Het kind is de vader van de mens, en niet minder juist is:
‘Broeders! Het leven van ieder mens
Is een gevolg van eerder bestaan.
Vroegere deugden brengen zegen,
Lijden volgt op fouten, eens begaan.’
– Het Licht van Azië, boek
8
Dit is de leer van karma.
Maar op welke manier beïnvloeden dit vroegere goed en kwaad het
huidige leven? Volgt de strenge Nemesis de vermoeide reiziger altijd
bedaard met een kalme, meedogenloze tred? Is er geen ontkomen aan zijn
niet-aflatende invloed? Deelt de eeuwige wet van oorzaak en gevolg,
onbewogen door leed en spijt, voortdurend zijn wel en wee uit als de
gevolgen van daden in het verleden? Moet de schaduw van de zonde van
gisteren het leven van vandaag verduisteren? Is karma slechts een andere
naam voor noodlot? Slaat het kind de bladzijden om van het al geschreven
levensboek waarin elke gebeurtenis is opgetekend, zonder de mogelijkheid
eraan te ontkomen? Wat is het verband van karma met het leven van het
individu? Staat de mens niets anders te doen dan de gevarieerde schering
en inslag van elk aards bestaan te weven met de bezoedelde en verkleurde
draden van vroegere daden? Goede voornemens en slechte neigingen bewegen
zich als een onstuitbare stroom over de aard van de mens, en ons wordt
gezegd:
‘Wat voor daden hij ook verricht, goede of
slechte – alles wat in een vroeger lichaam is gedaan, moet noodzakelijkerwijs
als vreugde of leed worden ondergaan. – Anugita,
hfst. 3
Er is goed karma en slecht karma, en naarmate het levenswiel voortwentelt,
raakt oud karma uitgeput en wordt weer nieuw karma toegevoegd.
Hoewel het eerst misschien lijkt alsof niets fatalistischer is dan
deze leer, zal enig nadenken aantonen dat dit in werkelijkheid niet
het geval is. Karma is tweevoudig, verborgen en zichtbaar, karma is
de mens die is, karma is zijn handelen. Het is waar dat elk handelen
een oorzaak is van waaruit zich de ontelbare vertakkingen van gevolgen
in tijd en ruimte ontwikkelen.
‘Dat wat u zaait zult u oogsten.’ Op een of ander gebied
van handelen zal de oogst worden binnengehaald. Het is noodzakelijk
dat de mens die handelt zich van deze waarheid bewust is. Even noodzakelijk
is het dat duidelijk moet worden begrepen dat deze wet zich in de werkingen
van karma openbaart.
Van karma kan, in het algemeen gesproken, worden gezegd dat het de
voortzetting is van de aard van de handeling, en dat elke handeling
in zich het verleden en de toekomst bevat. Elk gevolg dat voortvloeit
uit een handeling moet in die handeling zelf besloten liggen, anders
zou het nooit kunnen ontstaan. Een gevolg is slechts de aard van de
handeling en kan niet los van de oorzaak bestaan. Karma brengt slechts
tot manifestatie wat al bestaat; omdat het handelen is, werkt het in
de tijd, en daarom kan van karma worden gezegd dat het hetzelfde handelen
is vanuit een ander tijdstip. Het moet bovendien duidelijk zijn dat
er niet alleen een verband bestaat tussen de oorzaak en het gevolg,
maar dat er ook een verband moet zijn tussen de oorzaak en het individu
dat het gevolg ondergaat. Als dit niet zo was, dan zou een mens het
gevolg van de handelingen van een ander oogsten. Het lijkt soms wel
alsof we de gevolgen van het handelen van anderen oogsten, maar dat
is slechts schijn. In feite is het ons eigen handelen.
. . . Niets anders dwingt,
Geen ander bepaalt dat u leeft en sterft.
– Het Licht van Azië, boek
8
Om de aard van karma en zijn relatie tot het individu te begrijpen,
is het dan ook noodzakelijk het handelen in al zijn aspecten te beschouwen.
Elke handeling vloeit voort uit het denken. Buiten het denken is er
geen handeling en dus geen karma. De basis van elke handeling is begeerte.
