De menselijke mogelijkheden
James A. Long

 

Vertaald uit Engelse Sunrise, augustus 1955, blz. 321.

Als we ernstig proberen onszelf te leren kennen, dan beseffen we al gauw dat we het leven veel ruimer moeten zien dan we gewoonlijk doen. Waarom zijn we hier; waar gaan we heen; en hoe kunnen we onze verantwoordelijkheden tegemoet treden? Dit zijn eenvoudige maar fundamentele vragen waarmee iedereen die nadenkt te maken krijgt. We kunnen niet ver in ons eigen karakter doordringen, in het bijzonder in het onsterfelijk deel van onszelf, zonder dat we ons afvragen hoe wij, als individuen en als levende eenheden van de mensheid, in het algemene patroon passen.

De meesten van ons komen uit christelijke gezinnen en werden, zo niet in de kerk zelf, toch opgevoed in de atmosfeer van dogmatische ideeën en opvattingen. Als volwassenen, en onder de toenemende druk van het huidige atoomtijdperk – een druk die we niet moeten negeren maar op verstandige wijze tegemoet moeten treden – zijn we gedwongen de grenzen en beperkingen van vroegere opvattingen te overschrijden. Naarmate ons denken en ons onderzoek zich verruimden, kwamen we niet alleen tot de ontdekking dat er andere religies bestaan, die even invloedrijk zijn als de christelijke, maar ook dat vele ideeën die van fundamenteel belang zijn in het christendom, ook de grondslag vormen van andere oosterse en westerse heilige geschriften. We vinden inderdaad zoveel bewijzen van een gemeenschappelijke stroom van gedachten, dat we tot de overtuiging komen dat elke grote religie, elke grote filosofie, vanaf de oudheid, via de middeleeuwen en zelfs tot in onze dagen, hun grondslag vinden in een heilige traditie, een oude stroom van wijsheid die, verborgen achter de uiterlijke vormen van heilige geschriften en legenden, zelf ontspringt aan de bron van waarheid,

Door geschriften, mythen en legenden van andere landen met elkaar te vergelijken, ontdekken we dat het scheppingsverhaal van Genesis bijvoorbeeld, slechts één aspect is van een universeel verhaal, dat als een heilig bezit in een of andere vorm door ieder volk in de hele wereld werd bewaard, zowel door zogenaamd beschaafde als onbeschaafde volkeren. Ook al hebben wetenschappelijke ontwikkelingen en archeologische ontdekkingen onomstotelijk bewezen dat onze aarde miljoenen jaren oud is, in plaats van een schamele 6000 jaar, toch zijn deze scheppingsverhalen geen fantasie of kinderlijke voorstellingen. Maar hoe verklaren we de schepping van hemel en aarde in zes dagen, gevolgd door een zevende waarop God rustte! Letterlijk genomen is het absurd; maar zo was het ook nooit bedoeld, De scheppingsdagen uit de christelijke Bijbel of uit de Purana’s, uit de legende van de Amerikaanse indianen of van de Perzen, symboliseren de dagen van manifestatie of activiteit, gevolgd door nachten van terugtrekking of rust – en elk van deze dagen is een levenscyclus van aardse ervaringen, die varieert van enkele duizenden tot misschien honderdduizenden jaren, afhankelijk van de aard van de cyclus.

Dit alles voert ons tot de conclusie dat ook de mens heel oud moet zijn. Sommige geschriften zeggen dan ook dat er minstens 18 miljoen jaar zijn verstreken sinds de mens een zelfbewust wezen werd! Hoe oud hij ook is, miljoenen jaren of slechts enkele duizenden, het blijft een feit dat alle grote spirituele hervormers in de loop der eeuwen onvermoeibaar hebben geprobeerd u en mij een ruimer beeld te geven van de ingeboren mogelijkheden van de mens. Want de mens is inderdaad een mysterieus en wonderlijk gevormd wezen. Hij is geen simpel, enkelvoudig wezen. Hij heeft een samengestelde natuur.

In het Nieuwe Testament spreekt Paulus over de drievoudige aard van de mens: lichaam, ziel en geest. Dat was in die dagen de eenvoudige basis waarop de samenstelling van de mens voor het volk werd beschreven. Maar in de mysteriescholen en in die oude centra van training die de filosofen bezochten om die dingen te leren die gewoonlijk niet aan de rest van de mensen werden gegeven, werd de zevenvoudige samenstelling van de mens en het heelal bestudeerd. Daarom zei meester Jezus in zijn dagen tot zijn discipelen: ‘Tot de menigte spreek ik in gelijkenissen, maar aan u onthul ik de mysteriën.’

Soms werd de mens in vier beginselen verdeeld, ook wel in vijf, maar in het algemeen werd op de drie grondbeginselen de nadruk gelegd, zoals Paulus deed in zijn brieven aan de Corinthiërs, of ze werden bij diepere studie uitgebreid tot zeven. Welke methode wordt gebruikt is van minder belang dan het feit dat alle heilige geschriften uit het Oosten en het Westen, het Noorden en het Zuiden, hetzelfde verhaal brengen over God of de Godheid, Brahma of Allah, kortom over de goddelijke intelligentie, die periodiek een deel van zichzelf openbaart, een deel van zijn eigenschappen, ter wille van de schepping – niet alleen de mensheid, maar ook de dieren, planten, delfstoffen en zelfs de atomaire levens die elk aspect van het heelal bezielen: ‘Niet ik doe deze dingen maar de Vader – de goddelijke intelligentie die in mij werkt.’ Een uitspraak die het identieke beginsel onthult dat in alle religies te vinden is: dat ieder levend ding, de mens inbegrepen, in zijn diepste wezen een vonk meevoert van die goddelijke intelligentie die een deel van zichzelf op deze aardbol heeft gemanifesteerd; en dat het ten slotte onze taak is, in vele miljoenen jaren, het mogelijk te maken dat de stralen daarvan onze hele samnstelling en dus ons hele leven verlichten.

