Ieder volk bezit overleveringen over ouderen, verder gevorderde mensen,
die de bewaarders zijn van de waarheden omtrent de mens en de hemelse
en aardse sferen waaraan hij zijn leven ontleent: waarheden die van
generatie op generatie zijn doorgegeven aan hen die ze uitsluitend gebruiken
voor het welzijn van de mensheid en van alle natuurrijken. Men zegt
dat deze groep van wijzen nog steeds bestaat als een broederschap van
adepten of meesters; en al wordt de rol die zij spelen maar weinig begrepen,
hun taak als behoeders van de waarheid en van de mensheid is even natuurlijk
als die van ouders en onderwijzers voor kinderen.
Er is een legende, dat de 14de-eeuwse spirituele hervormer van Tibet,
Tsong-kha-pa, erop aandrong dat er een poging moest worden gedaan om
‘iedere eeuw, in een bepaalde periode van de cyclus, de wereld
te verlichten, ook de ‘blanke barbaren’.’ Afgezien
van de weinige bekende verlichte geesten die, verspreid over Europa,
onvermoeibaar werkten om in het christendom de heilige vlam van onafhankelijk
denken brandende te houden, is het moeilijk zich een voorstelling te
vormen van de omvang van hun vergeestelijkende invloed gedurende de
15de tot en met de 18de eeuw. De 19de eeuw was echter getuige van een
radicale omwenteling in het normbesef, want niet alleen werden theologen
en wetenschappers in een bitter conflict gewikkeld nadat Lyell de geologische
bewijzen had geleverd voor de hoge ouderdom van de aarde en Darwin zijn
theorieën bekendmaakte over de geleidelijke ontwikkeling van soorten,
van een protozoön tot homo sapiens, maar de archeologie verruimde
ook ons beeld van de spirituele geschiedenis van de mens door de ontdekking
van een schitterende Egyptische beschaving en een Babylonisch verhaal
over Noach en de zondvloed, dat in ouderdom het bijbelverhaal overtrof.
Bovendien begon het Oosten, dat tot de jaren tachtig van de 18de eeuw
een gesloten boek was geweest, nu met zijn rijke filosofische schatten
het westerse denken te bevrijden.
Het wereldbewustzijn was rijp voor verandering: aan de ene kant belemmerde
het heersende materialisme in de theologie zowel als de wetenschap het
vrije onderzoek, en aan de andere kant raakten veel mensen, die vurig
verlangden naar het geloof in onsterfelijkheid van de ziel, in de ban
van het dwaallicht van de spiritistische verschijnselen. Er was dringend
behoefte aan een kosmische visie op de mens en zijn rol in het universele
plan, een visie die het vertrouwen in de goddelijke wet zou herstellen
en die een verklaring zou geven van de wrede onrechtvaardigheden van
het aardse bestaan. H.P. Blavatsky, een vrouw met buitengewone gaven,
die zich onbevreesd in dienst stelde van de waarheid en zich wijdde
aan het wegnemen van de oorzaken van menselijk lijden, werd de woordvoerster
van de moderne theosofische beweging die onder meer tot doel had een
kern van mensen te vormen die zich wijdden aan de bevordering van een
broederschap der mensheid, de vergelijkende studie van religies, filosofieën,
wetenschappen en mythologieën en het onderzoek van de innerlijke
vermogens van de mens.
Het woord ‘theosofie’ werd gekozen, zowel voor de leringen
die H.P. Blavatsky zou schetsen, als voor de Society die deze leringen
zou gaan verspreiden, omdat deze term al vele eeuwen gebruikt werd voor
verschillende filosofische scholen, zoals de stoïcijnse, gnostische,
neoplatonische, soefi en kabbalistische. Deze gaan ervan uit –
in tegenstelling tot de geopenbaarde religies, het jodendom,
het christendom en de islam – dat het heelal en al zijn monadische
levens emaneren uit het Ene, en dat elk van zijn monaden, als
vonk van het universele denkvermogen of de goddelijke intelligentie,
innerlijk het vermogen bezit om de mystieke eenwording met het goddelijke
te bereiken en eens opnieuw te worden verenigd met de bron, verrijkt
met de kennis, opgedaan door velerlei ervaringen.
