Op weg naar menselijke volmaking
I.M. Oderberg

 

Er komt een tijd in de lange geschiedenis van de mensheid dat een mens zich bewust wordt van de aanwezigheid van de ziel en wat dat met zich brengt. Vanaf dat ogenblik wordt het hele leven een school voor de ontplooiing van latente eigenschappen, voor de veredeling van het karakter, wat leidt tot de uiteindelijke volmaking van het ware menselijke wezen. Zo iemand doet zich kennen als een stralende figuur, wiens aanwezigheid alleen al hen die gereed zijn kan doen ontvlammen, zoals de vlam van een lucifer de tondel ontsteekt. Millennia geleden waren er scholen en instellingen voor het scheppen van die omstandigheden die een mens in staat stelden zijn hogere vermogens één te doen worden met de uiterlijke persoon. Iets langer dan 2000 jaar geleden waren die scholen bekend onder de naam gnostisch of een equivalent in andere talen. Gnosis (wijsheidkennis) werd gezien als het pad dat voert naar kennis en begrip van de mens, zijn aanwezigheid op de aarde en zijn bestemming.

Sinds de ontdekking in 1945 in Egypte van gnostische papyrushandschriften, nu bekend als de Nag Hammadi Bibliotheek, genoemd naar de plaats waar ze werden gevonden, is de belangstelling voor de gnostische gemeenschappen enorm toegenomen. Tot dat moment was de kennis die men ervan had beperkt gebleven tot propaganda van tegenstanders binnen de kerk. Deze boeken, die nu beschikbaar zijn in vertaling, vervolledigen het beeld dat vaag is geschilderd door enkele losse teksten, zoals de Pistis Sophia, die in de afgelopen 100-150 jaar zijn gevonden.

De geschriften waarover we nu beschikken, wekken alle de indruk dat de gnostische christenen de vroegste teksten van hun religie symbolisch opvatten. Zij geloofden dat deze geschriften niet waren bedoeld om letterlijk te worden genomen, omdat ze een innerlijke en wel zeer diepe betekenis hadden. Voor de overtuigde gnosticus waren deze teksten ‘handleidingen’ voor de ontplooiing van de ware mens, zoals die schuilgaat achter de psycho-fysieke omhulsels die wij voor ons werkelijke zelf houden. Het gnosticisme moet echter niet beperkt worden tot het christendom, of enige andere sekte, want in velerlei vormen schonk het het harteleven aan vele andere religies in het Nabije en Verre Oosten, evenals aan onze westerse beschaving in haar eerste dagen.

De gnostische christenen beschouwden hun gnosis meer als een middel om het doel van spirituele verlichting te bereiken dan als een stelsel van leringen of een zaak van blind geloof. Uit de teksten komt duidelijk naar voren dat hun doel is het bereiken van epifanie of het ‘verschijnen’ van de god in ieder mens. Een geliefde schrijver onder de gnostici was Paulus, en ze deelden de menselijke constitutie in net als hij: lichaam (soma); ziel (psuche); en geest (pneuma). Ze beschouwden de zelfbewuste bevrijding van het goddelijke, dat gevangen is binnen de persoonlijke mens, als het hoogtepunt van menselijke ervaring.

De gnostici zagen het heelal als een tweepolig veld van activiteit: de aeonen of goddelijk/spirituele essenties aan de ene kant en archonten of half-stoffelijke entiteiten aan de andere. Deze dualiteit echter, die door zoveel stelsels uit vroegere tijden werd erkend, is door latere generaties van gnostici verkeerd uitgelegd als een oorlog tussen het goddelijke en de stof. Het omgekeerde is evenwel het geval. Hoe beter we onszelf begrijpen, hoe beter we onze eenheid zien met de totaliteit van het leven; dat wil zeggen, dat de spirituele en de stoffelijke aspecten van de realiteit alleen schijnbaar ongelijksoortig, een dualiteit zijn. In werkelijkheid zijn ze de positieve en negatieve polen van één en dezelfde levengevende energie. De materiële wereld is niet per se slecht; ze is het spiegelbeeld van de goddelijke wereld. De opvatting dat de stof de geest aantrekt of verleidt om zich met haar te verenigen en hem bijna als een gevangene vasthoudt, is een later misverstand. In de vroegste gnostische leringen was het de verantwoordelijkheid van de geest de stof te doordringen en op te heffen door de eigenschappen daarvan te veredelen.

Op overeenkomstige wijze heeft de aeon in het hart van ieder mens de taak op zich genomen om het vergankelijke ego en zijn persoonlijkheid te veredelen tot een bewustzijn dat aan het zijne gelijk is. Er zijn evenveel aeonen als er hiërarchieën of families van wezens zijn binnen de ‘wereld zonder einde’ – om de kerkelijke term in de gnostische betekenis te gebruiken. Het gnostische groeipatroon toont een opeenvolging van emanaties, eerst vanuit de oorspronkelijke goddelijke essentie. De geboorte van de goddelijke ‘vonk’ heeft geen betrekking op een bepaald wezen, maar op de centrale stuwende kracht in het hart van iedere entiteit, van atoom tot heelal.

Mythische voorstellingen die vanuit de oudheid tot ons zijn gekomen, kunnen op vele manieren worden uitgelegd, maar een van de voornaamste omschrijvingen behelst de ontwikkelingsgang van een niet-zelfbewust bestaan tot de volledige ontplooiing van de waarachtige menselijke kwaliteiten die grenzen aan het goddelijke. De vele gnostische scholen waren er veeleer op uit kennis bij te brengen dan alleen maar een aanvaarden of geloven te verlangen, en ze onderwezen dat de eerste plaats toekwam aan de spirituele natuur van de kosmos en van de mens. Het vroege gnosticisme zag de wereld als bezield en ieder deel ervan gelijkelijk begiftigd.

Wat heeft het voor zin te spreken over de mogelijkheid van de mens om volmaakt te worden? In een waardevolle monografie, getiteld ‘Perfectibility of Man’, geeft professor John Passmore aan, dat ‘de mens in zoverre volmaakbaar is dat hij in staat is elke soort disharmonie of elk conflict in zijn ziel te overwinnen.’* Zou het niet beter zijn het gebeuren eerder te zien als een omzetting dan als een overwinning, of misschien als een ‘klimaatverandering’, zodat de eigenschappen van de ziel gezuiverd en als nieuw geworden zijn, net als de kleding van de toneelspelers in De Storm van Shakespeare? Het is duidelijk dat een mens meer dan één leven nodig heeft om volmaakt te worden.

*The Dictionary of the History of Ideas, dl. 3, blz. 463. Dr. Passmore is vroeger professor in de filosofie geweest aan de Australian National University, Institute of Advanced Studies, Canberra.

Er is een veel nauwere relatie tussen menselijke wezens en de goddelijke intelligenties die het heelal doordringen dan de zuiver formele godsdiensten leren. De wereld en al wat we om ons heen zien kwam tot aanzijn als het gevolg van het feit dat het goddelijke zich manifesteerde als geest, als intelligentie, als het Woord of de Logos. Dat gebeurde ook bij de mens die een miniatuur heelal is, en bij alle andere levende wezens, van groot tot oneindig klein.

De mens, die binnen zijn uiterlijke persoonlijkheid zowel ziel als geest huisvest, is bezig zich geleidelijk te vergeestelijken door de positieve en negatieve dingen van het dagelijks leven, die hij zelf op gang heeft gebracht. De geest (pneuma) wacht tot de ziel zich zo heeft gezuiverd en veranderd, tot ze gelijk is aan haar ouder, die zelf weer het voertuig is van een goddelijke vonk die haar oorsprong heeft buiten de stoffelijke wereld. Evenals de grote kosmos (macrokosmos) is ook de mens als microkosmos ‘besloten binnen zeven sferen’. Sommige commentatoren hebben dit vergeleken met de rokken van een ui, wat neerkomt op een scheiding tussen de zeven zojuist aangeduide componenten, terwijl er in werkelijkheid sprake is van een wederzijdse doordringing van energie of bewustzijn op alle gebieden. De vroege gnostici leerden dat de mens zich bewust moet worden van zijn goddelijke oorsprong en ernaar moet streven zijn uiterlijk zelf te laten resoneren met zijn innerlijk. Wie daarin slaagt is de ware held van de mythische cyclussen.

Gnostische openbaring hield in dat er een beroep werd gedaan, dat wil zeggen dat er een oproep uitging van een ‘boodschapper uit de wereld van het Licht’, terwijl de kerk de openbaring beschouwde als een onthulling vanuit een goddelijke bron die zonder vragen of uitleggingen aanvaard moest worden. Het idee van een boodschapper uit het rijk van het Licht leidt tot interessante conclusies. In de oude Perzische (Iraanse) vorm van het gnosticisme is deze boodschapper of verlosser innerlijk identiek met de entiteiten op wie hij een beroep doet – de verloren delen van hemzelf. Want, evenals Padmapani in de hindoe-traditie, en kabbalistische sefiroth wiens ‘verstrooide’ elementen samenkomen in een tikkum of ‘inzameling’, heeft ook hij zich aan allen en alles gegeven. Dit klinkt als een hoge, spirituele inwijding, wanneer een entiteit vanuit een bron die buiten ons kenvermogen valt een straal van zichzelf uitzendt naar ons gebied dat stoffelijker is dan dat van hemzelf; en ook wanneer het menselijke ego afdaalt naar een gebied dat ‘lager’ ligt dan het onze.

Het hele levensproces – onderdompeling in de aardse ervaringen gevolgd door het inzamelen van de verstrooide goddelijke essenties – vindt zijn hoogtepunt in de volmaking voor die cyclus, wat leidt tot een rustperiode, zoals het in India geheten pralaya. Dit is echter niet het einde, want er volgt later weer een ‘uitademing’ van goddelijke essenties om een nieuwe kosmos tot manifestatie te brengen, die steeds meer van zijn latente eigenschappen tot uitdrukking brengt, die hun tijd hebben afgewacht om uit de latente toestand werkelijkheid te worden.

Er kan geen eind komen aan het proces in dit oneindige Heelal van heelallen. We moeten in onszelf zoeken om het goddelijke element te vinden, en niet ronddolen en alleen buiten onszelf zien. De lange onderzoekingstocht naar dit centrum van ons wezen is de enige weg die we kunnen gaan naar de volmaking van de mens. Wanneer het doel zal zijn bereikt, zullen we waarschijnlijk ontdekken dat er meer toppen te beklimmen zijn, want de mensheid is niet het hoogtepunt van alle bestaansvormen, maar slechts een etappe van de weg.

 

Bibliografie

  • Grant, Robert, ‘Gnosticism’, monografie in The Dictionary of the History of Ideas, deel 2; Charles Scribner’s Sons, New York, 1972.
  • Haardt, Robert, Gnosis: Character and Testimony, An Anthology of Texts, E.J. Brill, Leiden, 1971.
  • Jonas, Hans, ‘Gnosticism’, een uitgebreid artikel in The Encyclopedia of Philosophy, deel 3, blz. 336-342; Macmillan, New York, uitg. 1972.
  • Pagels, Elaine, The Gnostic Gospels, Random House, New York, 1979; ook haar The Gnostic Paul, Fortress Press, 1975, en The Johannine Gospel in Gnostic Exegesis – Heracleon’s Commentary on John, Abingdon Press, 1973.
  • Robinson, James M., uitg., The Nag Hammadi Library in English Translation, Harper and Row, New York, 1977; besproken in Sunrise, aug/sep en okt. 1978.
 
Andere artikelen over gnosticisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 1982

© 1982 Theosophical University Press Agency