Intelligentie van het hart
I.M. Oderberg

 

Boekbespreking: Nature Word, Verbe Nature, R.A. Schwaller de Lubicz, vertaald uit het Frans in het Engels door Deborah Lawlor; uitgegeven door The Lindisfarne Press, Massachusetts, 1982, 154 blz.



We zijn zo gewend te denken in termen van verstandelijk en intelligent denken als functies van de hersenen, of als processen die het gevolg zijn van de werking van cellen of neuronen, dat het denkbeeld ‘intelligentie van het hart’ ons vreemd, ja zelfs als iets tegenstrijdigs in de oren klinkt. In andere beschavingen, waarvan sommige tot het verre verleden behoren, was er geen sprake van vereenzelviging van het denken met de hersenen of van verwarring van de werkingen van beide. Het hart waarop men doelde, was niet het stoffelijke orgaan, maar het centrum van bewustzijn dat het leven op aarde ervaart. De Grieken maakten onderscheid tussen het verstandelijke deel van het denkvermogen en de nous, het spirituele aspect, dat er de tegenpool van is. De Egyptenaren spraken over de natuur als ‘Mijn hart! Mijn moeder!’, en over iemand die vermogens van spirituele aard had verworven, als iemand die ‘rustig van hart’, kalm is, en die zich volledig beheerst.

Een voortreffelijk wiskundige, schrijver en filosoof in de Hermetische traditie, R.A. Schwaller de Lubicz* schreef het eerste deel van Nature Word in een golf van inspiratie, toen hij, na een verblijf van vijftien jaar bij de tempels van Luxor in Egypte, naar Frankrijk terugkeerde. In dit dunne boekje maakt de schrijver ons deelgenoot van zijn inzichten, verworven door vragen te stellen aan de ‘intelligentie van het hart’. Deze wijze van denken, zegt hij, is ‘in harmonie met de Natuur’, en de enige manier waarop wij het ‘leven en levende dingen’ kunnen begrijpen.

*Zijn grote werk is The Temple of Man, een 3-delig boek, dat een uiteenzetting geeft van de filosofie, wetenschap en religie belichaamd in de symbolen die de tempel van Apet in Luxor versieren. Schwaller de Lubicz heeft ook een studie geschreven over het werk van Theon van Smyrna en de Pythagorese wiskunde. Zie: ‘Een is Een, nu en altijd’, Sunrise, april 1980, voor een bespreking van een recente vertaling van Theons grote werk: Mathematics useful for understanding Plato.

Het eerste deel van Nature Word is in de vorm van een dialoog tussen het verstand en het ‘woord van de natuur’. Het tweede deel bestaat uit bespiegelingen over de inhoud van het eerste. Hij legt er de nadruk op dat evolutie in werkelijkheid de groei van bewustzijn is. Dit betekent dat de voertuigen of lichamen van de talloze wezens op aarde kanalen zijn om uitdrukking te geven aan de eigenschappen en kenmerken van de wezens die al deze levensvormen bewonen. Verder zegt hij dat we alleen door begrip van de eenheid van het leven kunnen hopen de taal van de natuur te verstaan en inzicht te verwerven in de levensverschijnselen. Voordat we nog maar kort geleden onze planeet gingen zien als een biosfeer of ecostelsel, waarin alle wezens met elkaar zijn verbonden, zag Schwaller de Lubicz de aarde al als een belichaming van bewustzijn.

U bent het heelal omdat het heelal zelfs in het kleinste knopje van een plant aanwezig is. Men kan zeggen dat er tussen die knop en de ontplooiing tot blad een tijdsperiode ligt, en dat dit blad ieder moment enigszins groeit. Hoelang en hoeveel? Verruim dit beeld tot ‘oneindige’ tijden en hoeveelheden. Uw logica voert u naar het absurde maar, let wel, die absurditeit is de deur die toegang geeft tot de waarheid. Ga uit van deze ‘logische absurditeit’ en vermijd daarentegen de kennis die u erheen voert.   – blz. 74

Dat wil zeggen dat het verstandelijke deel van het denken het ‘oneindige’ niet kan begrijpen, omdat het de neiging heeft alle dingen tot hun bestanddelen te herleiden. Als we onszelf zien als groeiende bladknoppen, dan kunnen we door de dingen te ontleden alleen betrekkelijke vormen begrijpen en nooit weten wat de bladknop of wat groei zelf is. Want groei is meer dan alleen een opeenvolging van stadia of een aaneenvoeging van delen. We kunnen ons natuurlijk wel bepaalde stadia voorstellen, maar in werkelijkheid is er geen vaste grens tussen twee groeistadia. En de schrijver stelt de interessante vraag: ‘Welke delen van de knop wilt u samenvoegen om het blad te maken?’

Wat maakt het uit of u in deze woorden een soort metafysische poëzie over min of meer ‘nevelige’ theorieën ziet? Ik raad u slechts aan vergelijkingen te vermijden, omdat er noch klein noch groot is: het is alleen de functie die men in aanmerking moet nemen.    – blz. 75

Vaak wordt de kwestie van het proefondervindelijke bewijs te berde gebracht. De Lubicz zegt dat de enige realiteit op dit terrein de ‘natuurlijke algemene gesteldheid van de dingen’ is, die we, zoals hij opmerkt, tevergeefs in wetten formuleren. Hij benadrukt dat ‘deze gesteldheid kosmisch is; ze leeft in de kosmos en is wat ik hier het functionele beginsel noem. Sommigen hebben deze beginselen goddelijke eigenschappen genoemd, of zelfs namen van God gegeven; de oude Egyptenaren noemden ze ‘neters’, een woord dat kabbalistisch is verbonden met ‘nitr’ en met ‘natuur’.’

De functie van groei is het abstracte concreet te maken (en ook, zo kunnen we eraan toevoegen, het concrete in het onstoffelijke of spirituele om te zetten). Dit betekent dat de subjectieve aspecten van entiteiten uit hun potentiële of latente toestand tot objectieve werkzaamheid worden gebracht. De auteur omschrijft de scheppende functie als de ‘Eenheid die tweevoudig wordt’, waarna de hele natuur het ‘gevolg van deling’ wordt. In wezen betekent dit dat men het leven en al zijn verschijnselen op verschillende manieren kan zien: (1) als objecten; en (2) als subjecten, vanuit het subjectieve standpunt.

Het eerste heeft de gedachte van afgescheidenheid tot gevolg, die in deze tijd meer dan ooit als de vloek van ons bestaan kan worden beschouwd, want het komt neer op het algemene waandenkbeeld dat we losstaan van de natuur. De gedachte van afgescheidenheid verdeelt de mensen ook onderling en scheidt de objecten van de waarnemer en het proces van waarneming – wat een kunstmatige verdeling betekent van één doorgaand levensproces. Uit de tweede zienswijze vloeit het besef voort, dat alles in de kosmos een geheel is, een organisme, en dat de verschillen die men ziet tussen de samenstellende delen voornamelijk zijn toe te schrijven aan functies en schaalverhoudingen van klein naar groot.

Onze extraverte westerse cultuur is voor een groot deel gericht op waarneming, en wil men een filosofie bouwen op wat we waarnemen, dan is zo’n filosofie fundamenteel gebonden aan symbolen. In het voorwoord van Nature Word zegt Christopher Bamford, dat ‘alle verschijnselen vanuit dit gezichtspunt symbolen of symbolisch zijn’ .

Het zijn de noodzakelijke vertegenwoordigers of dragers van de kennis die ze bevatten of belichamen – die kennis is dat wat ze maakt tot wat ze zijn, het beginsel waarnaar ze functioneren, Zo is elk ding in de natuur – elke vogel, boom en bloem – als het ware een vraag die haar eigen potentiële antwoord, betekenis en verklaring bevat. Alle verschijnselen – licht, kleur, geluid – en alle natuurprocessen – ontkieming, groei, vertering, gisting – bevatten het vermogen om in de ervaren waarnemer, als hij ze niet omlaaghaalt, de juiste reactie op te roepen, die hun betekenis is. Deze Hermetische leer van de wisselwerking tussen mens en wereld wordt goed weergegeven door Goethe, als hij schrijft: ‘De mens kent zichzelf alleen voor zover hij de wereld kent, en hij wordt zich van haar alleen bewust in zichzelf, en van zichzelf alleen in die wereld. Elk nieuw subject dat goed wordt geobserveerd, opent in ons een nieuw denkorgaan .’    – blz. 30

Bamford, die grondig bekend is met het denken van Schwaller de Lubicz, wijst erop dat de Hermetische wetenschap waarin de schrijver van Nature Word doorkneed is, de deur opent voor het begrijpen van de verschijnselen van ‘leven, licht, ruimte, tijd, stof’. Voor Bamford en ook voor de schrijver geldt dat: ‘Schepping theofanie is; en theofanie theosis’*, en dat het goddelijk bewustzijn, de ‘verborgen schat’ in het hart van alle dingen, vurig verlangt door de groeiende, evoluerende wezens die het bezielt, te worden gekend. De ‘kennis van het hart’ wordt, zoals de Hermetica zegt, uit de stilte geboren, en ze voegt eraan toe dat zij die stilte is; het is een soort kennis die verschilt van zintuiglijke waarneming of het opstapelen van gegevens, die we ten onrechte voor de enige soort kennis houden die er is. Al in 1926 was Schwaller de Lubicz het oneens met de vermaarde formule van Descartes: ‘Ik denk, daarom ben ik.’ We weten echter dat we bestaan omdat we leven en omdat we onze betrokkenheid bij de processen van het aardse leven ervaren. Al weten we dit misschien wel, we dringen niet door tot de werkelijke wezens die de lichamelijke vormen gebruiken. Met andere woorden, we worden misleid door de verschijningsvormen en kijken niet onder de oppervlakte in de diepere lagen van het zijn in ons allen. Het ‘ik’ van onze identiteit vooronderstelt een ‘ik’ in het heelal, het Ene dat niet afgescheiden is van het vele, maar dat daarin de bezielende essentie is. De vraag die de geesten van filosofen en theologen bezighoudt – hoe kan het Ene het vele scheppen, of wat kan de relatie tussen deze twee zijn? – zou zich niet als probleem moeten voordoen, want in de voorgaande context zijn deze woorden niet strijdig met elkaar.

*Theofanie betekent het ‘verschijnen (of tevoorschijn treden) van een god’, en theosis ‘een goddelijke toestand, staat of proces’.

Pherecydes van Syros, wie de eer wordt gegeven een van de leermeesters van Pythagoras te zijn geweest, leerde dat

Zeus zich, toen hij op het punt stond te scheppen, in liefde veranderde; want bij het vormen van de wereldorde uit tegenstellingen, bracht hij deze tot harmonie en vriendschap, en plantte hij in alle dingen het zaad van gelijkheid en de eenheid die alles doordringt.    – geciteerd op blz. 19

Zo is het: de taal van het hart is liefde, en die uit zich in mededogen voor alle wezens, ongeacht hun vorm of soort; ze komt inderdaad tot uitdrukking als vriendelijkheid, de ware vriendelijkheid van welgezindheid.

Volgens Bamford heeft Schwaller de Lubicz zijn boek gebaseerd op de Tafel van Smaragd van Hermes, de Tabula Smaragdina.* In essentie wordt hierin gezegd, dat wat we hier op aarde waarnemen een weerspiegeling is van wat in de kosmos bestaat, want ‘wat beneden is, is als dat wat boven is, en wat boven is, is als dat wat beneden is, om de wonderen van één ding te volbrengen. . . . De kleine wereld wordt dus geschapen volgens het prototype van de grote wereld’ – d.w.z. de kosmos.

*De volledige tekst van de Tafel van Smaragd werd gepubliceerd in de inleiding tot The Divine Pymander of Hermes Mercurius Trismegistus van dr. Everard, een boek dat in 1650 voor het eerst werd gedrukt.

In zijn slothoofdstuk stelt de schrijver de vraag of hij ‘functioneel bewustzijn’ niet ‘ziel’ moet noemen. Velen zouden het met hem eens zijn, dat het dat is wat alles bezielt. Maar dan stelt hij nog een vraag: ‘Wat verstaan wij tegenwoordig onder het woord ziel?’ en dat is inderdaad een uitdaging, een sleutel om deuren te openen die tot begrip leiden. ‘Functioneel bewustzijn’ in deze context is bewustzijn in werking, positief, niet passief, niet alleen een blad papier waarop door de gebeurtenissen van het dagelijks leven moet worden geschreven.

Het thema van deze verhandeling is veelomvattend en behelst de meest innerlijke verlangens en ervaringen van de schrijver. Daarmee komen we tot de uiteindelijke vraag: Wat is dan wel de ‘intelligentie van het hart’ waardoor we de werkelijkheid achter de 1001 dingen van de aardse verschijnselen kunnen leren kennen? Het is dat aspect van onszelf dat daarop reageert, omdat het eraan verwant en de bron van onze intuïties is, en dat alleen schijnt in staat de organismen als een geheel te zien, van het grote tot het kleine en weer terug tot het grote.

Een oude Chinese zegswijze luidt, dat de stoffelijke verschijnselen die we waarnemen, worden bezield door de chi-energie, de eerste manifestatie van licht, dat zich polariseert in de positieve en negatieve of yang-yin krachten die zich op velerlei manieren openbaren. Een Chinese rolschildering van een landschap zou een volmaakte illustratie zijn van Nature Word – want ieder onderdeel van de afbeelding is nodig om het geheel te completeren en het ten volle te kunnen waarderen. De mens komt erin voor als een deel van de natuur, niet meer en niet minder. Het landschap is daarom meer dan alleen een afbeelding van een tafereel; het is groter dan de delen die het samenstellen, want uit alles spreekt de ontastbare essentie die het doordringt, de geest van de plaats. Die gedachte is het die bij ons opkomt als we aan het heelal denken als een onmetelijk organisme.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency