Veel oudere mensen hoort men zeggen: ‘Als ik mijn leven nog eens
kon overdoen, wat zou ik het dan anders doen.’ Het is duidelijk
dat veel van onze verplichtingen worden aangegaan voor we door ervaring
wijs zijn geworden, en als ze eenmaal bestaan binden ze ons voor de
rest van ons leven. Waarom is dat zo?
Als de ware mens de onsterfelijke mens is, dan zijn alle genoegens,
de kleine vreugden en successen van materiële aard, niet zo belangrijk.
Het ware strijdperk van de mens ligt in zijn denken, waar de strijdende
legers van gedachten voorbijtrekken om door hem te worden beoordeeld.
Er is in ons een wijsheid die groter is dan we door ervaring
kunnen verwerven en met onze hersenen kunnen bedenken. De jonge mens,
die overloopt van explosieve levenskracht, is nog ontvankelijk, vol
vertrouwen, idealistisch, loyaal en sensitief genoeg om de polsslag
van de toekomst te voelen. Zijn nog niet in ‘vaste meningen’
gevangen ziel durft verplichtingen aan te gaan. Vaak wordt de gekozen
richting een moeilijk begaanbaar pad, maar door die verplichtingen wordt
de ziel getoetst.
Als we werkelijk in evolutie geloven, moeten we wel geloven dat we
geen andere richting kunnen gaan dan een voorwaartse. Als meer verantwoordelijkheid,
een scherper bewustzijn, een ruimere vorm van dienen en functioneren
in dit heelal niet de logische volgende stap is voor een denkend wezen
met vrije wil, wat dan wel?
We leren van de oude wijsheid dat we aan het goddelijke ontspringen
als een vonk aan het vuur en dat alle wezens op deze wijze tot aanzijn
kwamen. Eens herenigt de vonk zich weer met het vuur. De vonk is niet
anders dan het vuur. De hoogste delen van de mens zijn zuiver goddelijk,
één met karma, het hart van universele harmonie. En wat
is het goddelijke? Het is zuiver bewustzijn, zuivere geest, zuivere
wil, zuivere kracht.
In de geschiedenis van de onsterfelijke mens verwierf hij (met de hulp
van de hele natuur) het recht zich aan te sluiten bij degenen die naar
eigen keuze en met vrije wil hun evolutie leiden. Staand op de laagste
sport van de ladder die omhoog voert, heeft hij zich bij het gezelschap
van de goden gevoegd en begint hij een deel van de verantwoordelijkheid
voor het welzijn van het heelal op zich te nemen. Hij hoeft alleen maar
om zich heen te kijken om vast te stellen dat andere natuurrijken, die
zijn spoor volgen, zijn vrijheid niet bezitten; zij moeten werken binnen
grenzen die bij hen behoren.
Niemand bezit een vrije wil los van het universele wezen in het hart
van de kosmos; als dat zo was, dan zou hij zich buiten het organisme
bevinden.
Een mens is als een god voor zijn lichaam, dat een heelal is; elk leven
daarvan is onderworpen aan de beslissingen van zijn bewoner, maar niet
in de zin van de grote baas. Hoewel we ziek kunnen worden of het lichaam
letsel kunnen toebrengen, kunnen we het ons nauwelijks als een verdienste
aanrekenen als alle delen ervan in harmonie werken. Een zenuw- of spiercel
benut de mogelijkheden en voldoet aan de eisen die haar normale bestaan
in een menselijk lichaam meebrengt, zonder zich er waarschijnlijk van
bewust te zijn dat ze een intelligentie of wil dient die niet de hare
is.
Laten we ons persoonlijke karma niet als te belangrijk zien. Het kan
het tandwiel zijn dat regelend optreedt bij onze levenservaringen, maar
het is niet de hoofdbron van ons wezen.