Wetenschap en religie: samenwerkers of tegenstanders?
Marilyn Oliver

 

Hoe wetenschap en religie met elkaar moeten worden verzoend, is een probleem dat we al kennen sinds de inquisitie de ontdekkingen van Galilei veroordeelde, maar nog nooit is onze levensstijl zo bestookt door de technologie als in de laatste jaren. Computers, magnetrons en computerspellen zijn onze woningen binnengedrongen; in het laboratorium kan leven worden ‘geschapen’, en duivelse wapens, waarvan we enkele jaren geleden nog niet konden dromen, liggen nu binnen handbereik van leiders over wier oordeel we vaak twijfels hebben. Liggen de amorele werelden, zoals Aldous Huxley en George Orwell die beschreven, vlak om de hoek, of is er nog hoop dat de mensheid de ontmenselijkende krachten, die een blijvend bestaan op aarde bedreigen, kan neutraliseren?

Velen zijn in staat de wereld van de religie gescheiden te houden van die van de wetenschap en zien ze eerder als afzonderlijke gebieden dan als delen van een onderling nauw verbonden geheel. Dat zou kunnen als de wetenschap niet zelf haar eigen filosofie had, die soms de religie nadert. Bepaalde hedendaagse stromingen kunnen we zien als vertegenwoordigers van het verlangen de problemen van onze technologische maatschappij te ontvluchten en terug te keren tot een geloofsvorm met duidelijk omschreven gedragsregels en gesteund door de bijbelse leer. De westerse maatschappij staat ook niet alleen in dit verlangen terug te keren tot de regels uit het verleden, want we zien dezelfde neiging bij andere maatschappelijke stelsels. Hoewel zulke bewegingen een begrijpelijke reactie zijn op een stuurloos schijnende wereld, zijn de regels die pasten in een agrarische, pre-industriële maatschappij, helaas ontoereikend, ja zelfs gevaarlijk voor de tijd waarin we leven. In plaats van de problemen, ontstaan door de technologische vooruitgang de rug toe te keren, moeten we proberen ze in overeenstemming te brengen met de morele regels waarnaar we zeggen te leven.

De filosofische premisse die aan de wetenschap ten grondslag ligt is het onderzoek van het stoffelijk heelal: ten eerste, het objectief waarnemen van de natuurverschijnselen; ten tweede, het opstellen van hypothesen om ze te verklaren; ten derde, ze onbevooroordeeld te toetsen. Door de hypothesen telkens weer grondig te toetsen en door te experimenteren, worden ze nauwkeuriger en betrouwbaarder. Wetenschappelijk onderzoek gedijt in een klimaat van vrijheid. Het heeft van en uit zichzelf geen bepaalde moraal. Zuiver onderzoek is onpersoonlijk: dezelfde technologie die levens kan redden door medische vernieuwingen kan levens vernietigen door modern wapentuig. Als een wetenschappelijk onderzoeker eenmaal werkt aan een nieuwe theorie, kan hij niet terug omdat zijn ontdekking de mogelijkheid van misbruik insluit, evenmin als de mens in de oudheid weigerde gebruik te maken van vuur omdat hij er zich net zo goed aan kon branden als zijn maal op koken. Bovendien, als de deur naar een ontdekking eenmaal is geopend, zal iemand ergens anders hetzelfde resultaat bereiken. Of een ‘dappere nieuwe wereld’ vlak om de hoek ligt, hangt dan ook minder af van de ontdekking dat levensvormen kunstmatig kunnen worden geschapen dan van onze opvattingen over de innerlijke waarde van het leven.

In tegenstelling tot de wetenschap probeert het religieuze denken, al dan niet georganiseerd, antwoorden te vinden op de eeuwige vragen die de betekenis van het leven, de kracht achter de schepping en de mogelijkheid van een voortgezet bestaan na de dood betreffen. Op het mentale of intellectuele vlak geeft het antwoord op de vragen: Vanwaar? Waarom? en Waarheen? Op het praktische, ethische vlak geeft het de mens een basis voor zijn handelen en helpt het hem de uitdagingen en problemen van het leven tegemoet te treden, en op het spirituele vlak probeert de verlichte ziel de bovenzinnelijke kracht achter het hele bestaan te leren kennen en er een deel van te worden. Religieuze ervaring moet gericht zijn op alle drie, want om werkelijk een volledig mens te worden, moet men zijn evenwicht vinden in de drie-eenheid van lichaam, denken en geest. Door ons geloof en onze daden in aparte, luchtdicht afgesloten hokjes te plaatsen, verwijderen we ons van het gewenste doel van universele eenheid.

Op het intellectuele terrein heeft de wetenschap de antwoorden die de godsdienst geeft over het functioneren van het heelal aangevallen. Fundamentalisten, die de scheppingsmythen letterlijk aanvaarden, weigeren aandacht te schenken aan de wetenschappelijke evolutie-theorieën; andere groepen interpreteren de scheppingsverhalen symbolisch, zonder afbreuk te doen aan hun opvatting van een opperwezen. Wetenschappelijke ontdekkingen omtrent de aard van het heelal, zijn meer in conflict met de joods-christelijke traditie dan met sommige van de andere wereldgodsdiensten. De oosterse religies en transcendentalisten lossen het probleem op door te zeggen dat de Opperste Heer, Krishna, Brahman, Oneindige Intelligentie, God (de naam is niet van belang) het gehele zijn en bestaan doordringt; het wetenschappelijk onderzoek verschaft ons meer gegevens en begrip van het tot uitdrukking komen van deze kracht.

Op metafysisch terrein is de tegenstelling tussen wetenschap en religie minder groot. Iemand die de kracht van het goddelijke voelt die door en in zijn leven werkt, vindt bewijzen voor het bestaan van die kracht of macht onnodig. Zijn ervaring is een voldoende bewijs. Aan de andere kant wordt een stilstaand geloof, gebaseerd op traditie en vrees, een wezenlijk gevaar wanneer godsdienstig fanatisme probeert vat te krijgen op de wijze waarop anderen denken, waardoor censuur en onderdrukking in de naam van de godsdienst een altijd aanwezige bedreiging vormen. Maar de man of vrouw die de rol en de invloed van de wetenschap en de technologie in zijn leven kan aanvaarden zonder de eenmakende kracht van de religie buiten te sluiten, kan een belangrijke rol spelen door de weg te wijzen naar de vestiging van een meer humane en liefdevolle samenleving.

Zowel wetenschap als religie zijn op zoek naar een soort orde, een manier om de ingewikkeldheden van het heelal en van het bestaan te ontrafelen. Beide voegen iets toe aan de menselijke waardigheid: de wetenschap, door ons gevoel voor de uiteindelijke waarheid en de schoonheid van de natuur te vergroten; de religieuze ervaring, door ons aan te moedigen spirituele wijsheid te ontwikkelen, omdat die alleen ons kan helpen de nooit eindigende mysteries van het bestaan te begrijpen. Wat nodig is, is een ruimere, minder starre definitie van religie, die ruimte biedt aan nieuwe ontdekkingen en inzichten, een definitie die zoekt naar de zin van de paradoxale menselijke ervaringen en die tegelijk het bestaan van een uiteindelijk mysterie erkent. De mensheid heeft voortdurend de hulp nodig van wetenschap en religie. Geen van beide kan worden gemist.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency