Het Egyptische Dodenboek
Eloise Hart

 

Het Egypte dat ons door het wonder van zijn tempels en sculpturen aantrekt is niet noodzakelijkerwijs een verre, lang vervlogen cultuur. Het is een gedachtestelsel dat we kunnen onderzoeken en waar we vreugde aan kunnen beleven. Dit werd mogelijk doordat in 1799 de Steen van Rosetta werd gevonden die met zijn inscripties, in hiëroglyfen en in demotische en Griekse lettertekens, de geleerden de sleutel gaf tot het ontcijferen van Egyptische optekeningen die zo lang een gesloten boek waren geweest.

De meest waardevolle en mysterieuze optekeningen zijn die in Het Egyptische Dodenboek dat, strikt genomen noch een boek is, noch over de doden gaat. Het is eerder een verzameling aanroepingen en verklaringen die zijn geschreven op papyrusrollen en gekerfd in de muren van piramiden en grafkamers. En ze zijn bedoeld voor de levenden, van nu en later. De verzameling kreeg haar onjuiste naam, zo vertelt één verhaal, doordat een werkman, die herhaaldelijk kopieën van een bepaalde tekst bij mummies vond, er heel begrijpelijk de naam ‘dodenboek’ aan gaf.

Een passender vertaling van de Egyptische naam van deze teksten, Pert-em-hru, is ‘Hoofdstukken over het treden in het licht’, of ‘. . . Naar voren treden bij dag’, of zoals sommigen willen, ‘Boek van de meester van het geheime huis’, of ‘Hoofdstukken over het vervolmaken van de khu (geest).’ Deze hoofdstukken werden op strategische plaatsen neergezet om als richtlijnen te kunnen dienen voor zielen op hun reis door de onbekende regionen na het aardse leven. De aanroepingen aan de ‘geesten’ die zij zouden ontmoeten, waren bedoeld om hen een veilige doorgang te verzekeren. De teksten werden ook gebruikt als gebeden en rituelen door de levenden om hen voor te bereiden op wat hen te wachten stond na van hun lichaam te zijn bevrijd.

Sommige teksten werden ongetwijfeld gebruikt bij de ceremoniën die gepaard gingen met inwijding in de mysteriën – centra van intellectueel en spiritueel onderricht, waar de wetten die de innerlijke en uiterlijke aspecten van de natuur beheersen, aan neofieten werden geleerd – die vaak verbonden waren aan tempels en piramiden, in het bijzonder in Karnak, Thebe, Abydos, Alexandrië, en elders. Men gelooft dat tijdens de inwijding de kandidaat de geheime betekenis werd verteld van de hiëroglyfische symbolen die onthullen ‘hoe hij in het begin tot aanzijn kwam’, wat zijn toekomst zou zijn en hoe bepaalde passages gereciteerd dienden te worden om de kracht op te wekken die hemzelf en anderen zou beschermen en hem op den duur tot ‘gelijke van de goden’ zou maken.

Natuurlijk werd hem deze kennis alleen toevertrouwd als hij daartoe waardig was bevonden, dat wil zeggen, als hij met succes de voorbereidende stadia van disciplinaire training en onderricht had doorstaan. Alleen degene die absoluut zuivere motieven en gedachten had, die bestand was tegen verleidingen en volledig meesterschap over zichzelf had, kon hopen de psychische en psychologische beproevingen te doorstaan die voorafgaan aan het mystieke offeren van zichzelf, zijn lager zelf, om één te worden met Osiris. Op dat moment werd hij letterlijk ‘opnieuw geboren’ en werden al zijn lagere elementen doordrongen van de straling van zijn goddelijk zelf. Van zo iemand zeiden de Egyptenaren: ‘Hoewel zijn ziel niet van zijn aardse lichaam gescheiden werd, verkeerde zij onder de verlichte wezens in de hemel, om nooit te sterven.’

Als men bedenkt dat het Boek van het naar voren treden in het licht ten minste 6000 jaar oud is, en misschien wel ouder, en dat de schrijvers die het oorspronkelijk uit mondelinge overleveringen op schrift stelden, moeite hadden de betekenis ervan te interpreteren omdat het zo ‘archaïsch en diepzinnig’ was, is het verrassend te ontdekken hoe helder en toepasselijk sommige passages zijn.

Een welbekend voorbeeld hiervan is het Tafereel van het Oordeel op de Papyrus van Ani. Een kopie van deze tekst in het British Museum is bijna 2,40 m lang en de ouderdom wordt geschat op 3 à 4 duizend jaar. In een bepaald gedeelte zien we Ani, die de zojuist overledene – of de initiant – vertegenwoordigt, die naast de Weegschaal der Rechtvaardigheid staat waarop zijn hart in de ene schaal wordt gewogen tegen de Veer der Waarheid in de andere.

Als we dit beeld toepassen op inwijding, kunnen we aannemen dat Ani, de kandidaat, zorgvuldig is voorbereid: dat hij ‘naar de hemel kan vliegen in de vorm van een vogel of een insect’, ‘tot hemelse hoogten kan klimmen’, en ‘langs de lange onderaardse wegen die naar de onderwereld leiden kan afdalen’. Met andere woorden, hij kan de astrale wereld binnentreden en kalm en bewust het hoofd bieden aan de krachten van Amenti of de onderwereld, terwijl zij die niet voorbereid zijn het bewustzijn zouden verliezen. Ani weifelde echter nooit. Omdat hij de ‘namen’ en ‘wachtwoorden’ van de zeven hallen of woningen van het hiernamaals had geleerd, behield hij zijn volle bewustzijn bij iedere transformatie: eerst toen zijn ziel werd bevrijd van zijn lichaam; vervolgens toen hij, na het bereiken van spirituele hoogten, met de goden verkeerde; en ten slotte, nadat hij kosmisch bewustzijn had verworven, ging hij, figuurlijk gesproken, aan boord van de ‘boot van de zonne-god voor een reis te midden van de sterren die niet slapen’.

Op de papyrus kijken Ani en zijn vrouw (die de vrouwelijke kant van zijn natuur vertegenwoordigt) met gebogen hoofd toe als zijn hart wordt gewogen. Voor de Egyptenaren was het hart de samenvatting van de totale mens: alles wat hij was, alles wat hij voelde, dacht, liefhad en wilde, in het verleden en het heden. Ze spraken ertegen als hun ‘moeder’, hun zelf, dat miljoenen jaren had bestaan. Ze begrepen dat het de kwaliteiten van het hart zijn die een mens groot en ten slotte een god maken – begrip, liefde, onderscheidingsvermogen, achting, wijsheid. De Veer van Maat, of Waarheid, vertegenwoordigde zijn geweten. Maat was rechtvaardigheid en waarheid op alle gebieden, van het goddelijke tot het meest materiële, van zuivere ideatie via menselijk onderscheidingsvermogen tot het harmonieus functioneren van de elementaire krachten in de natuur.

Tegenover Ani staat Thoth – de schrijver van de goden, met de ibiskop – die de vragen die Ani gesteld worden en de antwoorden die hij geeft op zijn tablet noteert. In één aspect personifieert Thoth de leraar, hiërofant en gids van de discipelen. Anubis, met de jakhalskop, de zoon van Horus, knielt voor de schaal en zorgt dat de weegschaal zuiver in evenwicht blijft. Zijn taak is gewoonlijk om de dode te bewaken en de ziel van de overledene naar Osiris te geleiden. Hier echter vertegenwoordigt hij de onzekere uitslag van de test en de mogelijkheid van falen. Eveneens aanwezig zijn Horus (zoon van Osiris en Isis); Shai en Renenet, godinnen van respectievelijk karmische rechtvaardigheid en spirituele geboorte; en boven hen bevinden zich 12 van de 42 bijzitters of rechters. Achter Thoth zit Aman, de krokodil-leeuw-nijlpaard ‘Eter van de Doden’, die vol verlangen schijnt te zijn diegenen te verslinden wier hart zwaar is door het kwaad. Hij karakteriseert de angsten en hartstochten die ieder moet overwinnen om niet door hen te worden verteerd.

De gedachte van de hel en de folteringen daarvan was niet een leer van de vroege Egyptenaren. Voor hen was het kwaad – dat in hun hiëroglyfen werd weergegeven door middel van een berg die door een vallei in tweeën was verdeeld – verdeeldheid, tegenstelling, disharmonie. Maar omdat de twee delen van de berg aan hun voet waren verbonden is het kwaad een tijdelijke toestand, zo geloofden ze. Verder meenden ze dat we ons eigen goed en kwaad scheppen en dat we onze eigen rechters zijn. We verheerlijken of verslaan onszelf door onze daden. Hun dierkoppige goden suggereren diverse eigenschappen in onszelf en in de natuur.

Voordat er recht wordt gesproken over Ani, spreekt hij met schroom tot zijn hart als zijn ‘moeder’ (hfst. 30b):

O mijn hart, mijn moeder . . .
Het zaad van mijn wezen, mijn aardse bestaan,
O, blijf stil met mij in de hal der vorsten,
In aanwezigheid van de god die de weegschaal bewaakt.
En wanneer u gewogen wordt in de schaal met de veer
Der waarheid, spreek dan geen oordeel tegen mij;
Laat de rechters in mijn aanschijn niet uitroepen:
Hij heeft kwaad gedaan en onwaarheid gesproken!
Zie, o mijn hart, indien er geen scheiding
Tussen ons is, zal onze naam één zijn met morgen,
Ja, miljoenen-jaren is de naam die we geschreven hebben,
Ja, miljoenen-jaren, o mijn moeder, mijn hart!

Dan groet hij Osiris (hfst. 125):

Heil, machtige god, heer der gerechtigheid!
Ik ben hier gekomen opdat ik uw glorie moge aanschouwen.
Ik ken u, en ik ken de namen van de 42 goden die met u verschijnen in de hal der gerechtigheid. . . . Hier ben ik; ik breng u het recht en heb onrecht doen ophouden.

Vervolgens begint Ani de beroemde ‘Verklaring van onschuld’ (hfst. 125), waarnaar gewoonlijk wordt verwezen als de ontkennende bekentenis, die onder meer het volgende inhoudt:

Ik ben geen bedrijver van kwaad aan mensen.
Ik ben niet iemand die zijn verwanten doodt.
Ik ben niet iemand die leugens vertelt in plaats van de waarheid.
Ik ben mij niet bewust van verraad.
Ik ben geen stichter van onheil.
Ik ben geen zondaar jegens de god.
Ik heb geen kwaad gesproken, niet gevloekt, gepocht, ben niet onvriendelijk geweest tegen mensen of dieren, wild of tam.
Ik heb geen vuur gedoofd dat anderen nodig hadden, stromen afgedamd, rivieren verontreinigd, of leven in enigerlei vorm vernietigd.

De 42 rechters ondervragen Ani vervolgens:

Heeft u wijs en goed zorg gedragen voor uw lichaam?
Bent u vrij van jaloezie jegens rijken en geleerden?
Heeft u zich aan geen enkele mens geketend door haat?
Heeft u zich van het pad van waarheid afgewend wanneer er gevaar dreigde?
Bent u oprecht, waarheidsgetrouw en zachtmoedig geweest zodat er niemand is die lijdt door uw daden?

Ze vroegen niet naar wat hij geleerd heeft, wat hij heeft bereikt of aan kennis vergaard. Alleen of hij bescheiden, waarheidsgetrouw, vriendelijk en rechtvaardig is geweest. Ani antwoordt, zich met naam en titel tot ieder van de bijzitters richtend, en hij eindigt, na wat neerkomt op een tweede reeks ontkenningen, met een positieve verklaring:

Zie mij! Ik ben tot u gekomen zonder zonden, zonder bedrog, een onschuldige . . . Ik ben zuiver, ik ben zuiver, ik ben zuiver, ik ben zuiver. Ik leef van wat rechtvaardig is. Ik heb gedaan wat men voorschrijft en wat de goden behaagt. Ik heb brood gegeven aan de hongerigen en water aan de dorstigen, kleding aan de naakten, een boot aan de zeevaarder die schipbreuk leed.

Met toenemend zelfvertrouwen vervolgt hij:

Ik ben de meester van mijn troon en ga verder. Het heden is het pad dat ik heb geopend, en ik heb mijzelf vrijgemaakt van alle kwade dingen.
Ik ben het die opstaat en straalt: kracht die voortvloeit uit kracht, het Ene dat voortvloeit uit het Ene.

In de volgende scène wordt Ani voor de troon van Osiris geleid. Hij knielt neer voor een altaar, waaronder een korenaar aangeeft dat zijn zaaien en oogsten op aarde zijn voltooid. Zijn haar, dat eerst zwart was, is nu sneeuwwit om volwassenheid en zuiverheid van ziel aan te geven, en op zijn hoofd bevindt zich een uitstulping, die op spirituele verworvenheid duidt.

Boven hem is Osiris omringd door symbolen van zijn glorie en macht en in zijn handen houdt hij een herdersstaf en een dorsvlegel, zinnebeelden van zijn taak als leider en beschermer. Hier, voor de troon van Osiris, in aanwezigheid van zijn innerlijke god, vindt de verheffing van Ani plaats als de kracht van het goddelijke door zijn wezen stroomt. In vervoering roept hij uit: ‘Ik ben Osiris! Ik ben Sothis, de ster van de eeuwige dageraad!’

Op dat moment verklaart Thoth, de grote rechter, aan de aanwezigen dat het hart van Ani is gewogen en zuiver is bevonden, waarop de goden Ani uitnodigen voor altijd in vrede te midden van hen te verblijven.

Commentaren zeggen dat, overeenkomstig het Egyptische geloof, de vier aspecten of delen van de aard van de kandidaat tijdens deze inwijdingservaring worden gewekt en verenigd met zijn eigen goddelijke essentie: het persoonlijk-lichamelijke aspect, dat de Egyptenaren Osiris-Typhon noemen; het psychische of maanaspect, genaamd Osiris-Lunus; het intelligente aspect, Osiris-Horus; en het spirituele, Osiris-Ptah. Alle vier zijn veredeld en doortrokken van goddelijke kracht.

Ani, die ge-osirifieerd, spiritueel ontwaakt is en een volmaakt geheugen en bewustzijn bezit, een god onder de goden, verklaart nu:

Ik ben Osiris . . . In zijn sterf (inwijdings) kamer werd ik met hem geboren. Ik stierf met hem, en sta nu op uit de dood.
Ik ben Osiris . . .
Als stralende vlam verlicht ik de weg voor Hem
Die de poorten opent van miljoenen jaren.
Ja, ik ben Hem, en zal niet meer sterven;
Mensen, noch geheiligde doden, noch zelfs goden
Zullen mij weghouden van mijn onsterfelijk pad!

Verheerlijkt, een zoon van de zon, gaat hij aan boord van de zonneboot en vaart eerst over de donkere wateren van de onderwereld; daarna gaat hij omhoog en omlaag langs de nooit-rustende sterren, om uiteindelijk het domein van de zonnegod te bereiken, waar hij geacht wordt te ‘ploegen, zaaien en oogsten in de velden’, onder leiding van Osiris.

Daar laten we hem achter om aandacht te schenken aan twee ideeën die worden gegeven in het Boek van het naar voren treden in het licht. Misschien is het belangrijkste dat van het goddelijke in ieder mens en het vermogen van ieder om zich van deze heilige tegenwoordigheid bewust te worden. Om deze gedachte te symboliseren kozen zij kheper, de scarabee. Zijn gewoonte om een ei te leggen in een balletje klei en dit voortdurend over de grond te rollen tot het ei uitkomt en zich tot een gevleugelde kever ontwikkelt die zich in de lucht kan verheffen, maakte hem tot een ideaal symbool van het goddelijke dat in alle dingen aanwezig is en van de wederopstanding. De naam Kheper heeft de betekenis van ‘zijn, worden, opnieuw bouwen’.

De andere gedachte waarop herhaaldelijk de aandacht wordt gevestigd is de continuïteit van het leven. Omdat de Egyptenaren dat geloofden, genoten ze van het leven zonder angst om te sterven en waren ze een buitengewoon ontspannen en vrolijk volk. Deze twee opvattingen droegen bij aan hun moraliteit die, naar algemeen wordt erkend, de ‘meest grootse en omvattende’ was van welk volk ook uit de oudheid. Daaraan lag hun overtuiging ten grondslag dat ieder mens door zichzelf groeit; de waarheid wordt niet geschonken, ze moet worden verdiend door inspanning en innerlijke waardigheid. De ziel, zeiden ze, is als de lotus die in de Nijl onder water groeit voor hij de lucht bereikt, voor hij bloeit in het licht van de zon. De bloei kan niet worden verhaast.

Het symbool van de levenskracht, de ankh ☥, dat nu zo populair is, was kennelijk vanaf het begin een heilig symbool voor de Egyptenaren. Hun goden droegen het in de hand, hielden het voor de mond van de gelovigen of schonken de overvloed ervan uit over hun hoofd.

Volgens Herodotus, een Grieks historicus uit de vijfde eeuw v.Chr., geloofden de Egyptenaren dat de ziel onsterfelijk is, en dat ze, als het stoffelijk lichaam vergaat, een ander levend wezen binnengaat dat gereed en geschikt is. Op deze manier gaat ze door verschillende werelden om ‘alle vormen aan te nemen die ze wenst’ alvorens terug te keren tot een menselijk lichaam dat dan gereed is gemaakt.

Uit alle grootse Egyptische werken treedt één boodschap duidelijk naar voren: de wijsheid van het hart is belangrijker dan verstandelijke kennis. Daarom is het gevoel dat haar cultuur ons schenkt van meer waarde dan de feiten die we uit haar verleden leren.

 

Bibliografie

  • Het Egyptische Dodenboek. In het Nederlands vertaald door M.A. Geru, uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1974 (herziene druk 2013).
  • Müller, W. Max, Egyptian Mythology, Marshall Jones Company, Boston, 1923.
  • Schueler, Gerald J., De papyrus van Ani – lnwijding en het leven na de dood, Sunrise, juli/aug 1982.
  • Schwaller de Lubicz, Isha, Her-Bak, Egyptian lnitiate, Inner Traditions International, New York, 1978.
  • Van Doren, Mark, red., An Anthology of World Poetry, Reynal & Hitchcock, New York, 1936.
 
Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Egypte
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency