Hoe wonderbaarlijk de geboorte van een kind ook is, een nog groter
wonder is zijn uniekheid. Wie van ons heeft niet vaak de vragen gesteld:
Waarom ben ik zoals ik ben, in uiterlijk, karakter en aanleg? Waarom
ben ik in deze bepaalde tijd geboren, in dit gezin en deze levensomstandigheden?
Door de eeuwen heen hebben denkers over deze vragen nagedacht. Onlangs
hebben biologen met sterke microscopen het miraculeuze begin van het
leven vastgelegd, de conceptie en de versnelde celdeling waardoor bepaalde
vormen ontstaan, die in een hoog tempo hart, zenuwen, weefsels en beenderen
opbouwen, zodat binnen acht weken het drie centimeter grote embryo een
miniatuurmensje is dat verschilt van alle anderen. Maar, in plaats van
antwoorden, levert dit nog meer vragen op. Bijvoorbeeld: Wat bepaalt
de celdifferentiatie? Wat is het dat de werking van de genen en de ontwikkeling
van weefsels en organen stimuleert, coördineert en daarna beteugelt,
waardoor elk kind zijn eigen kenmerken krijgt? Het is alsof er volgens
een blauwdruk werd gewerkt, alsof zich een intelligentie door de cellulaire
wereld bewoog, die iedere fase van de prenatale ontwikkeling doelbewust
leidde.
Filosofen houden zich vooral met deze vragen bezig en met die over
predestinatie, vrije wil en fatalisme. Hindoes en boeddhisten schrijven
ons unieke karakter toe aan karma – een Sanskrietwoord afgeleid
van de wortel kri, doen, dat actie-reactie, oorzaak-gevolg,
compensatie betekent. Voor hen is karma de onfeilbaar rechtvaardige
en meedogende wet of werking van de natuur, die al het bezielde leven
beïnvloedt en door zijn onophoudelijke werking de groei en ontwikkeling
bevordert. Zij geloven dat we zijn wie we zijn en waar we zijn, als
gevolg van onze vroegere daden op het stoffelijke, emotionele, mentale
en spirituele gebied.
De logische geschriften van de jains – een voorboeddhistische
Indiase religieuze orde – verklaren hoe dit werkt. Wanneer een
jiva, een bewust wezen, dingen van deze wereld verlangt of
er zich aan hecht; als het uitdrukking geeft aan sterke gevoelens van
boosheid, angst, haat of liefde; als het zich vastklampt aan domme of
verkeerde ideeën, opent deze jiva daardoor zijn hart voor een inkomende
stroom van ‘karmische atomaire materie’. Deze etherische
substantie vermengt zich met en werkt in op de karmische moleculen van
en rondom de jiva, en brengt verzamelingen van etherische deeltjes voort,
die ofwel de jiva onmiddellijk kleuren, verduisteren en belasten, of
zich ophopen als zaden, die latent blijven tot de voor hen geschikte
omstandigheden zich voordoen, waarin ze ontkiemen en tot uitdrukking
komen. De intensiteit van een begeerte of een emotie bijvoorbeeld, die
een mens tot een afschuwelijke daad brengt, trekt duistere, zware en
ontwrichtende karmische materie tot hem aan, die zich om zijn ziel wikkelt
als de ‘cocon van een zijderups’ en de normale stroom van
zijn mentale, emotionele en fysieke krachten belemmert en ‘kluistert’.
Deze belemmering blijft in opeenvolgende levens bestaan, waardoor iedere
incarnatie verwikkeld is in problemen, totdat de jiva tot handelen overgaat
en deze materie opruimt.
Aan de andere kant verheft de karmische substantie die ontstaat en
aangetrokken wordt door vriendelijke en zuivere gedachten, en die helder,
harmonieus en licht van gewicht is, zowel de gever als de ontvanger;
ze verfijnt de innerlijke natuur, vergemakkelijkt het uiten van gedachten
en gevoelens en schenkt daardoor misschien inspiratie en schoonheid
aan zijn woorden en daden.
Deze opeenhopingen van karmische substantie, zo zeggen de jains, vormen
zich tot een ‘lichaam’, dat in tegenstelling tot het stoffelijk
lichaam blijft voortbestaan na de dood. Het is dit lichaam, dat de latente
karmische krachten van leven naar leven overdraagt. Op deze manier erven
we onszelf bij iedere nieuwe geboorte – de som van alle factoren,
die we in het verleden hebben verworven.
De eerste boeddhisten gingen zover dat ze zeiden dat het karma van
een mens het enige deel van hem is dat de dood overleeft. Ze vergeleken
het voortbestaan van het bewustzijn van een vorig leven naar dit en
een volgend leven met het aansteken van nieuwe kaarsen aan oude kaarsen
die laag branden. De vlam van een nieuwe kaars (of een nieuw leven)
zou niet kunnen ontstaan, meenden zij, als die niet eerder had bestaan
in de oude kaars (of het vorige leven); vandaar hun overtuiging dat
het alleen karma is dat ons terugbrengt in de geboortecyclus en ieder
detail van ons bestaan bepaalt. We denken zoals we denken, we gedragen
ons zoals we doen, hebben de ouders, het geslacht, het uiterlijk, de
persoonlijkheid, gedachten en verlangens, problemen en moeilijkheden,
vaardigheden en zwakheden, de echtgenoot of echtgenote en kinderen die
we hebben, omdat we ze in vorige incarnaties hebben verdiend. Voor boeddhisten
was de gedachte dat een god buiten hen, of ouders, het leven van een
mens scheppen of bepalen, onbestaanbaar. Ze waren ervan overtuigd dat
ieder individu zijn eigen architect en schepper is. Klagen helpt niet.
Er heerst rechtvaardigheid. Niemand anders, alleen wijzelf kunnen onze
toestand snel of langzaam maar zeker wijzigen door onze houding en ons
gedrag te veranderen.
Deze ideeën, dat het heden het gevolg is van daden in het verleden
en van individuele verantwoordelijkheid, werden door Paulus duidelijk
onder woorden gebracht:
Want ieder mens moet zijn eigen last dragen. . .
Vergis u niet, God laat niet met zich spotten: wat een mens zaait,
zal hij ook oogsten. Wie op de akker van zijn zondige natuur zaait,
oogst de dood, maar wie op de akker van de Geest zaait oogst het eeuwige
leven. Laten we daarom het goede doen, zonder op te geven, want als
we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen
is. Laten we dus, in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede
doen, . . . – Galaten 6:5, 7-10
Egyptische en Assyrisch-Babylonische geschriften (ca. 4000-3000 v.Chr.)
verklaren onze verschillen op een wat minder eenvoudige manier. Ze beschrijven
de komst van een mens in het leven als een terugkeer langs hetzelfde
pad dat de ziel na de dood volgt. Op die reis stijgt de ziel van de
overledene (en ook van degene die spirituele inwijding ondergaat), na
bevrijd te zijn van het lichaam, omhoog langs de lunaire en planetaire
‘stations’ en geeft aan elk van deze vroegere verblijfplaatsen
de bekleedselen en attributen terug die ze daar ontving tijdens haar
afdaling tot lichamelijke geboorte. Bij het bereiken van de hemelse
sfeer van de zon, verwerft de ziel kennis, en als de tijd rijp is, begint
ze haar afdaling door de sferen van de planeten, waar zij opnieuw de
bekleedselen opneemt die zij had afgelegd. Bij het bereiken van de aarde
is ze dan een compleet wezen maar nog zonder het lichaam van vlees dat,
als het zich helemaal heeft gevormd, de ziel in staat stelt opnieuw
geboren te worden, verfrist en verlangend om te leven.
Deze gedachte was ook bij de christenen bekend. Origenes, een leraar
en kerkvader uit de 3de eeuw, schreef in zijn Contra Celsum:
we weten dat de ziel, die onstoffelijk en onzichtbaar
van aard is, niet op een stoffelijk gebied bestaat zonder een lichaam
te bezitten dat past bij de aard van dat gebied. Als gevolg daarvan
legt ze op een bepaalde tijd een lichaam af dat voordien noodzakelijk
was, maar niet langer past bij de veranderde toestand, en verwisselt
het voor een tweede; en op een ander moment neemt ze een ander aan
naast het vorige, dat nodig is als een betere bekleding, passend bij
de zuiverder etherische regionen van de hemel. –
7:32
Hieruit zien we hoe algemeen deze ideeën eens werden aanvaard
en hoe de mens werd beschouwd als een spiritueel wezen, ‘gevangen’
in een lichaam van vlees en bloed. De hedendaagse theosofische literatuur
verklaart dat het geboorteproces in de ‘hemel’ begint, waar
het reïncarnerende ego sinds zijn laatste aardse leven een aanzienlijke
tijd heeft doorgebracht. Wanneer de krachten die haar naar deze spirituele
gebieden aantrokken, zijn uitgewerkt, wordt de ziel psychomagnetisch
– karmisch – ‘omlaag’getrokken door de tussenliggende
sferen, totdat ze op aarde het gebied bereikt van haar vorige gedachten
en gevoelens. Tijdens de afdaling neemt ze de elementen van bewustzijn
en substantie op, die vroeger haar intellectuele, psychische en astrale
lichamen hadden gevormd en die alle worden gehuld in het stoffelijk
lichaam als het kind wordt geboren.
Deze etherische bekleedselen bestaan uit dezelfde levensatomen en uit
dezelfde karmische moleculaire substantie waaruit ze vroeger waren samengesteld;
daarom dragen ze het karakteristieke stempel en bezitten ze het instinctieve
geheugen die de ziel er in vorige incarnaties op heeft afgedrukt. Als
de levensatomen zich opnieuw samenvoegen tot de vorm en substantie die
karma vereist, wijzigen ze dus, ten goede of ten kwade, de details van
het uiterlijk en van de uitdrukkingsmiddelen van een mens. Vroegere
harmonieuze gedachten en daden zullen de hele aard verfijnen en veredelen;
slechte, wrede of zelfzuchtige zullen haar misvormen. Belemmeringen
of handicaps, lichamelijke of psychische, zijn echter niet noodzakelijkerwijs
het gevolg van ‘verkeerd’ handelen. Iemand die zich te sterk
inspande of te sterk ernaar streefde zich geheel voor een bepaalde zaak
of zelfs voor een artistieke creatie in te zetten, kan een deel van
zijn innerlijke constitutie zodanig uit zijn evenwicht hebben gebracht,
dat de natuur op deze wijze probeert de orde te herstellen. Een leven
van blindheid of mentale onvolwaardigheid kan bijvoorbeeld de noodzakelijke
gelegenheid tot herstel bieden.
Tijdens het hele proces van incarnatie en in ieder stadium van het
leven komt de individualiteit tot uitdrukking. Elk kind is uniek, omdat
het in zich de karmische neigingen meevoert die het zelf schiep. Deze
dragen niet alleen bij tot zijn eigen ontwikkeling, maar ook tot zijn
omgeving, die net zo uniek en individueel is. Zelfs binnen een gezin
leeft ieder lid in dat speciale milieu dat hij schept door zijn inbreng
en door de wisselwerking met de overige gezinsleden en zijn maatschappelijke
en economische omgeving. De schijnbare inconsequentie in de theorieën
van erfelijkheid en milieu, waarover zovelen zich het hoofd breken,
zouden verdwijnen als ze worden gezien als karmische gevolgen. Al erven
we inderdaad fysieke trekken van onze ouders, we wijzigen deze om ze
aan te passen aan onze eigen karmische behoeften. In feite erven we
onszelf: wij zijn het huidige resultaat in een voortgaand proces dat
al vele levens aan de gang is. Hoe kunnen we anders verklaren dat er
genieën worden geboren in talentloze gezinnen, of dat goede en
fatsoenlijke ouders misdadige kinderen hebben? In het algemeen echter
voeren gelijksoortige karaktertrekken ons naar een bepaald gezin, want
het gelijke trekt het gelijke aan. We worden geboren bij ouders waarmee
we banden hebben uit het verleden. Zij, en onze eigen kinderen, zijn
door banden van liefde met ons verbonden – of door ketenen van
angst – die lang geleden werden gesmeed.
Wat een inzicht geeft dit ons als ouders! Iedere ziel die we in ons
huis uitnodigen, brengt vele credit- en debetposten met zich mee: talenten
die in het verleden werden gekweekt, kunnen nu opbloeien als ze hiertoe
de gelegenheid krijgen; zwakheden, voortkomend uit oude wonden, kunnen
nu worden genezen. En wij, die in een positie van kracht verkeren en
vrij zijn van de last van de herinnering aan vroegere karmische oorzaken,
kunnen meer doen voor onze kinderen en voor onszelf, dan wanneer we
de voorvallen kenden die hebben geleid tot de huidige situaties en verhoudingen.
We zijn echter niet geheel zonder herinneringen. Kort vóór
een kind wordt geboren, trekt een panoramisch toekomstbeeld* van het
komende leven aan zijn bewustzijn voorbij. Het ziet en begrijpt de zin
van de omstandigheden en ervaringen die het te wachten staan. Hoewel
we aan deze vooruitblik geen duidelijke herinnering bewaren, verklaart
het voor een deel de vreemde aantrekkingskracht die we soms voor een
bepaalde persoon of plaats voelen. Het kan ook een bron van kracht zijn
als een situatie ondraaglijk lijkt. Als we in contact kunnen komen met
dat deel in ons dat de herinnering bewaart, zullen we de kracht vinden
om ofwel de situatie te aanvaarden als een gelegenheid tot groei, of
ons er psychisch van los te maken en voor eens en altijd die oude karmische
schuld af te lossen.
*Vermeld in The Tibetan Book of the Dead, vert.
Evans-Wentz, boek 2, deel 2, blz. 188 n. 2, en De Staat, Plato,
boek 10.
In het grotere beeld van opeenvolgende levens zijn pijnlijke en moeilijke
ervaringen heilzaam, omdat ze ons de gelegenheid geven om te groeien.
Het was een wijs man die zei: Hoe groter het obstakel, hoe groter de
kans – waaraan we willen toevoegen – om iets meer te ontdekken
van de aard en de oorsprong van ons wonderbaarlijke unieke karakter.