Hoe vaak denken we niet aan karma als een soort nemesis of dreigend
lot, dat ons treft als we er het minst op zijn voorbereid, als vergelding
voor onbekende daden die we in dit leven of in lang vervlogen levens
hebben gedaan of nagelaten. Maar bij de oudste Grieken was Nemesis een
godin, de personificatie van ons geweten, onze ingeboren angst verkeerde
daden ten aanzien van de goden te plegen; ofwel van onze eerbied voor
de morele en spirituele wet van harmonie, van evenwicht. Later, in de
vijfde eeuw voor Christus, beschreven de dichter Pindar en de geschiedschrijver
Herodotus haar als degene die de menselijke zaken leidt om het verstoorde
evenwicht te herstellen, zodat geluk of ongeluk in ‘juiste verhouding’
zouden worden toegemeten. Een zuiver en bescheiden hart werd altijd
gezien als de toegangspoort tot de goden; en als iemand te trots was
op de ‘goede gaven’ van Fortuna, dan werden hem verliezen
en leed toebedeeld; omgekeerd werden de bescheidenen gezegend op een
manier die hen vrede en voldoening bracht. Nog later werd de godin,
omdat ze werd afgeschilderd als een rem op buitensporigheden, in de
gedachten van velen een wrekend of bestraffend noodlot dat op het juiste
moment roekeloze en eigenzinnige mensen zou overvallen.
Zelden zien we de universele wet van oorzaak en gevolg als genezend
en barmhartig vanwege haar herstellende kracht ten goede. We vergeten
dat de goden niet gescheiden zijn van onszelf, maar dat we een verlengstuk
zijn van hun levensessentie en dat hun zorg voor ons een even essentieel
deel is van ons groeiproces, als onze bescherming dat is voor de atomaire
levens die binnen de menselijke hiërarchie evolueren. Het is deze
onderlinge verbondenheid die we moeten begrijpen en waarmee we moeten
leven, in het besef dat karma niet iets is dat ons door een god of een
duivel of een andere uiterlijke macht wordt opgelegd, maar dat we het
zelf zijn.
Er is geen moment in ons leven dat we niet de kwaliteit van ons denken
en voelen, die hoog of laag kan zijn, op ons geheugen afdrukken; door
de wet van magnetische aantrekking moet alles wat tot ons komt eens
door onszelf zijn gewild, bewust of onbewust. Wij zijn het
die die indrukken op onze levensatomen* hebben achtergelaten, en telkens
als de ziel weer tot het leven op aarde terugkeert, keren ook diezelfde
levensatomen terug, om opnieuw onze diverse bekleedselen te vormen,
de lichamelijke, psychische, mentale en spirituele. Het lijkt allemaal
heel logisch, want hoe zou rechtvaardigheid anders verzekerd kunnen
zijn? Geen mens oogst wat niet door hemzelf gezaaid is – aan goede
gaven en karaktersterkte na het zaaien van goede zaden; en aan tegenslagen
en zwakheid van wil als er onkruid is gezaaid.
*De vitale of bezielende energie van het stoffelijk atoom.
Karma, de hersteller van evenwicht, is de strenge maar altijd weldoende
optekenaar van elke beweging van het bewustzijn, niet alleen voor de
mens maar voor alle wezens vanaf de atomaire tot de macrokosmische.
Wat zijn graad van evolutionaire ontwikkeling ook is, ieder wezen is
zijn eigen lipika of ‘schrijver’, zijn eigen rechter
en trooster. Net zoals wij onze kwaliteit afdrukken op elk deeltje van
onze veelzijdige constitutie, zo doet elke andere hiërarchie in
de natuur dat ook. Maar als we karma zien als een wrekende demon of
een belonende engel, oordelen we naar uiterlijkheden. Hebben we niet
allemaal ontdekt, mogelijk pas na jaren, dat de meest pijnlijke voorvallen
in ons leven ons blijvend voordeel hebben opgeleverd? We zouden dit
vermomde zegeningen kunnen noemen en daarmee intuïtief erkennen
dat pijn en leed een verborgen schoonheid bevatten, niet in de laatste
plaats door de sterker wordende gevoelens van liefde voor hen die in
nood verkeren.
Marcus Aurelius, de Romeinse keizer uit de 2de eeuw, kreeg meer dan
een normaal deel aan leed te verduren, maar hij werd tijdens zijn hele
tragische regeringsperiode overeind gehouden door zijn onwrikbaar geloof
dat wat een mens ook mocht overkomen, voor hem was voorbereid ‘sinds
het begin van de tijd’. In zijn persoonlijke vermaningen ‘aan
zichzelf’, door latere bewonderaars zijn Zelfbespiegelingen
genoemd, kwam hij vaak op het volgende thema terug:
In het weefwerk van de oorzakelijkheid was de draad
van uw wezen sinds alle tijden vervlochten met dat bijzondere voorval.
– 10:5
Heb niets anders lief dan wat tot u komt, geweven
in het patroon van uw bestemming. Want wat zou beter passen bij uw
behoeften? – 7:57
Voor Marcus, een filosoof en stoïcijn van nature en door opvoeding,
was de mens een kind van de godheid, een deeltje van het oorspronkelijke
geest-vuur, en daarom kon niets hem raken behalve wat werkelijk bij
hem behoorde. We kunnen zelfzuchtig, hebzuchtig en sluw zijn in ons
lagere zelf; maar in onze essentiële kern hebben we ‘sinds
het begin van de tijd’ ontelbare morele krachten in de tafelen
van onze ziel gegrift. Iedere aspiratie, geboren in de diepste diepten
van ons wezen, zowel als elke lage en verkeerde begeerte heeft haar
zaad gezaaid om te zijner tijd te worden geoogst als een met de oorzaak
overeenkomend gevolg. Wij zijn dus ons eigen karma, de optekenaars van
ons karakter en onze bestemming.
Het is betrekkelijk eenvoudig te filosoferen als men redelijk gezond
is en leeft in comfortabele omstandigheden. Maar hoe staat het met de
rechtvaardigheid voor hen die onder armoede gebukt gaan; wat kan de
filosofie doen voor de miljoenen die gedoemd zijn te sterven van honger
of door ziekte? Moeten we zeggen dat het hun karma is en dat ze zich
er doorheen zullen moeten slaan en dat ze hopelijk in hun volgend leven
meer geluk zullen hebben? Het is duidelijk dat het hun karma is, anders
zouden ze niet in die buitengewoon moeilijke omstandigheden geboren
zijn; maar hoe kunnen wij hun karma gescheiden houden van het onze?
We zijn één mensenfamilie, en ieder van ons had
zijn aandeel in het scheppen van hun tragische lot. Is het bovendien
ook niet ons karma diep bezorgd te zijn, en waar mogelijk de
vreselijke ellende die op zoveel plaatsen op onze aarde bestaat te helpen
verzachten? Er schuilt op zijn minst enige troost in het feit dat het
geweten van de wereld ontwaakt en men gevoeliger en opmerkzamer wordt,
zodat een toenemend aantal zelfopofferende en kundige mannen en vrouwen
hun leven al in dienst stellen op dit terrein.
Velen van ons hebben echter weinig te bieden als het gaat om tastbare
hulp, hoezeer ons hart ook ernaar verlangt om te helpen. Maar er is
niemand onder ons die niet onophoudelijk kan werken aan het voorkomen
van de oorzaken van menselijk lijden – een lange reeks
van diepliggende oorzaken – die de buitensporige toestand waarin
de mensheid verkeert tot gevolg hadden. Toegegeven, het is een doel
op enorm lange termijn; maar maakt dat het iets minder urgent of belangrijk?
Weinigen van ons hebben de kalme doelbewustheid van een Marcus Aurelius.
Wij zijn gewone mannen en vrouwen, die ernaar streven het evenwicht
te bewaren in het dagelijks krachtenspel van karma en iets te begrijpen
van het hoe en waarom van onszelf en ons heelal; tegelijk willen we
de verlangens van de ziel tevredenstellen en vóór alles
het hogere goede beter dienen. Er zit zoveel scheef in de menselijke
verhoudingen overal op de wereld, dat we niet aan het gevoel kunnen
ontkomen dat het vele eeuwen in beslag zal nemen om de zaken in goede
banen te leiden; ongetwijfeld hebben we heel wat op onze karmische kerfstok
dat weer in evenwicht moet worden gebracht. Maar we moeten ook de andere
kant van het grootboek niet over het hoofd zien, de nobeler posten die
we in vorige levens hebben geboekt. Zou het kunnen zijn dat de intensiteit
van het wereldwijde en individuele lijden en de verwarring in het waarde-oordeel
evenzeer het gevolg is van een karmisch ontwaken, een stimulans uitgaande
van ons hoger zelf, als van nog onbetaalde karmische schulden?
Ongetwijfeld is het onze bestemming een leven te leiden als een gezond
geheel en niet voortdurend te worden verscheurd door angst en wanhoop.
Leed valt ons allemaal ten deel, maar, als regen voor de aarde, zou
het ons moeten voeden en tot nieuwe groei aanzetten. Er komt een dag,
in dit leven of in een ander, dat we alles wat we hebben ondergaan kunnen
zien met de ogen van de ziener die we innerlijk zijn, als een adelaar
hoog boven ons aardse karma, en we als een panoramisch visioen het totaal
van onze ervaringen van vroeger en nu kunnen waarnemen – niet
in details, maar de sfeer ervan. Dan zullen we weten dat alle
hindernissen, al het leed, lichamelijk en mentaal, en ook de dood, deel
uitmaken van het zich ontvouwende groeipatroon, dat eonen geleden in
het weefwerk van onze bestemming is geweven met het doel in de ziel
een dieper begrip te prenten, een waarachtiger liefde en zorgzame aandacht
voor allen en niet alleen voor de onzen.