Was het vooraf bekend dat er omstreeks het begin van het christelijke
tijdperk een neerwaartse culturele cyclus in aantocht was en dat een
vastberaden poging uit een spirituele bron zou moeten worden gedaan
om daarin enig licht te laten schijnen? Daar lijkt het wel op, als we
zien dat er in die tijd een aantal nieuwe bewegingen ontstonden en nieuw
leven werd geblazen in vroegere pogingen, zoals de orfische, die haar
oorsprong vond in het oude Griekenland en in de Romeinse tijden herleefde.
Onder de verschillende stromingen van theosofisch denken in het spirituele
leven van die tijd, waren er drie die steunden op de Alexandrijnse bibliotheek.
Dat waren: 1) het neoplatonisme, een poging om de essentie van Plato’s
filosofie te doen herleven; 2) het gnosticisme, dat gebruik maakte van
de hermetische documenten die we nu kennen als de Corpus Hermeticum*;
en 3) de poging om in de christelijke geschriften een filosofie in te
voeren (zie het Evangelie van Johannes). Bovendien studeerde
in het begin van de eerste eeuw n.Chr. Philo Judaeus (Philo van Alexandrië)
in de bibliotheek, waar hij zo werd aangetrokken door de geschriften
en gedachten van Plato, dat zijn eigen werken bekend werden als Hellenistisch
judaïsme en een sterke invloed hadden op zowel de eerste Alexandrijnse
christenen als de neoplatonisten.
*Deze geschriften zijn waarschijnlijk Alexandrijnse vertalingen
van zeer oude Egyptische gedachten.
De bibliotheek in Alexandrië werd gesticht door Ptolemaeus II
Philadelphos, ‘de minnaar der mensheid’, rond de
collectie van zijn vader Ptolemaeus I Soter, ‘de Redder’,
beschermer van Egypte, die de eerste in Griekenland geboren farao werd.
Philadelphos maakte de bibliotheek en haar groei tot zijn levensdoel;
hij verzamelde de knapste geleerden uit het land om er te werken, goede
kopieën te bemachtigen van alle beschikbare boeken die de moeite
waard waren, en werken in vreemde talen in het Alexandrijns-Grieks te
vertalen,
Men neemt aan dat het woord theosophia, dat ‘goddelijke
wijsheid’ betekent, in de derde eeuw n.Chr. voor het eerst in
Alexandrië door Ammonius Saccas werd gebruikt om te omschrijven
wat volgens hem de essentie was van de voornaamste godsdiensten van
zijn tijd, en zijn leer werd later bekend als het ‘eclectische
theosofische stelsel’.
Ammonius Saccas heeft niets op schrift nagelaten, maar dankzij zijn
leerlingen, voornamelijk Plotinus, gingen zijn werk en leringen niet
verloren. In zijn school stond hij op strikte morele discipline, gebaseerd
op een levenswijze die in overeenstemming was met de wetten van de natuur;
hij was ook een voorstander van het oefenen en zuiveren van het denken
door meditatie.
Het was de wens en het doel van Ammonius om alle
sekten, volkeren en landen tot elkaar te brengen in één
algemeen geloof – een geloof in één verheven,
eeuwige, ongekende en naamloze Kracht, die het heelal beheerst door
onveranderlijke en eeuwige wetten. Hij wilde aantonen dat er een oorspronkelijk
theosofisch stelsel bestond, dat in het begin in alle landen in wezen
gelijk was; verder wilde hij alle mensen ertoe bewegen hun ruzies
en strijd te beëindigen en zich te verenigen in doel en gedachte
als kinderen van één gemeenschappelijke moeder; . .
. . zijn voornaamste doel, waarmee, naar hij geloofde, alle andere
zouden kunnen worden bereikt, was om aan de verschillende religieuze
leringen, als aan een veelsnarig instrument, één volle
en harmonieuze melodie te ontlokken, die weerklank zou vinden in ieder
waarheidlievend hart.1
De werkelijke stichter van het neoplatonisme, het nieuwe of herleefde
platonisme, was Ammonius, hoewel de school meestal wordt toegeschreven
aan Plotinus, die de meest vooraanstaande van zijn leerlingen was; anderen
waren Origenes, Herennius en Longinus. Tot voor kort waren westerse
filosofen geneigd het neoplatonisme te zien als een verdraaiing van
wat Plato leerde; ze gingen ervan uit dat de Alexandrijnen passages
uit de werken van Plato uit hun verband hadden gehaald en een fantastisch
bouwwerk van ideeën construeerden, die niets te maken hadden met
die van de Academie in Athene. Sommige hedendaagse filosofen hebben
echter in de oude literatuur aanwijzingen gevonden van een ‘ongeschreven
filosofie’, die Plato deelde met enkele uitverkoren studenten.2
Misschien ligt de grootste moeilijkheid wel in het gebrek aan inzicht
in de rol die de mysteriescholen hebben gespeeld in de bloeitijd van
de Griekse cultuur.
De theosofie van het neoplatonisme, zoals die door Plotinus tot uitdrukking
werd gebracht, is tot ons gekomen in een reeks verhandelingen, de Enneaden
of ‘Muzen’ genaamd, die werden samengesteld door zijn leerling
Porphyrius.3 De emanatie van wezens uit
het oneindige of het absolute werd voorgesteld als drie hypostasen,
d.w.z. drie aspecten van het goddelijke of de godheid: 1) het bovenzinnelijke
Ene, ‘het beginsel van het heelal’, waaraan geen eigenschap
kan worden toegekend; dan 2) Zijn eerste emanatie ‘nous, of goddelijk
denkvermogen, of goddelijk intellect’ – in de platonische
filosofie het hogere denkvermogen of de spirituele pool in de mensheid
zowel als in de kosmos, en tenslotte 3) de ‘al-ziel’, soms
logos genoemd, tweevoudig in haar openbaring: de ‘hemelse ziel’,
opziend naar het goddelijk denkvermogen, en de lagere of ‘verwekkende
ziel’ die de stoffelijke wereld voortbrengt.
Plotinus zag de mens als een miniatuur heelal, een replica van het
grote, die ernaar streeft zich weer met het goddelijke te verenigen
door ‘onszelf één uit onze veelheid’ te maken.
Niet alleen is de eerste emanatie uit het Ene het intellectuele beginsel
(nous), maar ‘licht is zichtbaar door licht: het intellectuele
beginsel ziet zichzelf; en dit licht dat de ziel beschijnt verlicht
haar’ (Enneaden, 5:3:8, vert. Preller-Ritter). Dit ‘licht’
is niet zijn stoffelijke manifestatie, zoals we die op aarde waarnemen,
maar een spirituele essentie die licht werpt op het wezen van het Zijn.
Wat de ziel betreft, stelde Plotinus dat deze was neergedaald in het
generatieve of stoffelijke bestaan om het wezen daarvan te ervaren;
daarna keert ze gezuiverd terug naar de oorspronkelijke bron in de spirituele
en goddelijke gebieden van het Zijn. Opgenomen te blijven in
materiële verwikkelingen, werd gezien als een vernedering van de
ziel, waarvan ze zich moest bevrijden. In het hoofdstuk ‘Problemen
van de ziel’ zinspeelt hij op de behoefte van de ziel aan materie
en de behoefte van de materie aan de ziel; beide helpen elkaar in overeenstemming
met een ‘wet van noodzakelijkheid’, en de zielen volgen
hun eigen weg en worden magnetisch aangetrokken tot het stoffelijke
bestaan, terwijl de stof ‘streeft’ of verlangt naar de geest.
Maar. . ,
De zielen van de mensen die als het ware hun beeltenis
zagen in de spiegel van Dionysus, zijn dat gebied binnengegaan door
een sprong omlaag vanuit het Allerhoogste: maar zelfs zij zijn niet
afgesneden van hun oorsprong, van het goddelijke intellect; het is
niet zo dat zij bij hun komst het intellectuele beginsel hebben meegesleurd
in hun val: maar hun hoger deel, ofschoon zij zelfs tot de aarde zijn
afgedaald, blijft voor altijd boven de hemelen. –
4:3:12
Voor Plotinus betekende ‘zuivering’ het scheiden van de
intellectuele ziel van de lichamelijke ziel en van het lichaam (5:3:9).
Dit loopt parallel met een opvatting in de Indiase filosofie, die stelt
dat de lagere pool van het denken een verbinding heeft met de hogere,
en ook met de meer stoffelijke aspecten van de mens. Het komt ook overeen
met de suggestie van Paulus, dat de ziel de schakel vormt tussen lichaam
en geest. Volgens Plotinus is onze opgave in het leven niet alleen het
kwade uit ons karakter te bannen, maar om goed te worden, niet slechts
‘foutloos, maar God te zijn’.
We kunnen de theosofie van Ammonius, zoals die door Plotinus is doorgegeven,
als volgt samenvatten: 1) het Ene, dat boven alle bestaan en beschrijving
uitgaat; 2) de ideeën, d.w.z. de spirituele prototypen of essenties
van de wezens; 3) de vormen (of bovenzinnelijke aspecten van de entiteiten)
in het goddelijk denkvermogen; 4) de kosmos, tot leven gebracht, in
stand gehouden en geleid door de wereldziel of logos; en 5) de essentiële
aard van de mens als een intelligente geest (tijdelijk gehuisvest in
een stoffelijk, aards, lichaam), wiens enig doel is zijn weg terug te
vinden naar de goddelijke wereld waar hij thuishoort. Het voetspoor
van Ammonius volgend, probeerde Plotinus zijn leerlingen te inspireren
tot het ontdekken van hun werkelijke aard, en hen uit de beperkingen
van hun dagelijks zelf te leiden naar de ware bron van het leven.
Deze ware bron van het leven, waarnaar wordt verwezen, vormt de grondslag
van de nadruk die de hedendaagse theosofie legt op de broederschap van
de mensheid en van alle andere bewoners van onze aarde. De gezamenlijke
oorsprong, het feit dat ieder put uit universele energieën en intelligentie,
zoals die worden geleid via de planeet als een biosfeer, maakt ons allen
verwant. Met andere woorden, wat wij belichamen delen we en wisselen
we voortdurend uit met anderen, en door dat te doen zijn we verantwoordelijk
voor elkaar en voor de harmonieuze ontwikkeling van het hele organisme,
waarvan wij als het ware de cellen zijn. De broederlijke verbondenheid
van de mensheid met de andere bewoners van de aardbol, is daarom meer
dan een op sentimenten gebaseerde leus.
Om het stelsel van Plotinus en de hedendaagse theosofie in enkele woorden
samen te vatten: alles draait om het goddelijke, geest, ziel en lichaam,
en de verschillen die men waarneemt vinden hun oorzaak in de verhouding
tussen wat tot de grote kosmos behoort en wat tot de kleine of microkosmos
– de mens. Het fundamentele punt is de identiteit van het goddelijke
in de mens met het goddelijke in het grote universum of de macrokosmos.
De neoplatonische school in Alexandrië bloeide tot 415 n.Chr.,
toen Cyrillus, de bisschop van Alexandrië, een groep van zijn monniken
opstookte om de grote neoplatonist Hypatia aan te vallen en te doden.
Ondanks het feit dat Origenes de vrijzinnige humane leringen van Ammonius
in het christendom had ingevoerd, het had ‘geneoplatoniseerd’,
om een woord te smeden, nam die invloed snel af. Na de vijfde eeuw bleef
de stroom van inspiratie doorvloeien, zij het grotendeels langs verborgen
kanalen, maar soms ook openlijk erkend. De laatste van de grote figuren
uit deze beweging was Proclus, die evenals Plotinus drie eeuwen vóór
hem, door zijn tijdgenoten werd betiteld als de ‘gereïncarneerde
Plato’. Dat was misschien eerder bedoeld als een bewijs van waardering
dan als een werkelijk feit.
Na bijna acht eeuwen kreeg de Alexandrijnse traditie de genadeslag
door de vernietiging van de bibliotheek en haar museum, maar de geest
die de filosofen had geïnspireerd, breidde zich uit naar andere
plaatsen, zoals b.v. Byzantium. Hij bloeide op in de Platonische Academie,
die in Florence werd gesticht door De Medici, waardoor Ficino de gelegenheid
kreeg de platonische teksten uit te geven die vele eeuwen lang niet
meer beschikbaar waren, en waardoor grote kunstenaars zoals Michelangelo
en Da Vinci werden geïnspireerd. Eeuwen later oefenden de platonisten
van Cambridge grote invloed uit op de Engelse humanistische tradities,
wat leidde tot het werk van Thomas Taylor in de achttiende en het begin
van de negentiende eeuw, dat op zijn beurt weer een stimulans werd voor
William Blake, Shelley, en andere vooraanstaande dichters. Er zou veel
meer kunnen worden gezegd, maar de kracht van de neoplatonische traditie
wordt waarschijnlijk het best samengevat als het besef van het goddelijke
in de kosmos en in het zelf van alle wezens.
Verwijzingen en opmerkingen
- H.P. Blavatsky, ‘Wat is Theosofie?’ in
The Theosophist, deel 1, oktober 1879, blz. 2-3. Zie ook,
H.P. Blavatsky, De Sleutel tot de Theosofie, blz. 1-14).
- Philip Merlan, From Platonism to Neoplatonism,
Martinus Nijhoff, Den Haag, 1953, steunt de opvatting van een ‘ongeschreven
platonisme’. Hij vindt in de geschriften van Plato en diens
tijdgenoten bewijzen voor opvattingen die centraal staan bij de Alexandrijnen.
Zie ook J.N. Findlay, Plato: The Written and Unwritten Doctrines,
Routledge & Kegan Paul, 1974. Prof. Findlay vraagt om een nieuwe
interpretatie van de platonische geschriften.
Veda Cobb-Stevens, ‘Perception, Appearance, and Kinesis: The
secret Doctrine in Plato’s Theaetetus’, voordruk van stellingen,
gepubliceerd door de Society for Ancient Greek Philosophy, 1983.
- 3. Plotinus: The Ethical Treatises, Deel
1 van de Enneaden, vertaald door Stephen MacKenna; het gehele
werk in 5 delen herdrukt van de eerste editie: The Medici Society,
Londen, 1917-30.