Tweesprongen
Elsa-Brita Titchenell

 

Waar we ook gaan, altijd staan we in het midden van ons gezichtsveld, omgeven door een min of meer duidelijke horizon. Het menselijk stadium is beslist niet de top van de Jacobsladder van het bestaan. Hoe zou dat ook kunnen, aangezien we in onze stille momenten van overpeinzing zo vaak de stem horen van iets hogers en weten dat we een ontmoeting hadden met een subtiele wereld, waarin onze geest thuis is? En het valt nauwelijks te betwijfelen dat er hogere vormen van leven bestaan als we omhoog kijken naar de met sterren bezaaide hemel. Hoe komen die stralende wezens aan de hemel, die in zo grote ordelijke verbondenheid op elkaar inwerken, sterrenstelsels die als cellen in een reusachtig organisme zijn gegroepeerd? Kunnen dit toevallige verzamelingen van kosmische stof zijn, niet meer dan een mooi schouwspel zonder oorzaak of doel waarvan wij de enige toeschouwers zijn, terwijl ze nauwkeurige en gelijkmatige bewegingen te zien geven, echter zonder een organisator of een plan?

We bevinden ons op een kritiek punt van het evolutieproces, want als intelligenties die een wil en het vermogen om te kiezen bezitten, beschikken we in ons denken over een ontzaglijke macht. Vóór ons splitst de weg zich herhaaldelijk en bij iedere stap kiezen we onze toekomst als enkeling en als mensheid. Een daad die steeds wordt herhaald vormt op den duur het karakter en maakt dat het in die omstandigheden terechtkomt waarin we dat deel van het heelal dat we zelf zijn kunnen corrigeren, verbeteren, ontwikkelen en uiteindelijk vervolmaken. Op elk ogenblik staan we tussen twee polen die hun aantrekkingskracht op ons uitoefenen, en richten we ons op het universele, onsterfelijke hart van het leven om onze goddelijke bestemming te verwezenlijken, of in het andere geval op een tijdelijke bevrediging van ons sterfelijk deel, op aardse schatten die met de vorm verloren gaan. We zijn in deze menselijke levensfase nog maar net begonnen met de taak onze eigen evolutie te leiden. De lagere rijken hebben deze autonomie nog niet bereikt; en de hogere uitingen van bewust bestaan, met een veel grotere vrijheid en een veel groter werkterrein, zijn belichaamd in die majestueuze en harmonieuze vormen en bewegingen die we wel kunnen waarnemen, maar niet begrijpen.

We staan op een keerpunt, waar we plotseling (gemeten naar kosmische maatstaven) het vermogen om te kiezen bezitten en met schrik ontdekken dat we aansprakelijk zijn voor onze fouten. We kunnen onze koers overwegen en bepalen in de levensschool, die een uitgebreid leerplan biedt. De natuur levert het klaslokaal – in ons geval de aarde; ze voorziet ons dagelijks van lessen – de omstandigheden van ons leven, die een voor een ontstaan als gevolg van al onze vroegere keuzen sinds het denkvermogen ontwaakte in de begintijd van deze bol. Onze medestudenten helpen ons en wij helpen hen, we wisselen aantekeningen uit en zijn elkaar wederzijds van dienst. Voor ons uit zijn er altijd leermeesters, leraren, die een voorbeeld voor ons zijn van wat ons menselijk leven kan zijn en eens zal worden. Dan zullen zij – de aan christusachtige boeddhafiguren van ons ras – vrij zijn verder te gaan naar hogere levenssferen.

De menselijke intelligentie is wel opgevat als een min of meer toevallig bijproduct van de groei en ontwikkeling van de fysieke hersenen, omdat menselijke wezens werden gezien als dierlichamen met ongewone mogelijkheden en meer niet. Maar als hersenontwikkeling het gevolg is van de behoefte van het groeiende denkvermogen om mee te werken aan een beter instrument, wat het geval schijnt te zijn, dan zou dit een heel ander aanzien geven aan het totaalbeeld van de wereld. Als de nietige mens voor een deel intelligentie is – een onstoffelijke maar niettemin heel reële kracht – dan kan het alomvattende heelal daarvan niet verstoken zijn. En als dit voor het denkvermogen geldt, waarom dan niet voor de geest, waarom zouden er geen oneindige verten, onvoorstelbare godheden zijn?

Terwijl de wetenschap van de psychologie begonnen is de fijnere elementen van de menselijke natuur te peilen en aanwijzingen te ontdekken voor een spirituele factor in de mens, zijn er sommige technische beoefenaars van die wetenschap die elk reclamemiddel gebruiken om persoonlijke populariteit te verwerven, door menselijke zwakheden te voeden en pleitbezorgers te zijn voor een mensonwaardig gedrag. Ook de wereld van het amusement speculeert op hedonistische en verdeeldheid zaaiende neigingen van de dierlijke natuur in de mens, ten koste van het menselijke. Dit is voornamelijk te wijten aan het wijdverbreide geloof dat de menselijke natuur zijn dierlijke neigingen en begeerten is. Maar ieder die enige aandacht heeft geschonken aan zijn eigen innerlijke wijsheid, moet zich ongelukkig voelen door de nadruk die wordt gelegd op alles wat onwaardig is op deze en andere gebieden van algemene belangstelling.