Het gebied van begeerte of zelfzucht is zelf handelen en de voedingsbodem
van elke handeling. Dit gebied kan als niet-gemanifesteerd worden beschouwd,
maar heeft wel een tweevoudige manifestatie in wat we oorzaak en gevolg
noemen, d.w.z. de handeling en haar gevolgen. In werkelijkheid zijn
zowel de handeling als wat eruit voortvloeit het gevolg, terwijl de
oorzaak op het gebied van de begeerte ligt. Begeerte is daarom de basis
van het handelen in zijn eerste manifestatie op het fysieke gebied,
en begeerte bepaalt de voortzetting van de handeling in zijn karmische
relatie tot het individu. Om vrij te zijn van de gevolgen van het karma
van een handeling, moet een mens zijn overgegaan in een toestand die
niet langer een basis verschaft waarin die handeling zich kan voordoen.
De golven in het water die veroorzaakt zijn door de beweging van de
steen zullen zich uitbreiden tot de uiterste grens van zijn bereik maar
niet verder; ze worden begrensd door de oever. Het voortkabbelen ervan
eindigt wanneer er niet langer een basis of een geschikt middel is waarin
ze zich kunnen voordoen; ze putten hun kracht uit en bestaan niet langer.
Karma is dus even afhankelijk van de huidige persoonlijkheid om tot
uitdrukking te komen als van de vroegere persoonlijkheid voor haar eerste
aanzet. We geven een illustratie die dit misschien kan verduidelijken
Een mosterdzaadje, bijvoorbeeld, zal een mosterdplant voortbrengen
en niets anders; maar om hem voort te brengen, is de medewerking nodig
van de bodem en van de juiste verzorging. Hoezeer de grond ook wordt
bewerkt en besproeid, zonder het zaadje wordt er geen plant voortgebracht,
maar het zaadje komt evenmin tot ontwikkeling zonder de medewerking
van de bodem en de juiste verzorging.
Het eerste grote gevolg van karmisch handelen is de incarnatie in een
fysiek lichaam. De entiteit die geboren wil worden en die uit begeerten
en neigingen bestaat, streeft ernaar om te incarneren. Ze wordt bij
de keuze van de plek om zich te manifesteren beheerst door de wet van
de spaarzaamheid. Wat ook de overheersende neiging is, dat wil zeggen
welke groep affiniteiten het sterkst is, die affiniteiten zullen haar
naar het punt van manifestatie brengen waar de minste weerstand bestaat.
Ze incarneert in die omgeving die het meest in harmonie is met haar
karmische neigingen; en alle gevolgen van daden die besloten liggen
in het karma dat zich zo manifesteert, zullen door het individu worden
ervaren. Dit bepaalt de positie in het leven, het geslacht, de omstandigheden
in de onverantwoordelijke kinderjaren, de lichamelijke gesteldheid met
de verschillende inherente ziekten, en in feite al die beslissende krachten
van het fysieke bestaan, die gewoonlijk worden ondergebracht onder de
termen ‘erfelijkheid’ en ‘nationale kenmerken’.
In feite is de wet van de spaarzaamheid de waarheid die aan deze termen
ten grondslag ligt en ze verklaart. Neem bijvoorbeeld een volk met bepaalde
bijzondere kenmerken. Deze vormen het gebied van ontplooiing voor iedere
entiteit van wie het grootste aantal affiniteiten in harmonie is met
die kenmerken. De binnenkomende entiteit die de wet van de minste weerstand
volgt, incarneert in dat volk, en alle karmische gevolgen die uit zulke
eigenschappen voortvloeien zullen dat individu ten deel vallen. Dit
verklaart de betekenis van uitdrukkingen zoals het ‘karma van
volkeren’, en wat voor het volk geldt, geldt ook voor de familie
en kaste.
Men moet echter bedenken dat er veel neigingen zijn die niet worden
uitgeput door de daad van het incarneren. Het kan gebeuren dat het karma
dat er de oorzaak van was dat een entiteit in een bepaalde omgeving
incarneerde, slechts sterk genoeg was om haar tot een fysiek bestaan
te brengen. Als het in die richting is uitgeput, krijgen andere neigingen
en hun karmische gevolgen de vrijheid zich te manifesteren.
De karmische kracht kan bijvoorbeeld de oorzaak ervan zijn dat een
entiteit incarneert in nederige levensomstandigheden. Hij kan worden
geboren als het kind van arme ouders. Het karma volgt de entiteit, blijft
langere of kortere tijd bestaan, en raakt uitgeput. Vanaf dat punt volgt
het kind een weg in het leven die geheel verschilt van zijn omgeving.
Andere affiniteiten, voortgebracht door vroegere daden, brengen zich
nu in hun karmische gevolgen tot uitdrukking. De resterende gevolgen
van karma uit het verleden kunnen zich nog manifesteren als obstakels
en belemmeringen die met een wisselende mate van succes worden overwonnen,
afhankelijk van hun intensiteit.
Als men uitgaat van het standpunt van een speciale schepping van iedere
entiteit die op de wereld komt, dan is er een enorme en onverklaarbare
onrechtvaardigheid. Vanuit het standpunt van karma kunnen de vreemde
wisselvalligheden en schijnbare toevalligheden in het leven in een ander
licht worden gezien als de feilloze uitingen van oorzaak en gevolg.
In een gezin dat in dezelfde omstandigheden van armoede en onwetendheid
verkeert, zal één kind van de anderen worden gescheiden
en in een omgeving terechtkomen die sterk daarvan afwijkt. Hij kan worden
geadopteerd door een rijke man, of door een gril van het lot een opleiding
ontvangen die hem onmiddellijk in een andere positie brengt. Als het
karma van het incarneren is uitgeput, zal zich ander karma doen gelden.
Hier rijst een belangrijke vraag: Kan een individu zijn eigen karma
beïnvloeden, en zo ja, in welke mate en op welke manier?
Er is gezegd dat karma de voortzetting van een handeling is, en wil
een bepaalde lijn van karma zich kunnen doen gelden, dan is het noodzakelijk
dat de basis aanwezig is van de handeling die dat karma voortbracht,
waarmee het is verbonden en waarin het kan werken. Maar handelingen
kunnen zich op vele gebieden voordoen. Daar is het fysieke gebied, het
lichaam met zijn zintuigen en organen; dan is er het verstandelijke
gebied; het geheugen dat de indrukken van de zintuigen tot een samenhangend
geheel verbindt, en de rede die de voorraad feiten op ordelijke wijze
rangschikt. Naast het gebied van het verstand is er het gebied van de
emoties, het gebied van voorkeur voor het ene boven het andere –
het vierde beginsel van de mens. Deze drie, het fysieke, verstandelijke,
en emotionele, hebben geheel te maken met objecten van zintuiglijke
waarneming en kunnen het grote slagveld van karma worden genoemd.* Er
is ook nog het gebied van de ethiek, het gebied van onderscheid tussen
‘wat ik wel en wat ik niet zou moeten doen’. Dit gebied
brengt het verstand en de emoties in evenwicht. Dit zijn allemaal gebieden
van karma of handelen: wat te doen, en wat niet te doen. Het denken,
dat de basis van begeerte is, geeft op de verschillende gebieden de
aanzet tot handelen, en alleen door middel van het denken kunnen de
gevolgen van ‘rust’ en ‘[nieuwe] handelingen’
worden ontvangen.
*Zie de Bhagavad Gita; het hele gedicht draait
om het conflict op dit slagveld, ‘de heilige vlakte van Kurukshetra’,
waarmee het ‘door karma wordt verworven lichaam’ wordt bedoeld.
Een entiteit incarneert met karmische energie uit vorige levens, d.w.z.
dat het handelen in vorige levens wacht op zijn ontwikkeling in de vorm
van gevolgen. Deze karmische energie streeft naar manifestatie in overeenstemming
met de wezenlijke aard van de handeling. Fysiek karma zal zich manifesteren
in fysieke neigingen die vreugde en lijden met zich meebrengen. De verstandelijke
en ethische gebieden zijn eveneens en op dezelfde manier het gevolg
van vroegere karmische neigingen, en de mens zoals hij is, met zijn
morele en verstandelijke vermogens, staat in ononderbroken verband met
het verleden.
De entiteit heeft bij zijn geboorte dan ook een bepaalde hoeveelheid
karmische energie. Na te zijn geïncarneerd volgt een periode in
het leven waarin nieuw karma begint. Tot de periode van verantwoordelijkheid
manifesteert, zoals we hebben gezien, alleen het aanvangskarma zich.
Vanaf dat moment wordt de nieuwe persoonlijkheid de heerser over zijn
eigen lot. Het is een grote vergissing te veronderstellen dat een mens
niet meer is dan een marionet van het verleden, het hulpeloze slachtoffer
van het noodlot. De wet van karma is geen fatalisme, en enig nadenken
zal aantonen dat het voor een mens mogelijk is zijn eigen karma te beïnvloeden.
Als op één gebied een grotere hoeveelheid energie wordt
opgenomen dan op een ander, dan leidt dat ertoe dat het karma uit het
verleden zich op dat gebied ontvouwt. Zo zal iemand die geheel op het
gebied van bevrediging van zijn lusten leeft, uit het gebied daarboven
de energie putten die nodig is voor het bevredigen van zijn begeerten.
Laten we dit illustreren door de mens in een hogere en een lagere natuur
te verdelen. Door het denken en de aspiraties op het lagere gebied te
richten, wordt daar een ‘vuur’ of centrum van aantrekking
gevormd, en om dat te voeden en te doen groeien, worden de energieën
van het gehele hogere gebied omlaaggetrokken en uitgeput om te voorzien
in de behoefte aan energie die daaronder bestaat, als gevolg van het
toegeven aan het bevredigen van zijn lusten.
Anderzijds kan het centrum van aantrekking in het hogere deel worden
gevestigd, en dan gaat alle benodigde energie daarheen, wat een toename
van spiritualiteit tot gevolg heeft. Men moet bedenken dat de natuur
overvloedig is en zich niet inhoudt. De vraag is er, en het aanbod zal
volgen. Maar tegen welke prijs? Die energie die de morele aard had moeten
versterken en de aspiraties tot het goede had moeten verwezenlijken,
wordt naar lagere begeerten getrokken. Stukje bij beetje raakt de vitaliteit
van de hogere gebieden uitgeput en zal het goede en slechte karma van
een entiteit op het fysieke gebied worden verbruikt. Als daarentegen
de belangstelling zich niet richt op het gebied van bevrediging van
de lusten, als er voortdurend wordt geprobeerd het denken te richten
op het bereiken van het hoogste ideaal, zal het gevolg zijn dat vroeger
karma ‘een basis vindt om zich te binden aan het fysieke gebied.
Het karma zal zich daarom alleen manifesteren in harmonie met het gebied
van de begeerte. De energie van de zintuigen op het fysieke gebied zal
worden verbruikt op een hoger gebied en daardoor in haar gevolgen worden
omgevormd.
Wat de middelen zijn waardoor de gevolgen van karma zo kunnen worden
veranderd is ook duidelijk. Een mens kan geen band hebben met iets waar
hij niet aan denkt; daarom moet de eerste stap zijn het denken te richten
op het hoogste ideaal. In dit verband kan misschien een opmerking worden
gemaakt over het onderwerp berouw. Berouw is een vorm van denken waarin
het denken voortdurend terugkeert naar de zonde. Dat moet daarom worden
vermeden als men het denken vrij wil maken van zonde en haar karmische
gevolgen. Alle zonde heeft zijn oorsprong in het denken. Hoe meer het
denken zich bezighoudt met een gedragswijze, hetzij met vreugde of met
pijn, des te geringer is de kans dat het zich losmaakt van zo’n
manier van handelen. Het manas (denkvermogen) is het knooppunt
van het hart; als dat zich losmaakt van iets, met andere woorden als
het denken zijn belangstelling verliest voor dat object, is er niet
langer een band tussen het karma dat daarmee en met het individu verbonden
is.
Onze manier van denken trekt de karmische snoeren strak aan om de ziel.
Ze knevelt de aspiraties en bindt ze met ketenen van moeilijkheden en
belemmeringen. Door begeerte neemt het vroegere karma vorm aan en wordt
het huis van klei gebouwd. Door onthechting zal de ziel de muren van
pijn doorbreken; alleen door een verandering van denken wordt de karmische
last opgeheven.
Het blijkt dus dat hoewel het absoluut juist is dat handelingen hun
eigen gevolgen met zich meebrengen, ‘er hier ‘een sprake
is van vernietiging van goede of niet goede handelingen. Op hun weg
van het ene lichaam naar het andere worden ze op hun respectieve manier
gerijpt.’ Dit rijpen is echter een daad van het individu. De vrije
wil van de mens doet zich gelden, en hij wordt zijn eigen verlosser.
Voor de wereldlijke mens is karma een strenge Nemesis, voor de spirituele
mens ontvouwt karma zich in harmonie met zijn hoogste aspiraties. Hij
zal met evenveel rust het verleden en de toekomst bezien, en noch berouwvol
blijven stilstaan bij een vroegere zonde, noch uitzien naar een beloning
voor zijn huidige daden.
Vertaald uit The Path, september 1886.
© Nederlandse vertaling 2010 Theosophical University
Press Agency
Gepubliceerd in het tijdschrift Sunrise
sep/okt 1983
Inhoudsopgave
artikelen William Quan Judge
Andere artikelen over
karma