De oude filosofen vonden de leringen over de onzichtbare werelden te
heilig en diepzinnig voor het grote publiek en daarom is er door de
eeuwen heen slechts door symbolen en in bedekte termen op dit onderwerp
gezinspeeld. Door de verbeeldingskracht van wetenschappers en anderen
werden bepaalde aspecten van deze leer evenwel intuïtief aangevoeld.
Bovendien hebben in de laatste honderd jaar theosofische schrijvers
opnieuw de archaïsche leringen geformuleerd die handelen over gebieden
in de ruimte en circulaties van levens die voor ons onzichtbaar zijn,
en die een verklaring geven van veel factoren in het leven nu en na
de dood die anders raadselachtig blijven.
Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze metafysische denkbeelden,
is het misschien van belang eens enkele opvattingen na te gaan uit beschavingen
die ouder zijn dan de onze. De volkeren van China, Perzië, het
gebied rond de Middellandse Zee en elders benaderden deze gedachte door
de aarde met de mens te vergelijken. Zij geloofden dat onze aarde, de
planeten, en de zon, levende wezens waren – goden – en dat
de zichtbare bollen de vormen en uitdrukkingsmiddelen waren van bewustzijnsgebieden
van velerlei graad, wier etherische ‘lichamen’ in het algemeen
overeenkomen met de onzichtbare psychologische, mentale en spirituele
lichamen of natuur van de mens. Andere volkeren beschreven ze als een
zwerm of constellatie van lichamen die ‘samen ronddraaien’*
en waardoor verscheidene stromen van levens circuleren, die te vergelijken
zijn met de stofwisseling en de vitale, emotionele, mentale en spirituele
circulaties in de mens.
*Het woord universum, van het Latijnse unus
+ versus, betekent letterlijk ‘dat wat ronddraait als
één’.
Europese denkers uit de Renaissance, die zich bewust werden van de
pas ontdekte kennis van de Griekse cultuur, kozen het beeld van een
ladder om de opklimmende gebieden of werelden, zichtbaar en onzichtbaar,
weer te geven die het volledige wezen van de aarde samenstellen, en
zij schreven over de reis van de ziel langs de sporten of stadia of
rijken, naar de Stad van God. De Bijbel verwijst naar deze
innerlijke werelden als ‘de vele woningen’, ‘wielen
binnen wielen’ en de joodse kabbala spreekt van vier werelden,
waarin de levensboom zich openbaart.
Griekse, Ierse en Hindoestaanse overleveringen noemen deze innerlijke
rijken eilanden, en ze volgen hun helden op de reis die gaat van eilanden
met een materiële aantrekkingskracht naar eilanden die spiritueel
van aard en ervaring zijn. India noemt ze de zeven loka’s en tala’s.
Loka betekent wereld van geest, en tala wereld van
materie. En in onze tijd, waarin de moderne science-fiction spreekt
over schaduwlanden, buitenaardse werelden, andere dimensies en over
verleden of toekomst, schijnt het serieuze onderzoek op het punt te
staan te erkennen dat er invloeden uit onzichtbare werelden bestaan.
De gedachte dat de aarde het lichaam is van een god is suggestief,
vooral wanneer de mens, de microkosmos, wordt vergeleken met de aarde,
de macrokosmos. De mens is een samengesteld wezen en volgens de oude
en moderne theosofische leringen is zijn fysieke lichaam niet alleen
de drager van verscheidene organen en op elkaar inwerkende systemen,
die alle bestaan uit enorme aantallen oneindig kleine intelligenties,
maar het is bovendien het zichtbare resultaat en de vertegenwoordiging
van een aantal onzichtbare en hogere zelven of lichamen, waardoor het
menselijk bewustzijn min of meer volledig functioneert in de wakende
toestand, in de slaap en na de dood. Hoewel deze innerlijke zelven of
lichamen gescheiden of onafhankelijk lijken, zijn zij verenigd door
de voortdurende circulaties van vitale, emotionele, mentale en spirituele
krachten van ons overheersend menselijk bewustzijn. Zo is het ook met
de aarde, waarvan het overheersend bewustzijn ook dat van een goddelijk
wezen is.
De filosofische volgelingen van Zoroaster begrepen dit; hun geschriften
stellen de aarde voor als een samenstel van zeven afzonderlijke gebieden,
zones of werelden, en elke karshvar (keshvar) is van
de andere gescheiden door oceanen, zodat ‘het niet mogelijk is
om van het ene gebied naar het andere te gaan, behalve wanneer men wordt
geleid en verlicht door de yazats [hemelse geesten].’ Ter verklaring
stelden zij deze karshvars voor als concentrische cirkels of zones rondom
de grootste, Hvaniratha – de enige karshvar die door de mens is
bewoond. Dit komt vrijwel overeen met de hindoegedachte van de zeven
dvipa’s (eilanden). In haar Geheime Leer1
schetst H.P. Blavatsky de zeven karshvars als zeven afzonderlijke bollen
in de ‘wateren van de ruimte’ met Hvaniratha onderaan in
plaats van in het midden. Zij plaatst de andere zes aarden in fysieke
gebieden die hoger zijn dan de onze. Volgens de theosofje is voor de
wezens op elke bol hun aarde even vast als de onze voor ons is, en heeft
elk haar eigen continenten en oceanen, bergen en rivieren en rassen
van evoluerende levens. En langs de neergaande en opgaande boog van
spirituele groei stromen voortdurend zeven grote rivieren van leven
in een wonderlijke spiraalvormige baan. Dit doet denken aan de leven
brengende wateren van Vourukasha die naar de top van de heilige berg
opstijgen, dan afdalen en weer opstijgen, ‘omhoog en omlaag, de
luchtweg op en omlaag naar de aarde, omlaag naar de aarde en de luchtweg
op: . . . langs het pad dat door de goden is gemaakt, de waterweg die
zij openden.’2
De ‘opgang’ van de mens door deze werelden is niet alleen
mogelijk, maar een feit volgens de mystieke Vision of Ardai Viraf.3
In dit verhaal trad de nederige Ardai de donkere werelden binnen om
geheime kennis te verwerven en daar zag hij hoe de zielen van de overledenen
van plaats naar plaats trokken en in elk gebied en elke sfeer de wetten
en toestanden daarvan leerden kennen, totdat zij na te zijn rondgetrokken
‘van lichaam naar lichaam in een toestand van voortdurende verbetering’,
de sfeer van de zon bereikten.
Deze ideeën zijn nu vollediger te vinden in de theosofische filosofie,
waarin de aarde wordt beschouwd als een keten van zeven bollen, die
gemakshalve worden aangeduid met de letters: A, B, C, D (onze aarde),
E, F, en G en elk daarvan is een volledig en op zichzelf staand lichaam.
Alle, behalve de laagste bol – D – zijn voor ons onzichtbaar,
omdat ze zich bevinden op subgebieden van de kosmos waar het trillingsgetal
zo anders is, dat wij niet in staat zijn ze door middel van gewone zintuigen
en instrumenten waar te nemen.
Door de zeven bollen circuleren grote levensgolven of rijken van evoluerende
wezens, die elk van deze bollen beurtelings voor lange tijd tot hun
thuis maken, gedurende zeven ‘ronden’ of reizen van de aardketen.
Beginnend op bol A, ontplooien de levensgolven steeds meer materiële
mogelijkheden naarmate ze reizen door de bollen A, B, en C. Nadat het
laagste punt van de lange evolutiekringloop op bol D is bereikt, beginnen
hun spirituele eigenschappen zich langzamerhand te manifesteren, wat
hen in staat stelt door de steeds etherischer bollen E, F, en G op te
stijgen. Deze laatste wereldbol is die waarnaar in verscheidene religieuze
geschriften wordt verwezen als de bron, het huis van
de verloren zoon, de stad van God, de zevende hemel
en satyaloka (de wereld van waarheid en werkelijkheid).
Er zijn zeven van zulke ronden nodig om de zielen één
sport of trede te doen opklimmen in de orde van wezens. De zielen uit
het plantenrijk bijvoorbeeld, zullen in die periode hun volledige planteigenschappen
ontwikkelen en gereed zijn om in de volgende cyclus het dierenrijk binnen
te gaan. Die van de dieren zullen zich ontwikkelen naar het mensenrijk;
en mensen kunnen hun bewustzijn zo uitbreiden en zo volmaakt worden
in deugd en wijsheid, dat zij geboren zullen worden in de laagste graden
van de engelen. De rijken werden op verschillende wijzen aangeduid door
de geleerden in de Renaissance, zoals: de wereld van de elementen, bestaande
uit wezens die vuur, lucht, aarde en water vormen; ook werelden van
delfstoffen, planten en dieren; en boven de mensen de ‘hemelse
wereld’, waarbij de zeven planeten zijn inbegrepen; de ‘intellectuele
wereld’ die negen orden van engelen omvat, met het goddelijke
dat over alles heerst.4
In vroegere eeuwen werden de bollen soms naar planeten genoemd. Dat
diende om de karakteristieke planetaire invloed aan te duiden die op
die speciale bol heerste. Dat was het geval in de Vision of Hermes,
een leerverhaal dat aan de discipelen werd verteld binnen de poorten
van de oude tempels van Thebe. Het verhaalt dat toen Hermes eens nadacht
over de aard van het heelal, zijn gedachten opstegen in de ruimte en
hij, gehuld in een heerlijk licht, als in een visioen zag hoe de werelden
in het begin waren gevormd, te midden van licht en duister, en van vuur,
lucht, water en aarde, en van beweging en geluid. Hij zag ook de zeven
bollen van de planeten waarvan de kringlopen de wereld omvatten die
door de menselijke zintuigen wordt waargenomen, en daarboven het zuivere
lichaam van de hemelen dat zich in een lichtende glorie naar boven uitstrekt.
Hoewel duizelend van deze schoonheid, kwam er een vraag in hem op over
de aard van de mens. Poimandres, de leraar, legde uit dat de mens een
wonderbaarlijk wonder is, het samengaan van natuur (stof) en God (geest),
hij is het totaal van het heelal, die aan ‘de structuur van de
hemelen de aard van de zeven Bestuurders (planetaire sferen) heeft ontleend.
. .’ en dus in één mens zeven mensen combineert,
en dat zal ‘zo blijven tot het einde van een periode,’ Dat
deel van hem dat van stof is, is vergankelijk en sterft, maar dat wat
van geest is, sterft niet, want het bestaat uit leven en licht.
Hermes vroeg zijn leermeester wat er bij de dood gebeurt wanneer het
lichaam zich ontbindt. Poimandres legde uit dat op dat tijdstip het
fysieke lichaam en dat van de zinnen en begeerten, ‘terugkeren
naar hun eigen bronnen en deel worden van het heelal, . . . En daarna
stijgt de mens op door de structuur van de hemelen’, en laat in
elk van de planetaire sferen die kenmerkende krachten achter, die deel
zijn geweest van de zevenvoudige aardse mens. En zo stijgt hij op van
sfeer tot sfeer, uit de gebieden van de maan, Mercurius, Venus, de zon,
Mars, Jupiter en Saturnus, totdat hij, ‘ontdaan van alles wat
hem door de structuur van de hemelen was opgelegd’, opstijgt naar
‘de hoogste of uiterste van de sferen van de hemel.’ Nu
hij in het bezit is van zijn ware aard, is hij tijdelijk één
met het goddelijke.
Toen Hermes ontwaakte na zijn wonderbaarlijke visioen verheugde hij
zich, omdat hij wist dat hij het ‘verblijf van de waarheid’
had bereikt, en hij deed de gelofte dat hij voortaan met zijn hele ziel
en alle kracht ernaar zou streven zijn broeders te verlichten, zodat
ook zij het licht en leven zouden bereiken.5
Een soortgelijke beschrijving komt van de hand van de Romeinse staatsman
Cicero in zijn Droom van Scipio.6
Macrobius (circa 400 n.Chr.) zegt in een verklaring van deze Droom,
die volgens hem is gebaseerd op de pythagorese en platonische overlevering,
dat menselijke zielen die naar de aarde terugkeren, afdalen door een
zevenvoudige reeks van planetaire sferen, en in elke sfeer de karakteristieke
‘mechanismen en krachten’ ontwikkelen. In de ene sfeer ontwikkelen
zij bijvoorbeeld het vermogen van gewaarwording en verbeelding, in een
andere, denken en overwegen. Naarmate deze rivier van zielen verder
stroomt, wordt ze steeds stoffelijker. De stof die zich bij hen voegt,
versnelt hun afdaling en brengt vergetelheid teweeg bij allen, behalve
bij de weinigen die weten dat de ziel eens hersteld en volledig zal
opstijgen naar het goddelijke gebied.7
Zij die de kabbala bestuderen, zullen in de Zohar, het Boek
van Schittering, verwijzingen vinden naar een reeks van wereldsferen.
Daarin wordt verteld hoe de ‘Heilige, gezegend is hij!’
zeven hemelen Boven schiep, de één boven de ander, zoals
de rokken van een ui, elk met sterren, planeten en zonnen. Hij schiep
zeven aarden Beneden die ‘zijn als het firmament Boven, dat op
dat en dit op dit’, en daarop zijn ‘wezens die van elkaar
verschillen zoals die van Boven.’ De tekst vraagt dan: ‘En
waar komen de lagere aarden vandaan? Zij zijn van de keten van de aarde
en van de Hemel Boven.’
De Zohar noemt vier mensheden en vier werelden: de eerste
is de hemelse Adam die in de hoogste woont, de wereld van de emanaties;
de tweede Adam bewoont de wereld van de schepping; de derde Adam, de
onschuldige en kinderlijke Adam van de Hof van Eden, verblijft in de
wereld van de vormingen; en de vierde Adam is de derde Adam zoals hij
was na de val, en omdat hij had geproefd van de vrucht van goed en kwaad,
ontwaakte zijn verstand en was hij blootgesteld aan verleiding en tweestrijd.
Hij is gehuld in een lichaam van huid, vlees en zenuwen; het licht van
de hogere werelden schuilt in hem en is voor zijn oog verborgen zolang
hij in de vierde wereld vertoeft, de wereld van de schillen. Maar door
het verrichten van goede daden kan hij zich weer bewust worden van dit
licht.8
De meest algemene manier om over de leer van de onzichtbare werelden
te spreken was altijd ze hemelen en hellen te noemen; de hemelen doelen
op de meer spirituele, de hellen op de meer stoffelijke bollen of ervaringswerelden.
Het is belangwekkend dat de brahmaanse en boeddhistische geschriften
de hellen beschrijven als ‘vol van zinnelijk genot’ voor
de wezens die daarin verblijven, maar blijkbaar zouden zulke genoegens
een hel schijnen voor hen die spiritueel gevorderd zijn. Dante’s
Goddelijke Komedie geeft een levendig beeld van de verschillende
hellen, het vagevuur, en hemelse werelden die de hoogste goddelijke
hemel omsluiten. Egyptische en Tibetaanse Dodenboeken bevatten lessen
voor de ziel om haar een veilige reis door de onzichtbare sferen te
verzekeren.
In het licht van het voorgaande is Jacobs droom veelzeggend. In Genesis
(28:11-15) staat over Jacob ‘hij bereikte een plaats’ en
in een droom zag hij dat een ladder was opgericht, waarvan de top tot
aan de hemel reikte en ‘daarlangs zag hij Gods engelen omhoog
gaan en afdalen.’ Ook deze droom bevat een toespeling op de reis
van de ziel naar andere werelden, en de ladder naar de hemel duidt op
de voortgang door de etherische sferen van de kosmos.
We doen Jacobs droom geen geweld aan als we hem op deze manier uitleggen,
want de leer over andere werelden was zowel bij de joden als de christenen
van het Nabije Oosten bekend, zoals blijkt uit de geschriften van kerkvader
Origenes (circa 185-254 n.Chr.) die van mening was dat de ziel ‘onsterfelijk
en eeuwig is, . . . [en] dat ze in de vele en eindeloze tijdsperioden
in de onmetelijke en verschillende werelden kan afdalen van het hoogste
goed tot het ergste kwaad of zich kan herstellen van het ergste kwaad
tot het hoogste goed.’9
Natuurlijk was de ladder een geliefde illustratie van het pad dat omhoog
voert door zeven of tien gebieden of rijken of bewustzijnstoestanden.
Een van de meest interessante vormen daarvan is de trappiramide van
Egypte, van het oude Amerika, Babylon, Java en elders. Bijzonder suggestief
is de naam van de Babylonische ziggurat [piramidevormige tempel], Etemenanki,
wat ‘het huis van de zeven richtingen van hemel en aarde’
betekent.10
In een commentaar op de door de Catalaanse mysticus en alchemist, Ramon
Lull, geschetste trap naar volmaking, schrijft S.K. Heninger: ‘Het
menselijk begrip staat boven het langdurige proces van het onvolmaakte
naar het volmaakte, van object naar subject, van het zintuiglijk waarneembare
tot dat wat alleen door de geest kan worden begrepen. Op die manier
omvat het het hele terrein van Gods schepping, van het laagste tot het
hoogste, en kent het door rechtstreeks begrip elke schakel in de kosmische
keten.’4
Eenvoudiger gezegd bestaat de trap naar wijsheid uit het volgen van
het pad van de deugd dat door elke grote leraar is aangegeven. Als we
dat doen, ontwikkelen zich de hogere vermogens van het verstand en het
hart op natuurlijke wijze en worden we ontvankelijk voor de invloed
van de ‘hemelse’ werelden.
Verwijzingen
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer 2:861-3.
- F. Max Müller, The Sacred Books of the East,
The Vendidad, vert. J. Darmesteter, Oxford University Press,
1880; vol. 4, deel 1, fargard 21, 3c, 12(32).
- Moshan Fani, The Dabistan, vert. David Shea
& Anthony Troyer, Tudor Publishing Co.; 1937; blz. 144-54. Zie
ook The Sacred Books and Early Literature of the East, Parke,
Austin & Lipscomb, 1917; vol. 7, 185-207.
- S.K. Heninger, jr., The Cosmographical Glass,
The Huntington Library, 1977: blz. 160-2.
- Walter Scott, red. en vert., Hermetica, Oxford
University Press, 1924; 1:1:115-33.
- Cicero, De re publica, boek 6.
- G.R.S. Mead, Thrice-Greatest Hermes, Theosophical
Publishing House, 1906: 1:413-8; herdruk, John M. Watkins, Londen,
1964.
- Isaac Myer, Qabbalah, 1888; facsimile herdruk,
Samuel Weiser, 1974; blz. 415-6, 426.
- Origenes, De Principiis, 3:1:21.
- J.E. Cirlot, A Dictionary of Symbols, vert.
J. Sage, Philosophical Library, 1962; blz. 316.