In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw was er een niet geringe spirituele
en maatschappelijke moed voor nodig om te spreken en te schrijven over
universele broederschap, zonder onderscheid van ras, kaste, geloof of
sekse. Toch zal iedereen die de correspondentie leest tussen H.P. Blavatsky’s
leraren en A.P. Sinnett en A.O. Hume, beseffen dat aan de bereidheid
om deze beide Engelsen onderricht te geven in de eerste beginselen van
de occulte wetenschappen, de uitdrukkelijke hoop ten grondslag lag dat
Hume en Sinnett en hun collega’s een nieuwe vorm aan de leringen
zouden kunnen geven, die de basis zou leggen voor een ‘universele
religieuze filosofie waar behoefte aan was’, die de hele mensheid
ten goede zou komen en miljoenen onderdrukten zou bevrijden van de tirannie
van onwetendheid, fanatisme en onbroederlijkheid. Kortom, het vestigen
van een universele broederschap was hun voornaamste zorg, en niet de
stichting van een school voor magie, die onderricht zou geven in de
grondslagen van astrale of psychische verschijnselen.
Omstreeks 1884 werd het echter duidelijk dat er behoefte was aan een
uitgebreidere formulering van de oorspronkelijke waarheden dan was vervat
in H.P. Blavatsky’s eerste literaire werk, Isis Ontsluierd
(1877), of in de door A.P. Sinnett gepubliceerde gedeelten uit brieven
die hij en Hume van hun mentors hadden ontvangen. Daarom werd H.P. Blavatsky,
onder leiding en inspiratie van haar leraren, nu bekend onder de initialen
M en KH, geholpen bij het schrijven van De Geheime Leer, een
omvangrijk werk in twee delen, dat nu wordt beschouwd als een authentieke
bron van oude en moderne theosofische beginselen. Gebruikmakend van
zo’n 100 stanza’s uit ‘een zeer oud boek’, dat
in geen enkele hedendaagse bibliotheek te vinden is, het boek van Dzyan,
ontvouwt zij een machtig panorama dat de wording en evolutionaire bestemming
omvat van zonnestelsels, van de aarde en haar mensheden, en van het
dierenrijk en andere natuurrijken, die beschouwd worden als aftakkingen
van vroege menselijke rassen in vorige cyclussen. Zij maakt er geen
aanspraak op dat de leringen de hare zijn; veeleer is zij de overdrager
van enkele fragmenten uit esoterische werken, omdat er in deze periode
van vertroebelde spirituele waarden niet méér begrepen
zou kunnen worden.
Voor zij haar commentaar op de Stanza’s van Dzyan begint, vraagt
H.P. Blavatsky onze aandacht voor ‘drie grondbegrippen waarop
het hele gedachtestelsel rust, en die dit doordringen’, en waarop
de heilige wetenschap van de oudheid en daarom de religieuze en filosofische
scholen van de wereld zijn gegrondvest. Teruggebracht tot hun essentie,
luiden de drie stellingen: (1) er is een eeuwig, alomtegenwoordig, onveranderlijk
Beginsel, dat niet kan worden beschreven omdat het buiten ‘het
gebied en het bereik van het denken’ ligt, en toch vloeit alle
leven daaruit voort; (2) heelallen, als ‘zich manifesterende sterren’,
verschijnen en verdwijnen voortdurend in ritmische hartslag, zoals de
getijdenwisseling van eb en vloed; en (3) alle zielen moeten, omdat
zij in hun kern dezelfde goddelijke essentie bezitten als de ‘universele
Overziel’, door de volledige cyclus in de materiële werelden
gaan om door eigen inspanning hun goddelijke mogelijkheden daadwerkelijk
tot uitdrukking te brengen.
Dit is een visie die het hart verheft, een visie voor hen die het vertrouwen
in zichzelf, in anderen, en in het leven hebben verloren. Het besef
dat ieder mens een noodzakelijk deel van het kosmische plan is, geeft
waardigheid aan ons streven en aan de drang tot ontplooiing. En de reden
voor deze grootse ‘cyclus van noodzakelijkheid’ is tweevoudig:
terwijl we als niet-zelfbewuste godsvonken beginnen, zullen we tegen
de tijd dat we alles hebben ervaren wat er in iedere levensvorm en in
alle natuurrijken te leren is, niet alleen de talrijke scharen van atomaire
levens, die ons op de verschillende gebieden tot lichaam dienen, tot
een ruimer bewustzijn hebben gewekt, maar wij zelf zullen de status
van volledige goddelijke wezens hebben bereikt.
Wij stellen deze drie grondstellingen in ons themanummer over theosofie
aan de orde omdat, als wij begrijpen hoe nauw ze met ons leven zijn
verbonden, we gaan inzien dat alle andere leringen daaruit voortvloeien;
ze zijn de sleutels tot een breder begrip van reïncarnatie, cyclussen,
karma, wat er na de dood gebeurt, de oorzaak en het opheffen van het
menselijk lijden, hiërarchieën en de zevenvoudige aard van
mens en kosmos, het samenspel van involutie/evolutie, en nog meer –
en intussen zet de ontwakende ziel haar eeuwige speurtocht voort.
De Geheime Leer wordt tegenwoordig door allerlei onderzoekers
bestudeerd; professoren en studenten in vergelijkende godsdienstwetenschappen
en mythologie verwachten daarin richtlijnen en verklaringen te vinden.
De kosmogonie die erin is vervat, wordt op verschillende manieren opnieuw
geformuleerd in wetenschappelijke terminologie, in romans, en helaas
ook bespottelijk gemaakt door hen die uit onwetendheid of eigenbelang
de boodschap misvormen. Dit alles is een uitdaging voor de scherpzinnige
zoeker, die vermoedens van waarheden wil scheiden en zich niet door
de belemmeringen, gevormd door in omloop zijnde halve waarheden, laat
afhouden van het stralende licht dat zich misschien in een niet vertrouwde
vorm voordoet.
In ieder facet van onze beschaving voltrekt zich tegelijkertijd een
versnellingsproces in het denken, met name op het gebied van wetenschap,
literatuur, filosofisch onderzoek, mythologie, archeologie en ook in
de psychologie en de holistische geneeskunde. Wijlen Mw. Frances Yates
bijvoorbeeld, heeft ons inzicht in de invloed van de hermetische traditie
verdiept; een andere Engelse geleerde, dichter, neoplatonist en filosoof,
Kathleen Raine, doet een beroep op de moderne wereld om de spirituele
tradities aan een nieuw onderzoek te onderwerpen en ‘een besef
van wat heilig is’ te herwinnen. Joseph Campbell, Joseph Needleman,
Mircea Eliade, en andere kenners van de mythologie en de geschiedenis,
onderzoeken de antieke wereld en brengen parels van mystieke en filosofische
wijsheid aan het licht. Vernieuwers onder wetenschappelijke denkers,
zoals David Bohm, theoretisch fysicus aan de universiteit van Londen,
en Rupert Sheldrake, botanicus en plantenfysioloog aan de universiteit
van Cambridge, hebben revolutionaire hypothesen gelanceerd, die de theosofische
opvattingen opmerkelijk dicht naderen.
Het onderwerp dat misschien de grootste ommekeer teweeg heeft gebracht
in het hedendaagse denken en de huidige levensstijl is dat van onze
eenheid met de natuur. Opnieuw zien we het heelal als een levend, bewust
wezen en onszelf als medewerkers daaraan, in een ecosysteem van kosmische
omvang. We hebben ontdekt dat wij, de waarnemers, niet alleen het object
van waarneming merkbaar beïnvloeden, maar ook het hele samenstel
van evoluerende wezens. Het belangrijkste van alles is dat we beseffen,
hoewel nog niet in voldoende mate, dat we één
mensheid vormen, en dat wat u of ik doen om een ander te helpen, aan
allen ten goede komt, een snaar in trilling brengt in de doorgaande
symfonie die wij samen voortbrengen. Als de hele schepping gebukt gaat
onder de last van onze onmenselijkheden, hoe moet zij zich dan verheugen
over de geringste opwelling van mededogen in de ziel van zelfs één
enkel menselijk wezen.
Met deze gedachten leiden wij ons themanummer in, in de hoop dat de
vele uiteenlopende benaderingswijzen die hierin zijn vertegenwoordigd,
uw eigen intuïtie zullen doen ontvlammen en een stimulans zullen
zijn tot een verdergaand onderzoek en verdieping van het denken.