Waar we ook gaan, altijd staan we in het midden van ons gezichtsveld,
omgeven door een min of meer duidelijke horizon. Het menselijk stadium
is beslist niet de top van de Jacobsladder van het bestaan. Hoe zou
dat ook kunnen, aangezien we in onze stille momenten van overpeinzing
zo vaak de stem horen van iets hogers en weten dat we een ontmoeting
hadden met een subtiele wereld, waarin onze geest thuis is? En het valt
nauwelijks te betwijfelen dat er hogere vormen van leven bestaan als
we omhoog kijken naar de met sterren bezaaide hemel. Hoe komen die stralende
wezens aan de hemel, die in zo grote ordelijke verbondenheid op elkaar
inwerken, sterrenstelsels die als cellen in een reusachtig organisme
zijn gegroepeerd? Kunnen dit toevallige verzamelingen van kosmische
stof zijn, niet meer dan een mooi schouwspel zonder oorzaak of doel
waarvan wij de enige toeschouwers zijn, terwijl ze nauwkeurige en gelijkmatige
bewegingen te zien geven, echter zonder een organisator of een plan?
We bevinden ons op een kritiek punt van het evolutieproces, want als
intelligenties die een wil en het vermogen om te kiezen bezitten, beschikken
we in ons denken over een ontzaglijke macht. Vóór ons
splitst de weg zich herhaaldelijk en bij iedere stap kiezen we onze
toekomst als enkeling en als mensheid. Een daad die steeds wordt herhaald
vormt op den duur het karakter en maakt dat het in die omstandigheden
terechtkomt waarin we dat deel van het heelal dat we zelf zijn kunnen
corrigeren, verbeteren, ontwikkelen en uiteindelijk vervolmaken. Op
elk ogenblik staan we tussen twee polen die hun aantrekkingskracht op
ons uitoefenen, en richten we ons op het universele, onsterfelijke hart
van het leven om onze goddelijke bestemming te verwezenlijken, of in
het andere geval op een tijdelijke bevrediging van ons sterfelijk deel,
op aardse schatten die met de vorm verloren gaan. We zijn in deze menselijke
levensfase nog maar net begonnen met de taak onze eigen evolutie te
leiden. De lagere rijken hebben deze autonomie nog niet bereikt; en
de hogere uitingen van bewust bestaan, met een veel grotere vrijheid
en een veel groter werkterrein, zijn belichaamd in die majestueuze en
harmonieuze vormen en bewegingen die we wel kunnen waarnemen, maar niet
begrijpen.
We staan op een keerpunt, waar we plotseling (gemeten naar kosmische
maatstaven) het vermogen om te kiezen bezitten en met schrik ontdekken
dat we aansprakelijk zijn voor onze fouten. We kunnen onze koers overwegen
en bepalen in de levensschool, die een uitgebreid leerplan biedt. De
natuur levert het klaslokaal – in ons geval de aarde; ze voorziet
ons dagelijks van lessen – de omstandigheden van ons leven, die
een voor een ontstaan als gevolg van al onze vroegere keuzen sinds het
denkvermogen ontwaakte in de begintijd van deze bol. Onze medestudenten
helpen ons en wij helpen hen, we wisselen aantekeningen uit en zijn
elkaar wederzijds van dienst. Voor ons uit zijn er altijd leermeesters,
leraren, die een voorbeeld voor ons zijn van wat ons menselijk leven
kan zijn en eens zal worden. Dan zullen zij – de aan christusachtige
boeddhafiguren van ons ras – vrij zijn verder te gaan naar hogere
levenssferen.
De menselijke intelligentie is wel opgevat als een min of meer toevallig
bijproduct van de groei en ontwikkeling van de fysieke hersenen, omdat
menselijke wezens werden gezien als dierlichamen met ongewone mogelijkheden
en meer niet. Maar als hersenontwikkeling het gevolg is van
de behoefte van het groeiende denkvermogen om mee te werken aan een
beter instrument, wat het geval schijnt te zijn, dan zou dit een heel
ander aanzien geven aan het totaalbeeld van de wereld. Als de nietige
mens voor een deel intelligentie is – een onstoffelijke maar niettemin
heel reële kracht – dan kan het alomvattende heelal daarvan
niet verstoken zijn. En als dit voor het denkvermogen geldt, waarom
dan niet voor de geest, waarom zouden er geen oneindige verten, onvoorstelbare
godheden zijn?
Terwijl de wetenschap van de psychologie begonnen is de fijnere elementen
van de menselijke natuur te peilen en aanwijzingen te ontdekken voor
een spirituele factor in de mens, zijn er sommige technische beoefenaars
van die wetenschap die elk reclamemiddel gebruiken om persoonlijke populariteit
te verwerven, door menselijke zwakheden te voeden en pleitbezorgers
te zijn voor een mensonwaardig gedrag. Ook de wereld van het amusement
speculeert op hedonistische en verdeeldheid zaaiende neigingen van de
dierlijke natuur in de mens, ten koste van het menselijke. Dit is voornamelijk
te wijten aan het wijdverbreide geloof dat de menselijke natuur zijn
dierlijke neigingen en begeerten is. Maar ieder die enige aandacht heeft
geschonken aan zijn eigen innerlijke wijsheid, moet zich ongelukkig
voelen door de nadruk die wordt gelegd op alles wat onwaardig is op
deze en andere gebieden van algemene belangstelling.
Het is natuurlijk waar dat het mensenrijk bepaalde trekken gemeen heeft
met het dierenrijk; wij hebben ook plantaardige en minerale elementen
in ons en dat is ook met de dieren het geval. Elk rijk of elke levensgolf
heeft als automatische functies die karaktertrekken behouden die ze
vroeger vervolmaakten, toen ze in lagere rijken waren belichaamd, terwijl
ieder bezig is nieuwe eigenschappen te ontwikkelen die bij de huidige
toestand behoren. Als mensen zijn we er ons terdege van bewust dat ons
denkvermogen zich ontwikkelt, dat we leren en innerlijk in begrip groeien.
Alleen de mensheid op onze bol is in staat zijn vooruitgang bewust te
leiden, omdat alleen zij bewustzijn van zichzelf bezit en daarom van
haar fouten kan leren. We zijn nog steeds bezig bepaalde, echt menselijke
eigenschappen tot activiteit te brengen en die mettertijd te vervolmaken,
eigenschappen die de dieren, zelfs de meest intelligente, niet hebben
en in hun huidige stadium niet kunnen verwerven. Deze eigenschappen
zijn niet fysiek. De specialisaties die het dierenrijk zo oneindig gevarieerd
maken, zijn ontwikkelingen die de menselijke soort niet nodig heeft,
maar die de dierenwereld de mogelijkheid bieden de levenskracht tot
uitdrukking te brengen. We hoeven niet te vliegen zoals vleermuizen,
of de kleur van de achtergrond aan te nemen zoals kameleons. Onze bouw
is bijna uniform en zonder veel lichamelijke verschillen. Dat komt omdat
we andere wegen hebben om uitdrukking te geven aan onze creativiteit,
en de natuurlijke drang de mogelijkheden te ontwikkelen van een oneindig
veel uitgebreider bewustzijn.
De kloof tussen mens en dier is veel groter dan in het verleden werd
aangenomen door antropologen, die hun waarnemingen beperkten tot lichamelijke
vaardigheden, zoals het vermogen om werktuigen te bedenken en te gebruiken
– kortom tot de technologie. Toch is dat het minst belangrijke
teken van onze voorsprong op het dierenstadium. Van veel groter belang
zijn de zuiver menselijke eigenschappen: het vermogen tot abstract denken,
om beginselen te begrijpen en morele waarden te beoordelen. Wat ons
het allermeest onderscheidt van de dieren is het zelfbewustzijn, want
daarin ligt de sleutel tot voortgaande, weloverwogen, doelbewuste groei.
Hiertoe behoren ons plichtsbesef en verantwoordelijkheidsgevoel; begrip
voor anderen, het zichzelf in de plaats kunnen stellen van een ander;
verbeeldingskracht, het wonder abstracties te kunnen begrijpen en informatie
door te geven; esthetisch gevoel; het vermogen te inspireren en geïnspireerd
te worden door middel van kunst, het gesproken of geschreven woord –
dit zijn onder andere de eigenschappen van ons mensengeslacht waarvan
de waarde blijvend is en die met het verstrijken van de tijd toenemen.
We vergaren nu nog steeds schatten van hart en ziel die mensen van lang
geleden in verrukking brachten en we zijn in staat ons een toekomstige
wereld voor te stellen.
We zijn inderdaad bezig onze erfenis voor de toekomst voor te bereiden
en zullen als het zover is worden geholpen of gehinderd door een omgeving
waarvan we het denk- en gewoonteklimaat nu scheppen. Er is geen reden
waarom we door de gangbare normen ons gedrag zouden laten dicteren en
ons onderscheidingsvermogen laten aftakelen. Het staat ons vrij onze
waarden te kiezen en het is onze menselijke plicht dit te doen. Als
we onszelf en onze omstandigheden beter beheersen, zal dit plichtsgevoel
toenemen met ons begrip – niet door dwang van een macht buiten
ons, maar door het natuurlijke toenemende begrip van onszelf. We zijn
geen dom, opgejaagd vee. We zijn menselijke wezens die heersen over
komende eeuwigheden. We maken een keuze bij iedere stap, telkens als
de weg voor ons zich weer splitst – tussen het toegeven aan persoonlijke
verlangens en wedijver aan de ene kant, en de ingevingen van de ziel
die ons met stille stem aanzet tot onbaatzuchtigheid en universaliteit
aan de andere kant. Geen acht slaan op deze innerlijke vermaner is onverstandig;
hij is de vrucht van talloze eeuwen van ervaring en gedragen leed. Voor
degene die zijn influisteringen ter harte neemt, krijgt de wereld een
ander gezicht, en geleidelijk raakt hij meer afgestemd op de werkelijkheid
ervan. Velen zijn op zoek naar dit innerlijke pad, sommigen hopen te
winnen zonder te willen geven, niet beseffend dat het pad altruïsme
is. Anderen, zelfs al bekommeren ze zich er niet om of ze het zullen
vinden, zijn al flink op weg, eenvoudig door te leven voor anderen en
zichzelf te vergeten. Onze gecombineerde kwaliteit is die van de mensheid
als geheel, zodat de invloed die elk van ons uitoefent, zelfs in onze
eigen kleine wereld, essentieel is. Als een voldoende aantal mensen
een leven zou leiden van doelgerichte zelfbeheersing en onbaatzuchtige
zorg voor de wereld, dan zou dat een geweldige stimulans betekenen voor
de voorwaartse kracht van de mensheid.