Het kleinste en het grootste
Grace F. Knoche

 

Wat is het dat de kleinste deeltjes activeert en de onmetelijke uitgestrektheid van de ruimte bezielt? Hoewel onbeschrijfelijk en onbenoembaar, heeft het een duizendtal namen omdat mensen uit alle beschavingen en tijden het probeerden te begrijpen. Het is het mysterie der mysteriën: leven, adem, bewustzijn – goddelijkheid – brengt uit zichzelf een heelal voort van evoluerende levens en trekt, als de cyclus ten einde loopt, de krachten in zich terug, zodat wat gemanifesteerd was, ongemanifesteerd wordt, want de dood van de vorm bevrijdt de geest.

In India, in zijn periode van spirituele adeldom, werden duizenden jaren geleden door rishi’s en wijzen heilige waarheden meegedeeld aan chela’s die kennis zochten omtrent zichzelf en de gebieden buiten de aarde. Zij leerden dat uit Brahman, het allerhoogste, opeenvolgende werelden tevoorschijn komen, die weer uiteenvallen en vervolgens weer herboren worden; dat het licht dat in het hart van de mens straalt, hetzelfde licht is dat de hoogste gebieden verlicht; want Brahman woont in de atman, het innerlijkste zelf van alle wezens: ‘kleiner dan het atoom, groter dan het grote . . . . . gering van omvang en toch onderhouder van werelden’. Als een echo van de universele traditie, getuigen de Upanishads, de Purana’s en de Bhagavad Gita van het mystieke één zijn van alles met het Ene en van het Ene met alles.

Verschilt dit in beginsel wel zoveel van de gewaagde nieuwe theorieën die tegenwoordig door natuurkundigen, biologen, kosmologen en anderen naar voren worden gebracht? Het is moeilijk te zeggen of zij mystieke wetenschappers of wetenschappelijke mystici aan het worden zijn. We nemen één voorbeeld, David Bohm, tot voor kort professor in de theoretische natuurkunde aan het Birkbeck College, University of London. In zijn laatste boek, Wholeness and the Implicate Order (1980)*, laat hij het deeltjesbeeld van de kwantumtheorie achter zich en ziet hij het heelal niet langer als een samenstel van delen, maar als een geheel, een ononderbroken voortgaande beweging, waarvan de ‘uiteindelijke bestaansgrond volstrekt onuitsprekelijk, volstrekt onvoorwaardelijk is’. Tussen het onuitsprekelijke en onze stoffelijke wereld plaatst hij een holobeweging (holo: geheel), waarin zich een ‘immense ‘zee’ van energie zonder grenzen’ bevindt. Daaruit vloeit een ‘toestand van inwikkeling’ voort – een toestand van bewustzijn, waarin denken, wil, verlangen en gevoel ingewikkeld zijn – die zich daarna ontvouwt tot een ‘toestand van ontwikkeling’, een toestand van materie aan het verste uiteinde van de holobeweging. Eenvoudiger gezegd, alles wat tevoren ingewikkeld was op het gebied van het bewustzijn, wordt ontvouwd of ontwikkeld, dat wil zeggen dat het hier in onze bekende wereld, waar alles uit afzonderlijke en gescheiden delen schijnt te zijn opgebouwd, tot uitdrukking komt.

*Zie ook The Journal of Transpersonal Psychology, 12:1; ReVision 4:1, 5:2.

Sinds de publicatie van zijn boek, heeft dr. Bohm zijn ideeën in lezingen en interviews aangevuld. ‘Het hele begrip ‘inwikkeling’ is in de eerste plaats een manier om het ontstaan te bespreken van vormen uit het vormloze via een proces van ‘ontwikkeling’ of ontvouwing. De vorm is in het begin ingewikkeld en ontwikkelt zich daarna.’ Overal ziet hij een tweevoudige energiestroom, een ‘projectie’ naar buiten in onze wereld, en een zelfde beweging in omgekeerde richting, terug naar het ingewikkelde, naar het gebied van bewustzijn en denken. Voor hem ‘doordringen’ geest en materie ‘elkaar volkomen. . . . geest beweegt of werkt in op de materie en materie is het middel waardoor de geest kan werken’ – ongeveer zoals het tweevoudige proces van involutie-van-geest en evolutie-van-stof en omgekeerd in het theosofische stelsel.

Voor Bohm is het heelal in hoge mate levend, ‘door en door, tot in de diepste diepten’, een levend organisme met een ‘sterke gerichtheid, scheppend en doelbewust’. Steeds wijst hij op wat erachter is, op de ‘diepte van het innerlijke’, op het onuitsprekelijke, de basis van ons bestaan. Het is heel goed mogelijk, voegt hij eraan toe, dat ‘erachter’ daar is, waar de ‘mysticus het transcendente en immanente ervaart als één geheel’. Hij heeft het gevoel dat we de gebeurtenissen en omstandigheden van het gewone leven verkeerd interpreteren, omdat we ze scheiden van wat we mystiek of spiritueel achten. Maar als we inzien dat we in ons denken en voelen in feite een groot deel van de tijd op een hoger niveau van bewustzijn leven, wordt de mystieke ervaring ‘een versterking, een intensivering, een verdieping van iets waaraan we deel hebben’. Want de toestand van inwikkeling komt volgens hem neer op ‘het gemeenschappelijke diep in de materie, de energie, het leven, het bewustzijn’.

Weer die nadruk op heelheid, dat waar de aspirant naar hongert, het openen van het magische venster in het hart van het zijn, van God, Brahman, het onuitsprekelijke. Als de mystieke eenwording is bereikt, als de vervulling van een leven (of levens) gewijd aan nobele doeleinden, is de transcendente ervaring relatief blijvend. Maar toch, zegt Bohm, is er geen onoverbrugbare kloof tussen een werkelijke mystieke ervaring en onszelf. Velen kennen tegenwoordig een soort van kortstondig ‘openstaan’, waarbij het besef van volslagen eenheid of heelheid hen omgeeft. Als deze voorbijgaande toestand van vervoering kunstmatig wordt teweeggebracht door middel van drugs of te intensieve psychische oefeningen, kan er een diepe depressie op volgen. Aan de andere kant kan een moment van opgaan van het zelf in het Al, als dat spontaan gebeurt – en men niet streeft naar een herhaling daarvan – een zegen zijn.

In een interview met dr. John Welwood, klinisch psycholoog in San Francisco, betreurt Bohm onze huidige manier van denken, die ‘in hoge mate analytisch, fragmentarisch en star’ is, en dat kan op de lange duur schadelijk zijn, omdat gedachten of emoties waaraan men zich krachtig hecht ‘de neiging hebben zich diep te verankeren en in feite de structuur van de hersenen blijvend vervormen’. Er worden diepe sporen getrokken waar men moeilijk weer uit komt. ‘Het vraagt veel energie en een grote wilskracht de in een eerder stadium gebouwde structuren in de hersenen te veranderen, maar het is mogelijk.’ Hij maakt de volgende interessante opmerking: ‘Er is wat we een universeel denkvermogen zouden kunnen noemen, een bewustzijn van de mensheid, dat zich nog in de ingewikkelde toestand bevindt. Het is het diepere niveau van bewustzijn, waarin de uiteindelijke gedachten waardoor de maatschappij bijeen wordt gehouden, besloten liggen.’

Zij die bekend zijn met H.P. Blavatsky’s Geheime leer zullen Bohms hypothese in verband proberen te brengen met haar drie grondstellingen* die in belangrijke mate de grondslag vormen van haar uiteenzettingen. De visie van Bohm van een onuitsprekelijke bron waaruit een ‘hole-energie’ zich transformeert tot ons stoffelijk gebied wordt bereikt, is heel goed vergelijkbaar met het theosofische model van emanatie uit het Ene en de terugkeer daarheen, zoals uiteengezet door Blavatsky, de gnostici, soefi’s, kabbalisten en neoplatonisten. Het zou echter onjuist zijn in zijn hypothese meer te lezen dan hij ermee bedoelt; bovendien moeten we zijn dringend verzoek onderstrepen om inzichten waartoe hij of een ander mocht komen, niet te beperken door er starre, metafysische begrippen van te maken. Dr. Bohm beweert niet het uiteindelijke antwoord te hebben op hoe het heelal werkelijk is, maar hij gelooft wel dat de theorie van inwikkeling/ontwikkeling ons de mogelijkheid biedt een oorspronkelijke visie en een fris inzicht te krijgen in de ‘totaliteit van het universele wordingsproces’. Hij biedt de theorie aan als een ‘stadium’ in het voortgaande onderzoek.

*Vgl. ‘Drie grondwaarheden van het Zijn,’ Sunrise, themanummer, sep/okt 1984.

De cyclus waarin we ons bevinden is buitengewoon vruchtbaar; door de gedachtewereld stromen ideeën uit oude culturen, die door intuïtieve zielen worden opgevangen en voor de moderne geest geschikt gemaakt. Als we nadenken over wat er in onze dagelijkse wereld gebeurt, lijkt het helaas dat het met onze beschaving niet zo best gaat. Ondanks alle kennis die we vergaren, hebben we verbazend weinig begrip. De mensheid die innerlijk verdeeld is, fysiek en psychologisch, staat voor geweldige onopgeloste problemen. Willen we betere tijden in het vooruitzicht hebben, dan is er meer nodig dan verheven gevoelens om de gedachtepatronen te veranderen die zich duizenden jaren lang hebben gevormd. Haat is geen privé aangelegenheid, evenmin als liefde: gewoonten in ons gedachte- en gevoelsleven laten niet alleen hun indruk achter op ons karakter en onze hersenstructuur, maar drukken ook hun stempel op de aura van de aarde, die onze gezamenlijke gedachten, emoties en aspiraties, van welke aard ook, trouw registreert. Wereldvernieuwing begint bij u en mij. Omdat we allemaal putten uit en bijdragen aan het denkklimaat van onze aardbol, is de enige zekere weg die leidt tot waarachtig begrip tussen naties, dat ieder van ons ertoe overgaat zijn eigen aard te ontdoen van de onheilbrengende zaden van kwaadwillendheid en eigenbelang; en dat kunnen we het beste doen door de kwaliteit en de richting van onze gedachten en verlangens bewust op een hoger plan te brengen.

Misschien staan we te dicht bij onze moeilijkheden om onze eigen periode van geschiedenis-vorming goed te beoordelen. Onze beschaving staat inderdaad voor ernstige beproevingen, maar er zijn ook andere belangrijke invloeden aan het werk, en al nadert de mensheid een kritiek punt in haar evolutie, wij wagen het te geloven dat een voldoende aantal mannen en vrouwen in hun privé-leven die magische verandering tot stand hebben gebracht, die een spirituele wedergeboorte op wereldschaal verzekert.

Dat zich inderdaad een krachtige transformatie voltrekt kunnen we heel goed waarnemen, want overal om ons heen zien we, als het uitschieten van fris, nieuw groen gras na een regenbui, hoe er iets ontluikt in het hart van miljoenen, die zich niet alleen wijden aan de groene aarde met al haar bewoners, maar ook aan het tot stand brengen van harmonie in de menselijke betrekkingen. We worden ons weer bewust van wat we van oudsher wisten: dat iedere levensvonk, van rups tot pulsar, een levend deel is van een kosmisch ecosysteem, waarin het kleinste en het grootste het vermogen bezitten om de weg naar de zon tot het einde te volgen: ‘grenzeloos binnenwaarts naar het atoom, grenzeloos buitenwaarts naar het al.’

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency