Er bestaat een oude traditie die teruggaat tot ver voor de ons bekende
geschiedenis. Ze handelt over zich manifesterende universa en levende
werelden van wezens en de relatie van de mens daarmee – een filosofie
met een enorme reikwijdte, die de ervaringen van de grootste geesten
te boven gaat. Die traditie heeft ook een geheime kant, en zij die menen
dat dit verborgen deel kan worden gevonden door alleen te zoeken naar
een filosofie voor het intellect of door te streven naar fysieke of
psychische vermogens, vergissen zich, want het heeft te maken met de
spirituele ontplooiing van de mens, en met liefde en vergevensgezindheid.
In de natuurlijke orde van de evolutie zullen alle mensen op den duur
deze manier van leven zoeken door een weg van ontwaken te volgen die
ouder is dan alles wat we kennen.
H.P. Blavatsky wees voortdurend op deze verborgen kant van de oude
traditie en herinnerde ons ook aan de bijna onbegrensde filosofische
leringen over de mens en de kosmos. Zij maakte de wereld attent op deze
lang begraven waarheden en toonde aan dat ze van direct belang zijn
voor het pad dat de evoluerende mensheid moet volgen. Een belangrijk
deel van haar nalatenschap ligt in de leringen die in haar geschriften
zijn uiteengezet. We lezen over karma, reïncarnatie, de geschiedenis
van de mensenrassen, de reis van de ziel na de dood, en de samenstelling
van de uiterlijke en innerlijke natuur van de mens en van de kosmos
waarin hij leeft. Ze beschreef de twee paden die leiden tot de bewustwording
van het spirituele Zelf: waarvan het ene als spiritueel zelfzuchtig
wordt beschouwd omdat het tot doel heeft de bevrijding van het eigen
zelf uit deze wereld van leed; en het andere pad wordt gevolgd door
hen die de mogelijkheid nirvana binnen te gaan opgeven om onder de mensen
te blijven en te werken voor de verlichting van allen – ‘uitgesteld
geluk’, zoals HPB zegt in De Stem van de Stilte.
Haar geschriften herinneren ons ook eraan dat er geen dood bestaat
in de zin zoals wij erover spreken. Er is alleen sprake van een afleggen
van vormen, die bij een volgende geboorte opnieuw worden geschapen.
Ze wijst op evolutie als de ontplooiing van de latente eigenschappen
van bewustzijn in het ego op zijn onvoorstelbare reis door de rijken
van het leven. ‘In het begin’, toen onze aarde of zon of
kosmos – welke daarvan we ook willen beschouwen – de openbaring
in de stof begon, werden ontelbare lagere levens tot activiteit gewekt,
en de vormen die zij bouwden, leken uit licht te bestaan, zo etherisch
was de stof in die tijd. Met het verstrijken van de eeuwen werd deze
schepping steeds stoffelijker, totdat tenslotte de wereld verscheen
zoals we die nu zien. De mensheid is één groep uit verscheidene
reeksen van wezens – die innerlijk een weerspiegeling zijn van
de ene oorspronkelijke Oorzaak – die óf in het verleden
menselijk zijn geweest, óf in de toekomst menselijk zullen worden
als de tijd daar is. We zijn het product van deze spirituele evolutie
en hebben een schitterende toekomst voor ons als alle mensen verlicht
zullen zijn en ons ras in broederschap zal samenleven als het natuurlijke
resultaat van de evoluerende, vooruitgaande natuur.
De waarheid heeft natuurlijk altijd bestaan, maar er was een tijd,
miljoenen jaren geleden, waarin de mensheid niet mentaal bewust was
en weinig verschilde van de dieren. Toen zich voertuigen hadden ontwikkeld
die geschikt waren voor gedachten en het gebruik van de wil, werd het
denkvermogen gestimuleerd en het vuur daarvan ontstoken. Zelfs in die
tijd waren er leden van de mensheid die de norm van ontwikkeling ver
vooruit waren en die intellectueel en spiritueel waren ontwaakt. Er
hadden zich toen ook wezens belichaamd uit rijken hoger dan het onze
en zij waren het die, samen met de verstgevorderden van de mensheid,
ons denkvermogen stimuleerden, ongeveer op dezelfde wijze als wij het
denken van onze kinderen wekken. Deze hogere, meer spirituele wezens,
trokken zich terug toen ons pas zelfbewust geworden ras zich in stoffelijke
richting keerde op de neergaande boog van de cyclus. Vertegenwoordigers
van de lichtbrengers bestaan nu nog als groep, en zij zijn de bewaarders
van de oude traditie van ons ras. Het is vanuit deze groep dat deze
waarheden iedere eeuw in een nieuwe vorm worden geopenbaard.
Helena Petrovna Blavatsky zelf was een ongewone en merkwaardige persoonlijkheid.
Ze werd in 1831 in Ekaterinoslav aan de Dnjepr, in de Oekraïne,
geboren. Haar vader was kolonel in het Russische leger. Haar moeder
stierf vroeg en als zij niet bij haar vader was, hield haar grootmoeder,
prinses Helena Pavlovna Dolgorukov toezicht op haar opvoeding. Ze trouwde
heel jong met Nikifor Blavatsky, die veel ouder was dan zij, maar liep
weg voordat van een werkelijk huwelijk sprake was. In de volgende 25
jaar maakte ze grote reizen over de hele wereld. In 1873 kwam zij naar
de Verenigde Staten en stichtte twee jaar later The Theosophical Society
in New York. In december 1878 vertrok ze uit de Verenigde Staten naar
India, waar ze iets langer dan zes jaar bleef. Vandaar reisde ze naar
Europa en stierf in Londen op 8 mei 1891.
H.P. Blavatsky was een heel sensitief persoon met een natuurlijke,
ongewoon grote psychische aanleg, maar dat was de meer materiële
kant van haar natuur. Haar grote werken geven blijk van een opmerkelijk
spiritueel inzicht in de filosofieën en religies van de wereld.
Als haar geschriften naast elkaar zouden worden gezet, dan zouden haar
boeken, artikelen en andere literaire werken uit de Verenigde Staten,
Europa, Engeland, India en Rusland een flinke boekenplank vullen, om
niet te spreken over haar talrijke ongepubliceerde brieven. Alles werd
met de hand geschreven in een periode van ongeveer 17 jaar. Isis
Ontsluierd, haar eerste grote werk, werd in 1877 in twee delen
uitgegeven. Hierin wijst ze op het bestaan van de oude wijsheidsleringen,
maar geeft weinig verklaringen ervan. Ze valt de heersende meningen
aan op het gebied van wetenschap en religie, om hun bekrompen en materialistische
aard. Haar volgende werk, De
Geheime Leer, gedrukt in 1888, ook in twee delen, bespreekt
de geboorte, evolutie en bestemming van mens en kosmos; ze put uit de
religies en filosofieën van de wereld om aan te tonen dat deze
universele ideeën altijd hebben bestaan. In 1889 schreef zij De
Sleutel tot de Theosofie, in vraag-en-antwoord vorm, waarin
ze de beginselen en leringen van de theosofie en de doeleinden van The
Theosophical Society schetste. In hetzelfde jaar gaf zij haar laatste
werk uit, De Stem van de
Stilte. Het is een klein boekje, maar even belangrijk als een
van haar grotere werken. Hierin spreekt ze over de stille stem in de
mens en wijst ze de weg aan hoe die kan worden ontdekt. Ze schildert
de twee paden die de zoeker kan gaan; het ene, dat spirituele vervulling
brengt alleen voor hemzelf, en het andere waarop afstand wordt gedaan
van de beloning van nirvana, ter wille van allen die hun spirituele
weg nog niet hebben gevonden.
The Theosophical Society werd gesticht om in de wereld het voertuig
te zijn voor de theosofie, hoewel in de huidige of vroegere constituties
het woord ‘theosofie’ niet voorkomt. Het was en is niet
de bedoeling een vast stelsel van leringen te geven waarin theosofen
moeten geloven; aanvaarding van het beginsel van universele broederschap
is de enige voorwaarde voor het lidmaatschap van de Society –
een broederschap die niet alleen de hele mensheid omvat, maar alle levende
wezens. De erkenning en het in praktijk brengen van universele broederschap
is het belangrijkste doel van de Society, en het is een doel dat mensen
van nagenoeg alle religieuze richtingen kunnen onderschrijven. De leden
zijn vrij om slechts die leringen te accepteren die ze als waar herkennen;
naarmate hun bewustzijn zich verdiept, zal hun begrip groeien.
Een ander doeleinde is de studie van oude en moderne wetenschappen,
filosofieën en religies. Bij deze studie wordt men zich al gauw
bewust van de gouden draden van de theosofische traditie die door alle
culturen en geloven heen lopen. Het laatste doeleinde is het onderzoek
van de ingeboren vermogens van de mens. Als alleen dit echter beoefend
wordt, raken we gemakkelijk, en in het gunstigste geval, op het pad
van spirituele trots en zelfzucht. Maar als dit streven wordt ondernomen
in vereniging met een eerlijk geloof in universele broederschap, schijnt
het licht van altruïsme op onze motieven en volgen we het onzelfzuchtige
pad. Deze doeleinden zijn theosofie, zonder dat ze als zodanig worden
genoemd.
Hoewel het aantal jaren dat H.P. Blavatsky met de Society doorbracht
relatief gering is, leeft haar nalatenschap voort. Niet alleen maken
haar geschriften ons weer bewust van die grootse kennis die miljoenen
jaren geleden aan de ontwakende mensheid werd gegeven, maar meer dan
iets anders roepen haar toewijding aan de waarheid en haar meedogende
liefde voor de hele mensheid, de herinnering op aan oude geloften ons
leven in dienst te stellen van het edelste in de mens. Dat is vanzelfsprekend
het meest edele, spirituele pad.