U, die vandaag hebt gegeten, die de afgelopen nacht in een schoon bed
hebt geslapen, die met een druk op een knop het nieuws van de wereld
kunt zien dat zich voor uw ogen afspeelt, zult zonder twijfel diep zijn
geroerd door de ellende van hongerlijdende mensen en van dorpen waar
de oogst is mislukt. Het zien van kinderen met opgezwollen buik en uitgebluste
blik, die de vliegen niet opmerken die over hun ogen kruipen, verbijstert
ons, zelfs al missen we een deel van het beeld: we horen de zwermende
vliegen niet en ruiken evenmin de stank van bederf die er zozeer bij
hoort. We voelen ook niet echt dat we met deze mensen verwant zijn die,
net als wij, deel uitmaken van de menselijke familie; dat zij in feite
onszelf zijn, een ander aspect van ons gezamenlijke menszijn.
Als we deze dingen als kind hebben ervaren, voordat barrières
van vooroordeel en gewoonte onze blik vertroebelen, vragen we ons daarna
voortdurend af: Waarom ben ik dit en de ander dat? De tegenstelling
tussen ons leven en de onbeschrijflijke toestanden waarin de meerderheid
van de mensheid leeft, vervult ons zo met afschuw als we erover nadenken,
dat we meestal vermijden erover te denken en ons afkeren, omdat we ons
pijnlijk ervan bewust zijn dat onze verdienste verre van voldoende is
om deze ongelijkheid te rechtvaardigen. Als we de moeite nemen stil
te staan bij dit onderwerp, moeten we ook de mogelijkheid onder ogen
zien dat onze huidige situatie niet blijvend is en maar al te gemakkelijk
kan omdraaien. Wij, die nu bevoorrecht zijn (tenminste stoffelijk),
kunnen heel goed – tenzij wij voortzetting verdienen – morgen
gedwongen zijn de les van ontbering te leren.
Velen zullen reageren door te zeggen: ‘O, maar ik geloof niet
in reïncarnatie, daar is dus geen kans op.’ Kom nu, wees
eerlijk! Als u nu een van ‘hen’ was, vandaag, zou u er dan
ook zo over denken?
Een van de moeilijkste dingen om te aanvaarden is het feit dat fatsoenlijke,
vriendelijke mensen door verschrikkelijk beroerde dingen worden getroffen.
Onze directe reactie is er een van teleurstelling, teleurstelling dat
de natuur zo kan falen om evenwicht te brengen in wat voor ons een in
het oog springende tegenstrijdigheid is. We kennen allemaal de verstandelijke
uiteenzettingen van hen die moeten toezien op de spirituele noden van
hun kudde en we hebben geluisterd naar hun pogingen de ongerijmdheden
van het leven te verzoenen. Ongetwijfeld zijn er velen onder ons die
de bestaande situatie aanvaarden, omdat het ons ontbreekt aan inzicht
in het grotere geheel. Laten we eens nagaan wat de consequenties zijn
van het heersende denkklimaat waarin we leven en op welke manier dit
een weerspiegeling is van de natuurwetten die het heelal beheersen.
Ondanks alles wat we waarnemen, is er in ons allen een hardnekkig instinct
– of misschien intuïtie – dat ons erop wijst dat rechtvaardigheid
een belangrijke, of liever de belangrijkste natuurwet is; het heelal
is klaarblijkelijk een evenwichtig organisme dat net genoeg variaties
kent op zijn uniforme thema’s om het individuele organismen mogelijk
te maken vrij te handelen binnen de begrenzing van hun graad van bewustzijn,
zonder het geheel te verstoren. We voelen aan dat alles voortdurend
bezig is orde en harmonie te brengen en het verstoorde evenwicht te
herstellen. Inderdaad, als evenwicht en voortdurend herstel van evenwicht
niet de grondslag vormden, konden we op geen enkele van onze natuurwetten
vertrouwen. Overal om ons heen zien we de tekenen en duidelijke bewijzen
dat rechtvaardigheid de norm is, iets dat we redelijkerwijs verwachten,
en dat afwijkingen daarvan tijdelijk zijn.
Waar is dan de rechtvaardigheid die zulke kolossale verschillen in
het lot van de mens veroorzaakt? Waar is het evenwicht tussen zich goed
kunnen voeden en honger lijden, tussen de intellectuele sensatie van
iets te ontdekken en bijgelovige onwetendheid, tussen de vreugde die
het gevolg is van spirituele visie en de kilheid van ongeïnspireerd
materialisme? Er bestaat ongetwijfeld evenwicht, stellig is er rechtvaardigheid,
maar we zijn te kortzichtig om een glimp op te vangen van een perspectief
op langere termijn.
Er zijn zoveel soorten mensen: sommigen zijn niet ver uitgestegen boven
de dierlijke staat en worden geheel in beslag genomen door oppervlakkige
genoegens; anderen, die toch beschikken over een menselijk denkvermogen,
misbruiken hun talenten voor onwaardige doeleinden; ze zijn wreed en
ongevoelig. Als wij zien wat zij doen, vragen we ons af hoe zulke daden
ooit goedgemaakt kunnen worden; soms zien we extreme vormen van lijden
en vragen we ons af hoe zulke verschrikkingen ooit konden plaatsvinden.
Er zijn onder ons ook mensen met een grootse bestemming, wier aanwezigheid
een inspiratie is, omdat zij zelf groots zijn geworden.
Om tegemoet te komen aan de verscheidenheid van mensentypen en levensbestemmingen,
beschikt de natuur over een uitgebreid arsenaal van middelen om te voorzien
in de behoeften die elke volgende stap in de evolutie voor ieder meebrengt.
Voor ieder afzonderlijk geval zijn er passende omstandigheden. Naast
het karma dat door ieder afzonderlijk wordt teweeggebracht, hetzij door
een verdienstelijke daad of door een verborgen keuze ter wille van de
ervaring van de ziel, is iedereen onderworpen aan het karma van de groep
die hij mede samenstelt: de familie, de stam of het volk, het ras, zelfs
de mensenfamilie als geheel. Ook is er karma op elk gebied van ervaring:
stoffelijke gebeurtenissen geven stoffelijke gevolgen; emotionele beroeringen
monden uit in emotionele verstoringen die na verloop van tijd naar de
oppervlakte komen als stoffelijke gevolgen; keuzen op het gebied van
de intelligentie leiden zo tot gevolgen voor het denken die, als de
tijd daar is, ook weer aan de oppervlakte komen in de zichtbare wereld.
Het krachtigst en ingrijpendst zijn de producten van spirituele aard,
want zij doordringen de natuur en het bewustzijn en leiden tot verreikende
bestemmingen, die grotere invloedssferen omvatten dan persoonlijke verlangens.
We worden dus geboren waar we thuishoren en onder lotgenoten die met
ons bijdroegen tot de omstandigheden waartoe we nu terugkeren.
Er zal niet altijd een technologische cultuur zijn zoals die nu bestaat
en ook is die niet per se wenselijk. We kunnen niet altijd de soort
ontwikkeling verwachten die we nu hebben; andere omstandigheden kunnen
soms nuttiger zijn voor de ziel. Niet dat ontbering beslist een gunstige
toestand voor ons zou zijn, want keerpunten in het bewustzijn –
waardoor het waarnemingsvermogen groeit en het begripsvermogen zich
verruimt – kunnen volkomen los staan van stoffelijke omstandigheden;
maar onmogelijk is het ook niet. Ons innerlijke verlangen naar volkomen
begrip voert ons langs kronkelpaden van het leven, waarvan sommige stellig
door onszelf gemaakte hindernissen zijn, iets wat wij ons nu moeilijk
kunnen indenken. De ‘verschijningen die de Boeddha deden ontwaken’:
ouderdom, ziekte en dood, moeten ons zeker allen vertrouwd worden voordat
we de ervaringen van het menszijn ten volle hebben benut, maar de vorm
waarin deze zich voordoen hangt van onszelf af. Terwijl Gautama alleen
al de aanblik van het lijden in goddelijk mededogen omzette, kan het
voor grover besnaarden nodig zijn eerstehands ervaringen op te doen
in onbeschrijflijke omstandigheden, want velen van ons verbinden zich,
misschien onbewust, met het kwaad, of vergoelijken het en veroorzaken
het zelfs. Evenmin kunnen we de zeer reële mogelijkheid uitsluiten
dat we ons menigmaal onbewust met engelen hebben onderhouden, superieure
geesten van ons mensengeslacht, tot ons blijvend voordeel, en hen misschien
als we het sterk genoeg verlangen van dienst zijn.
Dit kan en zal zeker gebeuren als we onszelf op één lijn
hebben gebracht met de illustere intelligenties die ons heelal besturen,
als we eenmaal bereid en in staat zijn hen te helpen bij hun taak de
kwaliteit van onze wereld te verbeteren door deze te doordringen met
de serene en onwrikbare kracht van goddelijke liefde en goddelijk mededogen;
eens alle lijden te verzachten.
Diep in ons hart weten we dat er waarheid is en dat rechtvaardigheid
in de natuur overheerst; we voelen intuïtief dat deugd beloond
zal worden en dat onrecht moet worden hersteld. Maar we willen het zien
gebeuren, nu, onmiddellijk. Het is ons gebrek aan inzicht in de lange
reeks van oorzaken die tot het verre verleden teruggaat die ons ongeduld
veroorzaakt. De natuur werkt gestadig langs lijnen van de minste weerstand.
Er moet heel wat gebeuren voordat het volmaakt symmetrische hoogtepunt
van een reeks universele gebeurtenissen is bereikt en de cirkel zich
sluit, alle handelingen zijn geneutraliseerd, en alle levende wezens
in een goddelijk volmaakt evenwicht zijn gebracht.