Het Theosofisch Genootschap

Is het leven rechtvaardig?

Grace F. Knoche

Er zijn in deze tijd miljoenen mensen die gebukt gaan onder persoonlijk verdriet en die zich afvragen waarom hun ene kind met een beperking wordt geboren en gedoemd is vroeg te sterven, terwijl zijn broertjes en zusjes niets mankeren en over alle toekomstmogelijkheden beschikken. Waar is de rechtvaardigheid en barmhartigheid in een heelal dat zou worden bestuurd door een alles liefhebbende God? Voor gekwelde ouders is het maar een schrale troost als ze te horen krijgen dat het de wil van God of Allah is, of het uitwerken van oud karma. Ook al is dit ten dele waar vanuit het standpunt van onze innerlijke god, de oorzaak en de genezing van het lijden zijn een diep mysterie en zullen dat blijven totdat we, achter de woorden van alle leringen die de mensheid vanaf Boeddha’s tijd tot op de huidige dag ontving, met ieder atoom van ons wezen het mededogen voelen van het goddelijk doel achter alles wat er gebeurt.

Vorige week ontvingen we van een van onze lezers een brief waarin deze passage voorkwam:

Ergens uit een van de nummers pikte ik een denkbeeld op dat me niet bepaald bevalt. Misschien is mijn uitleg verkeerd, maar ik geloof dat de gedachte was dat we een of andere aangeboren afwijking kunnen zien als een straf voor een verkeerde daad in een vorige incarnatie. Die stelling komt op mij over als hoogst onrechtvaardig. Een mens kan niets weten over zijn vorige leven, en wat voor zin heeft een straf als de gestrafte niet eens weet dat hij of zij op de een of andere manier een verkeerde daad heeft begaan? Ik ben ten volle ervan overtuigd dat de natuur (wat dat ook mag zijn) noch wreed noch vriendelijk is, maar alleen onverschillig. En ik rangschik aangeboren afwijkingen in de categorie van gevolgen van die onverschilligheid.

De vraag wat voor zin het heeft om iemand in dit leven te straffen wanneer hij niet weet wat hij in een vorig leven verkeerd heeft gedaan, is moeilijk te beantwoorden. Ze roept ook een tweede vraag op: ‘Waarom herinneren we ons onze vorige levens niet?’ Het lijkt eenvoudiger als we dat wel deden, want als we wisten waar we over de schreef zijn gegaan, zouden we ons niet zo hevig verzetten tegen het onder ogen zien van de consequenties. Ook zouden we dan kunnen zien waar we verbeteringen moeten aanbrengen. Gelukkig is de natuur – waarmee we het heelal in zijn totaliteit bedoelen, als een levend wezen, een organisme – wijzer en meedogender dan wij. Stel dat we ons wel ten volle bewust waren van ons verleden, dan zou ons leven ondraaglijk worden: voortlevende herinneringen aan dwaasheden en wandaden zouden een enorme schaduw kunnen werpen, terwijl de herinnering aan onze successen ons lui en zelfvoldaan zou kunnen maken. Erger nog: een terugblik op de zwakheden en sterke punten van onze vroegere familie, vrienden en bekenden zou een rampzalig effect kunnen hebben op onze huidige relatie met hen.

Toch herinneren we ons ons verleden wél, want we zijn dat verleden zelf: we zijn het karma, het resultaat van onze eonenlange ervaring dat zich nu ontplooit. Toegegeven, onze fysieke hersenen, die opnieuw zijn gevormd voor dit leven, kunnen zich er weinig van herinneren, maar dat is niet ons hele wezen. De Vedanta-leer over sutratman – van het Sanskrietwoord sutra, ‘draad’, en atman, ‘zelf’ – is hier relevant: de reeks persoonlijkheden die we van leven tot leven aannemen zijn aan een ‘draad-zelf’ geregen als kralen aan een koord. Hoewel de kralen, ofwel persoonlijkheden, zich slechts ten dele bewust zijn van het stralende zelf dat hen met elkaar verbindt en waaruit ze hun levenskracht putten, bewaart ons individuele atmische zelf, of de sutratman, wél de herinnering aan de ervaringen van zijn persoonlijkheden en plukt daarvan de vruchten. Iets van het aroma van bewustheid dat op iedere nieuwe persoonlijkheid wordt overgedragen, kan intuïtief worden ervaren op momenten van innerlijke vrede.

De oude leer dat de levensgeschiedenis van onszelf een onuitwisbare indruk achterlaat op ons karakter, ons essentiële zelf, komt in allerlei vormen voor in praktisch iedere beschaving. Plato schrijft erover in zijn ‘herinneringsleer’: dat de ziel de herinnering aan haar ‘ingeboren wijsheid’, de ingeboren kennis van ‘de waarheid van alle dingen die altijd in de ziel heeft bestaan’ zou moeten terughalen en dat, hoewel we vóór iedere terugkeer op aarde verplicht zijn van de wateren van Lethe – de vergetelheid – te drinken, zij die wijs zijn niet meer zullen drinken dan nodig is! De natuur mag dan ‘noch wreed noch vriendelijk’ zijn, maar haar werkwijze is op bescherming gericht. We herkennen een goddelijke voorzorg in deze gedwongen ‘vergetelheid’ totdat onze ziel voldoende volwassen is geworden om consequent en welbewust in onze spirituele natuur te leven. Volgens boeddhistische teksten komt er namelijk een tijd dat we niet alleen kennis zullen verkrijgen van ons vorige leven, maar van verschillende vorige levens. Tegen die tijd zullen we met zulke kennis kunnen omgaan zonder onszelf en anderen schade te berokkenen, en zullen we de gave hebben verworven om de wijsheid die ons van nature eigen is onmiddellijk te kunnen herinneren.

Maar laten we terugkeren tot de opmerkingen van onze correspondent: allereerst geloof ik niet dat iemand onvoorwaardelijk kan stellen dat een kind met een aangeboren afwijking inderdaad boet voor een of andere verkeerde daad in een vorig leven of vorige levens. Dat kan het geval zijn; maar dat kan evengoed helemaal niet zo zijn. Is het bijvoorbeeld niet mogelijk dat een terugkerende entiteit – want we zijn in de eerste plaats geest-zielen, en niet lichamen – innerlijk ver genoeg is gevorderd om te ‘kiezen’ voor het karma van een ernstige beperking om zo diepere gevoelens van empathie te kweken voor het menselijk lijden? Een andere mogelijkheid is dat het reïncarnerende ego tijdelijk vrij moet zijn van de druk die wordt veroorzaakt door bepaalde mentale en emotionele spanningen en daarom een ‘beperkt’ voertuig kiest. Het kan ook zo zijn dat wreedheid of egoïsme zo in het karakter zijn gegrift dat dat gebrek het best kan worden weggewerkt door in een gehandicapt lichaam te worden geboren; de les van mededogen kan dan diep worden ingeprent en zijn karakter milder maken.

De universele wet van karma, van actie gevolgd door een bijbehorende reactie, is misschien eenvoudig wanneer ze op fysieke gebeurtenissen wordt toegepast; maar ze wordt uiterst gecompliceerd als we het ingewikkelde netwerk van karmische draden van zelfs maar één persoon proberen te volgen, laat staan dat van miljarden medemensen, die allemaal eeuwenlang ervaringen hebben opgedaan. ‘Oordeel niet opdat je niet wordt geoordeeld’ – alleen iemand die in staat is de geestelijke geschiedenis van een bepaald mens te lezen zou precies kunnen vaststellen welke karmische wegen in een ver verleden in vorige levens zijn gevolgd, die juist tot die omstandigheden hebben geleid die het reïncarnerende ego in dit leven afhandelt – of niet afhandelt. We hebben allemaal edele en onedele dingen in het weefsel van de ziel gevlochten; maar wanneer we, zoals veel mensen, intuïtief weten dat we verbonden zijn met onze goddelijke ouder, en dat alle vreugde en leed die we ervaren, een onlosmakelijk deel is van ons lot dat we sinds het begin der tijden hebben geweven, dan weten we dat er zelfs in de meest hartverscheurende omstandigheden rechtvaardigheid en schoonheid schuilt.

Een brief van een vriendin die ik vorig jaar november ontving bevestigt dit. Deze werd getypt met een met de mond vastgehouden stokje door iemand die vanaf haar geboorte het trauma van zware invaliditeit heeft moeten doorstaan. Ze verdient haar brood als kunstenares, en besteedt daarnaast alle tijd die ze kan missen aan het werken met kinderen en jonge volwassenen die nog zwaarder gehandicapt zijn dan zijzelf. Ze houdt zich niet bezig met wat ze niet kunnen, maar richt zich op wat ze wél kunnen. Op die manier wakkert ze hun wil en creatieve energie aan om alle talenten waarover ze beschikken te ontwikkelen. Ze schreef:

Zorg er alsjeblieft voor dat het verkeerde beeld dat mensen van ‘karma’ hebben wordt weggenomen. Noch ik noch andere gehandicapten zijn ‘gestraft’ door in een beschadigd lichaam (brein of . . . ) te moeten leven. Nee! Wanneer het bewustzijn de illusies van onjuiste gedachten achter zich heeft gelaten, dan verandert onze houding tegenover invaliditeit op slag – dan verandert ze en beseft men voor eens en altijd dat de beschadigde vorm niet een straf is, maar een heilig voorrecht waardoor men eindelijk de kans krijgt om op een bewust (ontwaakt) niveau te ‘werken’. Het is als het dragen van geschikte kleding om ‘te gaan werken’ – het beschadigde voertuig is een noodzakelijk en zelfgekozen uiterlijk omhulsel. Ons eigen innerlijke mechanisme laat het huidige ‘lichaam’ en de huidige omstandigheden toe, om zo aan de voorwaarden voor lering en onderricht te voldoen. Ieder van ons heeft op een of ander moment moeten ‘boeten’ voor vroegere verkeerde gedachten of daden. Mensen met een gezond lichaam zijn niet zuiverder dan gehandicapten; ze ‘boeten’ voor hun fouten via een andere oorzaak-gevolg situatie. . . .

Karma – dit woord zou moeten worden uitgelegd als ‘omstandigheden die de ziel op dit moment heeft gekozen als de beste kans voor de groei van de ziel en ter lering van anderen.’

Een krachtig antwoord op de vraag, ‘Is het leven rechtvaardig?’ van iemand die weigerde verbitterd te blijven en die haar gaven van moed en liefde gewijd heeft aan iedereen die behoefte heeft aan hoop en zelfrespect. Kan iemand van ons zich veroorloven minder te doen? Laten we elkaar eren en respecteren in het volle besef dat ieder mens die het uithoudingsvermogen en mededogen bezit uitdagingen te aanvaarden die boven het normale uitsteken, zijn ‘bouwsteen’’ toevoegt aan de tijdloze tempel van de ziel.

Artikelen over lichamelijke en verstandelijke beperkingen

Artikelen over karma


Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1982

Herziene vertaling: Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), september 2018, nr. 84.

© 2018 Theosophical University Press Agency