijke kwaliteit van zijn onderricht.
Want hier wordt gewezen op de brede kloof die bestaat tussen een kunstmatige
verlenging van het leven van de persoonlijkheid met zijn zelfzuchtige
verlangens, en die echte onsterfelijkheid die het gevolg is van een
standvastige aspiratie en zelfbeheersing, die leiden tot vereniging
met zijn innerlijke god. Een dergelijke filosofie voedt de wortels van
ons wezen en herinnert ons aan de woorden van de Nazarener:
Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen,
zijn kruis op zich nemen en mij volgen.
Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie
zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden.
– Matteüs 16:24-5
Paulus, de wijze meester-bouwer, doelt, evenals de grote leraren uit
de oudheid, op hetzelfde beginsel als hij zegt veranderd te zijn ‘in
een oogwenk’. Dit is een cryptische uitdrukking om de spontane
werking aan te geven van de intuïtie, die het onderscheid ziet
tussen een edeler leven en de misleidingen van zinnelijke bevrediging.
Wanneer Odysseus zijn besluit neemt, wordt de onweerstaanbare kracht
van de Olympische goden in zijn voordeel aangewend. Calypso staakt haar
verlokkingen en verandert, evenals Circe, van een verleidster in een
hulp. Odysseus bouwt eigenhandig een nieuw schip en vertrekt vol vreugde
naar huis, een reis die echter nog niet zonder gevaar is. Bij zijn aankomst
ontdekt hij de afschuwelijke omstandigheden waarin zijn vrouw en zoon
zijn terechtgekomen door het schandelijke gedrag van haar bewonderaars,
en hij bemerkt al gauw dat zijn grootste strijd nog moet komen. Zijn
vrouw, Penelope, die het hoogtepunt van zijn streven vertegenwoordigt,
zijn doel, werpt zich niet onmiddellijk in zijn armen. Gehuld in lompen,
vermoeid en als een oude man vermomd, wordt hij niet gemakkelijk door
haar herkend, hoewel zijn bejaarde verzorgster en zijn trouwe hond hem
snel herkennen. Zelfs als Athene hem zijn jeugd teruggeeft en hij er
beter en waardiger uitziet dan ooit, moet hij zijn identiteit aan Penelope
bewijzen voor ze hem wil accepteren. Deze aarzeling van haar kant werpt
niet – zoals sommigen hebben gemeend – een smet op het verhaal;
het kon niet anders. Het is in overeenstemming met de traditie dat iemand
die de erkenning zoekt van het hogere zelf een duidelijk beroep moet
doen; hij moet zijn innerlijke god onvoorwaardelijk herkennen en aanroepen
vóór deze hem kan helpen. ‘Vraag en er zal je gegeven
worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan’
(Matteüs 7:7).
De grote kans komt voor Odysseus als hij ontdekt dat zijn paleis is
bezet en zijn vrouw is omringd door een groep minnaars, die allen proberen
haar te overtuigen dat hij werkelijk dood is en dat ze een tweede echtgenoot
uit hen moet kiezen. Hoe weerzinwekkend ze ook zijn, ze hebben geen
macht over Odysseus, maar hij moet ze vernietigen vóór
hij zijn rechtmatige plaats weer kan innemen. Ze vertegenwoordigen de
nog overgebleven resten van lagere begeerten die voorgoed moeten worden
verslagen om heer in eigen huis te kunnen zijn. Ten slotte is de strijd
gewonnen, zijn de kwade krachten vernietigd en toont Odysseus, kalm
en gezuiverd, zijn edele identiteit aan Penelope, die hem vreugdevol
ontvangt.
Vanuit een praktisch standpunt lijkt het tafereel van deze laatste
strijd en de methode die Odysseus aanwendt voor het uitdagen van de
minnaars misschien vreemd, maar in de mystieke symboliek, waarmee Homerus
klaarblijkelijk vertrouwd was, bestaat daarvoor een goede reden. De
strijd vindt plaats in een kleine ruimte, de beperkte ruimte van de
paleiszaal, maar toch hangt het succes van de held af van zijn machtige
boog – de boog die niemand anders kan hanteren – in plaats
van de meer logische wapens zoals zwaard of speer. De boog is het wapen
van Apollo, god van het licht, en de dag van Odysseus’ overwinning
is een heilige dag voor die godheid. In de hindoe-filosofie vertegenwoordigt
de boog, of in sommige gevallen de pijl, de mens zelf, die sterk genoeg
moet zijn om de spanning te doorstaan. In een van de Upanishads
wordt gezegd:
Na de boog, het grote wapen, ter hand te hebben genomen,
laat hem daarop de pijl plaatsen, gescherpt door toewijding. Dan,
na hem te hebben gespannen, met de gedachte gericht op Dat wat is,
tref het doel, O vriend – het Onvernietigbare. . . . Het moet
worden geraakt door een mens die niet gedachteloos is; en dan, als
de pijl één wordt met het doel, zal hij één
worden met Brahman. – Mundaka, 2:2:3-4
De Odyssee eindigt als de held die nu triomfeert als de rechtmatige
koning en leider, de enkele overgebleven rebellen onderwerpt, waarna,
zoals de dichter zegt, ‘de goedwillende volkeren wisten wie hun
wettige heer was.’ Zijn toekomstige bewind wordt aan de verbeelding
overgelaten, maar het is onwankelbaar in vrede en wijsheid, want na
de vijanden in zijn eigen huis te hebben verslagen, kan hij niet falen.