Het is natuurlijk waar dat het mensenrijk bepaalde trekken gemeen heeft met het dierenrijk; wij hebben ook plantaardige en minerale elementen in ons en dat is ook met de dieren het geval. Elk rijk of elke levensgolf heeft als automatische functies die karaktertrekken behouden die ze vroeger vervolmaakten, toen ze in lagere rijken waren belichaamd, terwijl ieder bezig is nieuwe eigenschappen te ontwikkelen die bij de huidige toestand behoren. Als mensen zijn we er ons terdege van bewust dat ons denkvermogen zich ontwikkelt, dat we leren en innerlijk in begrip groeien. Alleen de mensheid op onze bol is in staat zijn vooruitgang bewust te leiden, omdat alleen zij bewustzijn van zichzelf bezit en daarom van haar fouten kan leren. We zijn nog steeds bezig bepaalde, echt menselijke eigenschappen tot activiteit te brengen en die mettertijd te vervolmaken, eigenschappen die de dieren, zelfs de meest intelligente, niet hebben en in hun huidige stadium niet kunnen verwerven. Deze eigenschappen zijn niet fysiek. De specialisaties die het dierenrijk zo oneindig gevarieerd maken, zijn ontwikkelingen die de menselijke soort niet nodig heeft, maar die de dierenwereld de mogelijkheid bieden de levenskracht tot uitdrukking te brengen. We hoeven niet te vliegen zoals vleermuizen, of de kleur van de achtergrond aan te nemen zoals kameleons. Onze bouw is bijna uniform en zonder veel lichamelijke verschillen. Dat komt omdat we andere wegen hebben om uitdrukking te geven aan onze creativiteit, en de natuurlijke drang de mogelijkheden te ontwikkelen van een oneindig veel uitgebreider bewustzijn.

De kloof tussen mens en dier is veel groter dan in het verleden werd aangenomen door antropologen, die hun waarnemingen beperkten tot lichamelijke vaardigheden, zoals het vermogen om werktuigen te bedenken en te gebruiken – kortom tot de technologie. Toch is dat het minst belangrijke teken van onze voorsprong op het dierenstadium. Van veel groter belang zijn de zuiver menselijke eigenschappen: het vermogen tot abstract denken, om beginselen te begrijpen en morele waarden te beoordelen. Wat ons het allermeest onderscheidt van de dieren is het zelfbewustzijn, want daarin ligt de sleutel tot voortgaande, weloverwogen, doelbewuste groei. Hiertoe behoren ons plichtsbesef en verantwoordelijkheidsgevoel; begrip voor anderen, het zichzelf in de plaats kunnen stellen van een ander; verbeeldingskracht, het wonder abstracties te kunnen begrijpen en informatie door te geven; esthetisch gevoel; het vermogen te inspireren en geïnspireerd te worden door middel van kunst, het gesproken of geschreven woord – dit zijn onder andere de eigenschappen van ons mensengeslacht waarvan de waarde blijvend is en die met het verstrijken van de tijd toenemen. We vergaren nu nog steeds schatten van hart en ziel die mensen van lang geleden in verrukking brachten en we zijn in staat ons een toekomstige wereld voor te stellen.

We zijn inderdaad bezig onze erfenis voor de toekomst voor te bereiden en zullen als het zover is worden geholpen of gehinderd door een omgeving waarvan we het denk- en gewoonteklimaat nu scheppen. Er is geen reden waarom we door de gangbare normen ons gedrag zouden laten dicteren en ons onderscheidingsvermogen laten aftakelen. Het staat ons vrij onze waarden te kiezen en het is onze menselijke plicht dit te doen. Als we onszelf en onze omstandigheden beter beheersen, zal dit plichtsgevoel toenemen met ons begrip – niet door dwang van een macht buiten ons, maar door het natuurlijke toenemende begrip van onszelf. We zijn geen dom, opgejaagd vee. We zijn menselijke wezens die heersen over komende eeuwigheden. We maken een keuze bij iedere stap, telkens als de weg voor ons zich weer splitst – tussen het toegeven aan persoonlijke verlangens en wedijver aan de ene kant, en de ingevingen van de ziel die ons met stille stem aanzet tot onbaatzuchtigheid en universaliteit aan de andere kant. Geen acht slaan op deze innerlijke vermaner is onverstandig; hij is de vrucht van talloze eeuwen van ervaring en gedragen leed. Voor degene die zijn influisteringen ter harte neemt, krijgt de wereld een ander gezicht, en geleidelijk raakt hij meer afgestemd op de werkelijkheid ervan. Velen zijn op zoek naar dit innerlijke pad, sommigen hopen te winnen zonder te willen geven, niet beseffend dat het pad altruïsme is. Anderen, zelfs al bekommeren ze zich er niet om of ze het zullen vinden, zijn al flink op weg, eenvoudig door te leven voor anderen en zichzelf te vergeten. Onze gecombineerde kwaliteit is die van de mensheid als geheel, zodat de invloed die elk van ons uitoefent, zelfs in onze eigen kleine wereld, essentieel is. Als een voldoende aantal mensen een leven zou leiden van doelgerichte zelfbeheersing en onbaatzuchtige zorg voor de wereld, dan zou dat een geweldige stimulans betekenen voor de voorwaartse kracht van de mensheid.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 1982

© 1982 Theosophical University Press Agency