De twee paden
Raymond Rugland

 

Toen H.P. Blavatsky in 1889 haar Stem van de stilte schreef en het opdroeg ‘aan de weinigen’, bracht ze slechts iets van de leringen in de openbaarheid die zijzelf in de esoterische scholen had ontvangen. Dat ze sprak van de ‘weinigen’, betekende niet dat ze iemand wilde buitensluiten, wat, gezien de publicatie van dit werk, duidelijk is. Het is echter wel waar dat maar weinigen de werkelijkheid herkennen achter de uiterlijke schijn, of de kracht achter de zachte fluisteringen en de roerselen van hun eigen innerlijke natuur.

Hoeveel van alle ideeën waarin mensen geloven, en die vaak afkomstig zijn uit een zuivere bron – heilige mensen en de oude wijsheid – hebben de kracht en het vermogen ons leven te veranderen en ons zo ver te brengen dat we de waarheid van onze overtuiging ervaren en kennen?

Werken als de Stem bevatten nooit iets dat lijkt op een poging de lezer te overtuigen of te bekeren. Geen occult leraar (die deze naam verdient) zou het wagen anderen te onderrichten in een methode die hij niet zelf heeft getoetst en bekrachtigd door zijn persoonlijk voorbeeld.

De mens kan alleen goed zijn toegerust voor zijn eeuwige pelgrimstocht als hij aan het begin een glimp heeft opgevangen van de zin en het doel van het universele plan. Eenvoudig gezegd, alle levende dingen – van de grootste tot de kleinste, zichtbare en onzichtbare – zijn stralen uit de goddelijke bron, die hun evolutiereis begonnen, geladen met de volle kracht van hun ouder. Dat de mens tot grotere dingen en vervolmaking in staat is, behoeft niet te worden betwijfeld. Hoezeer verlangt zijn eeuwige ziel, verlicht door de vonk van zijn innerlijke goddelijke natuur, maar nu gevangen in de lessen en ervaringen van het menselijk bestaan, naar de wijsheid, tederheid en goedheid van het hartenleven. Helaas is het zo dat we allemaal het goddelijk vuur wel in ons hebben, maar dat we het niet weten en niet zien in het leven van alle anderen met wie we in aanraking komen en waarvan we voor ons eigen bestaan afhankelijk zijn.

Zijn deze eerste lessen eenmaal geleerd, dan kan een leraar ons wijzen op de uiteindelijke grote keuze die eens in de toekomst moet worden gedaan door hem die de drempel van het boeddhaschap bereikt, na een lange en moeilijke strijd omhoog. Hij weet alles wat de wereld hem kan leren en is gereed zijn lager zelf te verenigen met de Grote Ziel. Dat is het pad dat uiteindelijk leidt tot bevrijding – vrij zijn van wedergeboorte op aarde en van de ketenen van de stof. Maar het bereiken van dat doel bevoordeelt in hoofdzaak alleen degene die ernaar streeft, en die een pratyekaboeddha of ‘boeddha voor zichzelf’ wordt genoemd.

Het tweede pad is hetzelfde als het eerste, tot het moment van aanvaarding van de grootse beloning aanbreekt. Door zijn vertrouwen te stellen in het ‘blijvende en eeuwigdurende’ – DAT wat de hele natuur onderhoudt – zal hij die dit pad volgt elke beloning weigeren en terugkeren om anderen te onderrichten die nog in verwarring verkeren en zich verloren wanen in de duisternis van ontmoediging en onwetendheid. Zo iemand, die gewend is het welzijn van anderen voor het zijne te plaatsen, is de belichaming van de hartenleer.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency