*Lezing gehouden op de Nigeriaanse Theosofische Conferentie
op 5 april 1980 in Asaba, Bendel Staat, Nigeria.
Het doet me genoegen deze lezing over theosofie te mogen houden –
niet dat ik in enig opzicht kundiger in deze materie ben dan anderen,
maar omdat het, door de afwezigheid van dogmatisme en starheid in de
theosofie, noodzakelijk en nuttig is dat bestudeerders over de hele
wereld verdraagzaam en flexibel genoeg zijn om bepaalde fundamentele
ideeën en beginselen van dit veelomvattende onderwerp met elkaar
uit te wisselen,
Eenvoudig geformuleerd is theosofia of ‘goddelijke wijsheid’
de kennis van goddelijke zaken die de kosmos en de mens betreffen, een
uiting van het goddelijke, voor ons bereikbaar door directe spirituele
waarneming of door studie en filosofische overdenking, of door een samengaan
van het denken en de intuïtie. Ze bestaat sinds onheuglijke tijden
en biedt ons een theorie over de natuur en het leven die is gebaseerd
op de kennis die door wijzen uit het verleden is vergaard. Haar verst
gevorderde bestudeerders zeggen dat deze kennis niet is bedacht of afgeleid,
maar dat ze de kennis van natuurfeiten betreft, gezien en begrepen door
hen die bereid zijn de discipline en training te ondergaan die nodig
zijn om ze te zien en te begrijpen. Als de oudste traditie van menselijke
wijsheid, is de theosofie in verschillende eeuwen onder woorden gebracht
door zulke grote en nobele zielen als Krishna en Boeddha, Zarathoestra
of Zoroaster, en Jezus. In navolging van deze leraren hebben zwakkere
stemmen dan de hunne de hoofdleer bewaard, namelijk de onsterfelijkheid
van de geest-ziel door cyclische wederbelichaming. Grote denkers als
Bruno, Van Helmont, Goethe, Schopenhauer, Shelley, Kipling, Masefield,
Emerson en Whitman, om er maar enkele te noemen, hebben allen de leer
van reïncarnatie bevestigd. De volle filosofische betekenis ervan
werd aan het Westen duidelijk gemaakt door H.P. Blavatsky, stichtster
van de Theosophical Society in 1875.
Het is goed om te benadrukken dat de theosofie niet een geloof of een
geloofsstelsel is, want geloven kunnen veranderen; maar omdat het de
kennis is van de natuurwetten, die ieder mens zich eigen kan maken,
is zij niet afhankelijk van dogma’s of openbaringen, die men moet
aannemen op straffe van veroordeling. Noch H.P. Blavatsky noch haar
leraren eisten ooit de aanvaarding van de theosofie. Zij wezen op de
grondbeginselen en de toepassing ervan. Het is waar dat de theosofie
bepaalde uitspraken doet, bepaalde filosofische ideeën schetst,
maar niet als een dogma waarin men zonder vragen of wetenschappelijk
onderzoek moet geloven; het doel van de theosofie is de mens te leren
wat hij is door hem ervan te overtuigen dat hij zelf moet onderzoeken
en zijn eigen autoriteit moet worden. Anderzijds is een godsdienst die
geheel afhangt van een veronderstelde openbaring, die zich afwendt van
de wetten die ons regeren, en slechts wordt overgedragen, een vijand
van de vooruitgang en een hinderpaal op de weg van de menselijke evolutionaire
vooruitgang.
Op het eerste gezicht lijkt het misschien alsof de theosofie alleen
religie omvat, maar zij laat de wetenschap of de filosofie niet links
liggen. We kunnen haar de wetenschap der wetenschappen noemen, want
zij bestrijkt elk deel van de natuur, zichtbaar en onzichtbaar. Omdat
ze zowel het wetenschappelijke als het religieuze omvat, zou de theosofie
een wetenschappelijke religie en een religieuze wetenschap genoemd kunnen
worden. Ze is ook filosofie, want ze houdt zich bezig met de onveranderlijke
oorzaken achter de steeds wisselende verschijningsvormen. De theosofie
biedt geen nieuwe ethiek, want ze gaat ervan uit dat de ware ethiek
altijd dezelfde is en dat men in haar leringen de filosofische en redelijke
grondslagen voor de ethica moet kunnen vinden, en tevens hoe ze op natuurlijke
wijze in het dagelijks leven tot uitdrukking kunnen worden gebracht.
Wat zijn haar leringen? De theosofie wordt het best verklaard door
te verwijzen naar drie grote beginselen of fundamentele denkbeelden,
die aan het gehele leven ten grondslag liggen en ook aan iedere religie
en iedere filosofie die er ooit was of zal zijn. Toegepast op de mensheid,
kunnen ze in het kort worden genoemd: ten eerste, het Zelf, als de werkelijkheid
in de mens; ten tweede, de wet van ritmische of cyclische vooruitgang,
als het proces waardoor de mens evolueert, zowel wat zijn vorm als zijn
ziel betreft; ten derde, evolutie als het plan of patroon van het leven
met het oog op de zin en het doel ervan.
Welnu, wat het eerste fundamentele denkbeeld, het Zelf of de bron van
het Zijn betreft, hebben de grote theosofen van vroeger en nu verklaard
dat er één oneindig beginsel is, dat de oorzaak is van
alles wat was, is, en zal zijn. Dat oorzakelijke Zelf, de enige ware
godheid, kan daarom in geen enkel punt in de ruimte afwezig zijn, en
wij zijn er niet van te scheiden. Ieder van ons is een straal van en
één met dat absolute beginsel: dit besef alleen al brengt
onmiddellijk harmonie in ons denken. Achter alle waarnemingen, kennis
en ervaringen staat het ene onloochenbare Zelf. Het vermogen in ons
om waar te nemen, te weten en te ervaren, los van alles wat we zien,
kennen of ervaren, het vermogen dat ieder wezen heeft, is het ene Zelf,
het ene Bewustzijn waaraan wij allen gelijkelijk deelhebben. Dit vormt
de ware grondslag van universele broederschap tussen alle volkeren en
landen en de band die alle wezens, zowel boven als beneden de mens,
verbindt.
Nu de tweede fundamentele gedachte: dat is de universele wet van de
zich herhalende cyclussen of de periodieke dood en vernieuwing in de
natuur en haar voortdurende drang het evenwicht te herstellen. Toegepast
op het morele leven van de mens, wordt dit tweede grote beginsel ervaren
als karma, of oorzaak en gevolg, en reïncarnatie. Karma, de leer
van verantwoordelijkheid, betekent dat wat een mens zaait hij ook zal
oogsten; het is de ethische wet van oorzaak en gevolg, de oorzaak van
geboorte en wedergeboorte. Eenvoudig gezegd is karma het gevolg dat
voortvloeit uit een oorzaak, reactie op iedere actie, het juiste resultaat
van iedere gedachte en daad. Omdat de theosofie het heelal ziet als
een intelligent geheel, is iedere beweging in het heelal een werking
die tot gevolgen leidt, die zelf weer de oorzaak worden voor verdere
gevolgen. We oogsten allen wat we hebben gezaaid, individueel en gezamenlijk.
We denken misschien dat we alléén handelen, maar onze
gedachten en daden beïnvloeden altijd anderen ten goede of ten
kwade en we ondergaan de noodzakelijke reactie van de oorzaken die we
zelf in beweging hebben gezet. Dat houdt voor ons de gedachte in van
absolute rechtvaardigheid, omdat wat ieder wezen ontvangt, moreel en
stoffelijk, in overeenstemming is met wat hij geeft.
Het andere aspect van de wet van cyclussen, en onverbrekelijk met karma
verbonden, is reïncarnatie. Dit betekent dat de mens als een denkend
wezen, dat bestaat uit ziel, verstand en geest, het ene lichaam na het
andere lichaam bewoont, in leven na leven op aarde, het toneel van zijn
evolutie, waar hij overeenkomstig de wetten van zijn wezen die evolutie
moet voltooien als die eenmaal is ingezet. Kennis van reïncarnatie
en karma bant de angst voor en het verdriet om de dood uit: zoals we
in de slaap bevrijd zijn van het lichaam en dromen, zo is de dood een
volledige bevrijding, waarna we een gelukkige droomwereld binnengaan
die we onszelf scheppen. Dan incarneren we na honderden of misschien
duizenden jaren in een nieuw lichaam op aarde. We komen opnieuw in wat
we het bewuste bestaan noemen en ontmoeten telkens weer de verschillende
ego’s die we in vorige geboorten hebben gekend, zodat de oorzaken
die we in hun aanwezigheid hebben gelegd, kunnen uitwerken. In ieder
leven zijn we aan anderen bekend als een persoonlijkheid, maar in de
eeuwige duur is ieder van ons een individualiteit, die zijn innerlijke
identiteit ervaart, los van naam, vorm of herinnering. Ons fysieke lichaam
is slechts het omhulsel van de werkelijke mens, gemaakt van het stof
van de aarde uit de drie lagere rijken – het delfstoffen-, planten-
en dierenrijk – dat voortdurend slijt en zich van dag tot dag
vernieuwt. De mens zelf is die onzichtbare entiteit die het lichaam
bewoont en die de oorzaak is van zijn tegenwoordige samenstelling uit
lagere bewustzijnsvormen. Het lichaam is slechts één instrument
van de innerlijke mens. Andere zijn de psychische, mentale en spiritueel-intuïtieve
instrumenten, die alle bestaan uit intelligente levens; wanneer het
leidende wezen zich bij de dood terugtrekt, gaan de instrumenten en
levens hun eigen weg, om later weer te worden herenigd.
Samenvattend kunnen we zeggen, dat de leer van karma of verantwoordelijkheid,
die inhoudt dat een mens alleen oogst wat hij in het leven aan gedachten
en daden zaait, en de leer van reïncarnatie of hoop, wat wil zeggen
dat wat een mens ook oogst, hij toch zijn vrije wil kan gebruiken om
betere zaden te zaaien – samen de basis leggen voor een levensfilosofie.
Niet alleen verklaren ze het leven en de natuur, maar zij vormen een
onmisbaar deel van de evolutie, want de evolutie zou zich niet kunnen
voltrekken zonder wederbelichaming of cyclische vernieuwing en de wet
van karma. Lijden kan een verborgen zegen zijn omdat het ons de mogelijkheid
biedt in het leven nuttige lessen te leren.