Adam en Eva in India
Eloise Hart

 

Het scheppingsverhaal van de mens, zoals dit in Genesis wordt verteld, is al eeuwenlang een raadsel, althans voor de Westerse volken; nu echter de religieuze geschriften van andere beschavingen, in het bijzonder de Oosterse, gemakkelijk ter vergelijking beschikbaar zijn, worden we getroffen door het feit dat scheppingsverhalen algemeen voorkomen en dat deze, hoewel ze opmerkelijke verschillen vertonen wat details betreft, niettemin een opvallende overeenkomst onthullen met betrekking tot fundamentele en essentiële dingen. Het verhaal van de Hof van Eden, zoals dit in de Veda’s van India wordt verteld, is hiervan een toepasselijk voorbeeld.

In het oude hindoe-verhaal* was Ceylon de Hof van Vreugde waar prachtige bloemen de aarde als met een tapijt bedekten, de vruchtbomen zwaar beladen waren met hun overvloed, en de dieren onbevreesd dartelden op de zonnige vlakten en in de schaduw van het woud. Brahma, de schepper van het heelal, zag dat de tijd was aangebroken voor de schepping van de mens. Aan de zuivere essentie van de grote geest onttrok hij een levenskiem om twee personen, mannelijk en vrouwelijk, te bezielen, en hij verkondigde in de hemel en op de aarde de gelijkwaardigheid van deze beiden. Toen begiftigde hij hen met het vermogen van de spraak en een zekere mate van bewustzijn – waardoor hij hen verhief boven alles wat er op het land en in de zee leefde, maar niet boven de engelen.

*Dit hindoe-verhaal is in verkorte vorm overgenomen uit Louis Jacolliots The Bible in India, 1870, blz. 195-9.

Aan Adima – de ‘eerste mens’ – schonk hij kracht en majesteit. Aan de vrouw, Heva – ‘zij die het leven compleet maakt’ – schonk hij gratie, zachtmoedigheid en schoonheid. Daarna stelde Brahma ze aan elkaar voor als man en vrouw en zei: ‘Dit eiland heeft een overvloed van alles wat u zich kunt wensen – de rest van de aarde is nog onbewoonbaar. Blijf daarom hier en breng kinderen voort naar uw beeld. Leer hen mij lief te hebben en te vereren, zodat ook zij deel mogen hebben aan dit grote goddelijke geluk.’

Toen trok Brahma zich terug. Adima wendde zich van de schoonheid en de wonderen om hem heen naar zijn jonge vrouw, die glimlachend naar hem keek. Brahma, die voor hen onzichtbaar was, sloeg hen gade en was tevreden, want hij had voorzien dat de geboorte van de liefde vooraf zou gaan aan de vereniging van de seksen.

Adima en Heva leefden een tijdlang volmaakt gelukkig, zo zegt de Veda. Zij hoefden maar een hand uit te steken om de heerlijkste vruchten te plukken, zich slechts te bukken om de fijnste rijst te verzamelen. Toen, op een dag, bekroop hen een vage onrust – de ‘kwade’ vorst van de rakshasa’s, jaloers op deze laatste schepping van Brahma en op hun tevredenheid, had hun gemoed met rusteloosheid vervuld. Al snel zei Adima: ‘Geliefde, laten we wat verder trekken en zien of we niet een mooiere plek kunnen vinden om te wonen.’

Heva werd heen en weer geslingerd tussen gehechtheid aan hun woonplaats en toewijding aan haar man, maar zij volgde met aarzeling. Ze liepen wekenlang, rustten bij heldere bronnen, of onder reusachtige banyan-bomen waarvan de verstrengelde takken hen beschermden tegen de hitte van de middagzon. Heva had vaak angstige voorgevoelens en smeekte haar man om terug te gaan, maar hij stelde haar steeds gerust en liep door.

Ten slotte bereikten ze de zee en daar, achter een smalle bedding, lag een onmetelijk land dat door rotsige uitlopers met hun eiland was verbonden. De twee eenzame zwervers stonden verbaasd over de bijna etherische schoonheid van het land dat voor hen lag.

‘Wat prachtig!’ zei Adima ademloos. ‘Het is als een droom. Kom, Heva, laten we er gauw heengaan. Ik zal wat vruchten voor ons avondmaal verzamelen.’

Maar Heva bleef bevend staan. ‘Hebben we het hier niet goed? Het water is zuiver, de vruchten zijn zoet. Waarom wil je die andere dingen?’

‘We kunnen ook weer terug,’ beloofde Adima. ‘Kan het kwaad om er een kijkje te nemen? Kom, ik zal je over de rotsen dragen.’ En zo staken ze samen de smalle bedding over.

Maar op het moment dat zijn voeten de andere oever raakten stak er een zware storm op. Bliksemschichten schoten door de lucht, de donder dreunde, en de aarde schokte zo hevig dat bomen, bloemen en vogels met bulderend geraas werden verzwolgen. Plotseling was alles stil. Niets dan zand en rotsen bleef over. Zelfs de weg terug naar het eiland was door de golven weggevaagd, op een paar omhoogstekende pieken na, die tot op deze dag reizigers aan de plaats des onheils herinneren. Het was allemaal een luchtspiegeling, teweeggebracht door de vorst van de onderwereld om hen in verzoeking te brengen – zo meenden zij.

Adima wierp zich op de dorre aarde, vol schaamte en afschuw. Maar Heva fluisterde zachtjes: ‘Wanhoop niet, Adima. Laten we tot Brahma bidden om leiding.’

Terwijl zij sprak verscheen Brahma en omdat zij ongehoorzaam het eiland hadden verlaten, veroordeelde hij hen tot de ‘laagste hel’. Adima vatte moed en pleitte voor zijn vrouw: ‘O, opperste Heer van alle dingen, het was mijn schuld, straf Heva niet.’

Toen Heva dit hoorde, zei ze vlug: ‘Als u mijn man niet spaart, spaar mij dan ook niet. Ik zou niet zonder hem willen leven.’

Toen sprak de Almachtige Heer, terwijl hij met oneindige tederheid glimlachte: ‘Om uw liefde en moed zal ik u beiden sparen, en zal ik eeuwig over u en uw kinderen waken. Heva, u hebt gezondigd door de liefde voor uw man, die door u, zoals ik wenste, werd bemind. Uw hart heeft zich nooit van mij afgewend. Maar door deze ongehoorzaamheid heeft de geest van het kwaad (de stof) vaste voet op aarde gekregen. Daarom kan geen van u beiden naar de Hof van het aardse Paradijs terugkeren, maar zult u voortaan in de wereld leven. U en uw nakomelingen zullen werken en lijden; misschien worden ze slecht en wenden ze zich zelfs van mij af. Maar ik zal Vishnu sturen, de instandhouder van wijsheid, die uit de schoot van een vrouw geboren zal worden. Hij zal de hoop doen herleven door de mensheid de weg naar de verlichting te wijzen.’

Brahma ging heen, en hoewel hij niet meer aan Adima en Heva verscheen, leefde hij in hun hart.

In dit hindoe-verhaal vertegenwoordigen Adima en Heva de hoogste eigenschappen van liefde en moed. Er is hier sprake van een schepping ten overstaan van hemel en aarde uit een kiem van goddelijk leven – verwant aan de verzen in Genesis: ‘God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen’ (1:27). ‘Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen’ (2:7). Maar hoe moeten we dit rijmen met de schepping van Adam en Eva in het volgende hoofdstuk van Genesis: ‘stof ben je, tot stof keer je terug’ (3:19)? Misschien heeft de kabbala de sleutel, wanneer die verwijst naar de vier Adams die de vier eerste rassen van de mensheid voorstellen.

In het hindoe-verhaal wordt de waardigheid van de mens als een goddelijk wezen duidelijk aangetoond in de antwoorden die Adima en Heva aan Brahma gaven, nadat zij door de vorst van de rakshasa’s waren ‘verleid’ om hun hemelwereld van vrede en rust te verlaten. In zijn goddelijk mededogen begreep de grote Heer dit, en hoewel zij voortaan moesten werken en lijden in de wereld van de stof, beloofde hij over hen en hun kinderen te zullen waken. Dit oude verhaal schenkt ons een God die men kan bewonderen, voorouders om trots op te zijn, die elkaar niet de schuld gaven zoals men dit Adam en Eva wel laat doen.

De positie van de slang in Genesis heeft veel denkers voor een raadsel gesteld. Waarom zou een zogenaamde boze demon willen dat de mensen als goden worden, die goed en kwaad van elkaar kunnen onderscheiden? Waarom zou hij hun zeggen dat, als zij van de verboden vrucht aten zij niet zouden sterven, terwijl God, de Heer, hun reeds had gezegd dat zij wel zouden sterven? De kabbala oppert het denkbeeld dat de slang God, de Heer, in vermomming is, overeenkomend met de zoroastrische Angra Mainyu, die de stofzijde van de natuur voorstelt en van wie gezegd wordt dat hij alle kwaad in de wereld heeft gebracht – epidemieën, insectenplagen, zonden, dood en alle kwalen die incarnatie met zich brengt. Een ‘demon’, maar één die tijdig door het Goede zou worden verslagen – het zelfbewuste goede dat wordt verworven uit de bittere ervaringen op het slagveld van het dagelijks leven. Is hij, hoewel hij in het exoterische verhaal de vorm van een demon of slang aanneemt, eigenlijk geen Prometheus – een leraar en gids voor de nog niet zelfbewuste mensheid?

De Egyptenaren, de Babyloniërs, de Afrikanen, de Grieken, de Assyriërs, de Chinezen, de Tahitianen, de Scandinaviërs, de oude Mexicanen, ze hebben allemaal hun verhalen over Adam en Eva in zodanige bewoordingen dat ze hun volkeren aanspreken. In elk hiervan schijnt de innerlijke betekenis te wijzen op de noodzaak dat iedere man en vrouw zijn Hof van Onschuld verlaat om het leven in de stoffelijke wereld op zich te nemen, te werken en te lijden om tot zelfbewustzijn en spirituele ontplooiing te komen. Want ieder mens moet zelf groeien, moet ernstig zoeken, moet denken en moet de waarheid ontdekken die zijn eigen hart en verstand bevredigt.

 
Andere artikelen over hindoeïsme
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1983

© 1983 Theosophical University Press Agency