Daarom zijn we hier; daarom kwamen we op deze aarde: om die godsvonk de kans te geven verdere ervaringen op te doen in wat we de hiërarchieën van het leven kunnen noemen. Die godsvonk is het hoogste deel van onze natuur, maar in dit stadium van onze evolutie is de mens gehuld in vele bekleedselen van verschillende graad van stoffelijkheid. En toch is die goddelijke drang de drijvende kracht achter alle leven, waardoor we soms in grote moeilijkheden worden gevoerd, opdat we uit de ervaringen die we opdoen de zuivere essentie van waarheid putten.

Hier zijn we dan, leden van het mensenrijk, die in al die eeuwen met slechts betrekkelijk succes een drievoud van lichaam, ziel en geest hebben ontwikkeld, en toch begrijpen we onszelf in helemaal niet. Het schijnt dat we hebben vergeten wat onze kracht is: de goddelijke gave van de vrije wil, die ons niet alleen de mogelijkheid geeft, maar ook de verheven plicht te kiezen in welk aspect van onze natuur we willen leven: in het ‘lichaam’ van onze lagere mentale en emotionele verlangens; in de ‘ziel’ van ons, die moeilijke arena, die als een spiegel weerkaatst wat van boven en wat van beneden komt, en zo de eeuwige strijd vertegenwoordigt tussen aspiratie en trots – aspiratie naar waarheid ten koste van alles; of trots op de macht over stoffelijke dingen; en ten derde, de ‘geest’ – de bron in de mens van al wat goed en waar is.

Wat dwingt ons iedere ochtend de problemen en verantwoordelijkheden van het leven weer op te nemen? Is het niet die dynamische kracht die ons nooit rust gunt in het evolutionaire groeipatroon? Laten we eens een moment het drievoudige idee van Paulus uitbreiden tot een zevenvoud, zoals de oude filosofen deden, want het kan ons helpen een vergelijking te trekken tussen de manier waarop we gewoonlijk de mens en zijn aard bekijken, en de methoden van andere heilige geschriften. In een van de Upanishads, die uit het Sanskriet in westerse talen zijn vertaald, de Katha, wordt de mens vergeleken met een strijdwagen, en wordt de goddelijke wil, het hoogste zelf, genoemd als de meester van de strijdwagen en ook als de passagier ervan. De wagenmenner is de spirituele wil, de intuïtie of de spirituele ziel; de teugels in de handen van de wagenmenner vertegenwoordigen de menselijke wil of het denken; de paarden zijn de verlangens en de zinnen; de weg waarop de paarden de wagen trekken zijn de voorwerpen van onze verlangens; en de wagen zelf wordt gezien als het lichaam, het voertuig van onze persoonlijkheid op aarde.

Dat is voor mij een treffende analogie die nader onderzoek verdient, omdat ze een totaal nieuw licht werpt op onze problemen. In plaats dat het zielendeel van ons zich voortdurend verscheurd voelt tussen het ‘geest’ aspect van onze natuur en het ‘lichaam’, zien we onmiddellijk met deze verdeling in zeven aspecten dat, welke weg van evolutionaire ervaring de mens ook gaat, hij niet alleen wordt geleid door zijn denken, maar dat hij, als hij dat wenst, letterlijk leiding en bescherming kan krijgen van de meester van de wagen, de Vader in hem. Want hoe stil en lankmoedig deze ook mag zijn, hij is altijd bij ons; en zo nu en dan ervaart ieder van ons, de goden zij dank, dat die beschermengel ons beschermt, ondanks onszelf.

De wagenmenner, die de dienaar van de meester is, de spirituele wil of de intuïtie, tracht de teugels van ons denken in de hand te houden, maar stort vaak tranen omdat wij met onze menselijke wil er geen acht op slaan; de paarden volgen, even natuurlijk als de zon die elke dag opkomt, de voorwerpen van onze verlangens en zinnen, zoals de menselijke wil aangeeft. Naar de mate dat onze menselijke wil de impulsen van de wagenmenner gehoorzaamt, is hij de dienaar van de spirituele krachten van onze natuur; net zoals de wagenmenner of het intuïtieve aspect de rechtstreekse dienaar is van de goddelijke wil, de meester van de wagen.

Wat betekent dit allemaal? Als we denken aan het menselijk potentieel, gezien in dit ruimere verband, het alomvattende patroon, dan is de belangrijkste factor dat die goddelijke vonk, de meester van de wagen, de grondslag vormt van het hele evolutionaire gebeuren – daarom zijn we hier op aarde; het verklaart waarheen we op weg zijn; het geeft ons visie en de kracht de druk van onze verantwoordelijkheden het hoofd te bieden. Want in de mens ligt het vermogen om te kiezen. Als de mens niet alleen een wagen is, voortgetrokken door de paarden van zijn verlangens, maar als de paarden zelf worden geleid door de menselijke ziel, verlicht door de spirituele wil, dan kunnen we er zeker van zijn dat de weg waarop we reizen, of die recht en effen, of bochtig en ruw is, precies dat pad van ervaring is dat we nodig hebben om onze innerlijke vermogens tot uitdrukking te brengen.

 
James A. Long
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency