Als het innerlijke zelf spreekt
Raymond Rugland

 

Veel oudere mensen hoort men zeggen: ‘Als ik mijn leven nog eens kon overdoen, wat zou ik het dan anders doen.’ Het is duidelijk dat veel van onze verplichtingen worden aangegaan voor we door ervaring wijs zijn geworden, en als ze eenmaal bestaan binden ze ons voor de rest van ons leven. Waarom is dat zo?

Als de ware mens de onsterfelijke mens is, dan zijn alle genoegens, de kleine vreugden en successen van materiële aard, niet zo belangrijk. Het ware strijdperk van de mens ligt in zijn denken, waar de strijdende legers van gedachten voorbijtrekken om door hem te worden beoordeeld.

Er is in ons een wijsheid die groter is dan we door ervaring kunnen verwerven en met onze hersenen kunnen bedenken. De jonge mens, die overloopt van explosieve levenskracht, is nog ontvankelijk, vol vertrouwen, idealistisch, loyaal en sensitief genoeg om de polsslag van de toekomst te voelen. Zijn nog niet in ‘vaste meningen’ gevangen ziel durft verplichtingen aan te gaan. Vaak wordt de gekozen richting een moeilijk begaanbaar pad, maar door die verplichtingen wordt de ziel getoetst.

Als we werkelijk in evolutie geloven, moeten we wel geloven dat we geen andere richting kunnen gaan dan een voorwaartse. Als meer verantwoordelijkheid, een scherper bewustzijn, een ruimere vorm van dienen en functioneren in dit heelal niet de logische volgende stap is voor een denkend wezen met vrije wil, wat dan wel?

We leren van de oude wijsheid dat we aan het goddelijke ontspringen als een vonk aan het vuur en dat alle wezens op deze wijze tot aanzijn kwamen. Eens herenigt de vonk zich weer met het vuur. De vonk is niet anders dan het vuur. De hoogste delen van de mens zijn zuiver goddelijk, één met karma, het hart van universele harmonie. En wat is het goddelijke? Het is zuiver bewustzijn, zuivere geest, zuivere wil, zuivere kracht.

In de geschiedenis van de onsterfelijke mens verwierf hij (met de hulp van de hele natuur) het recht zich aan te sluiten bij degenen die naar eigen keuze en met vrije wil hun evolutie leiden. Staand op de laagste sport van de ladder die omhoog voert, heeft hij zich bij het gezelschap van de goden gevoegd en begint hij een deel van de verantwoordelijkheid voor het welzijn van het heelal op zich te nemen. Hij hoeft alleen maar om zich heen te kijken om vast te stellen dat andere natuurrijken, die zijn spoor volgen, zijn vrijheid niet bezitten; zij moeten werken binnen grenzen die bij hen behoren.

Niemand bezit een vrije wil los van het universele wezen in het hart van de kosmos; als dat zo was, dan zou hij zich buiten het organisme bevinden.

Een mens is als een god voor zijn lichaam, dat een heelal is; elk leven daarvan is onderworpen aan de beslissingen van zijn bewoner, maar niet in de zin van de grote baas. Hoewel we ziek kunnen worden of het lichaam letsel kunnen toebrengen, kunnen we het ons nauwelijks als een verdienste aanrekenen als alle delen ervan in harmonie werken. Een zenuw- of spiercel benut de mogelijkheden en voldoet aan de eisen die haar normale bestaan in een menselijk lichaam meebrengt, zonder zich er waarschijnlijk van bewust te zijn dat ze een intelligentie of wil dient die niet de hare is.

Laten we ons persoonlijke karma niet als te belangrijk zien. Het kan het tandwiel zijn dat regelend optreedt bij onze levenservaringen, maar het is niet de hoofdbron van ons wezen.

 
Andere artikelen over karma
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1983

© 1983 Theosophical University Press Agency