Het noorderlicht
N. Bentleigh

 

Op de winderige prairie van het vlakke land van Alberta, in Canada, kan men zien hoe de tarwe, ja zelfs de stoppels na de oogst, zich buigen voor de wind – altijd de wind. Er zijn op deze wijde, uitgestrekte vlakte weinig bomen en van horizon tot horizon ziet men niets anders dan hoge graansilo’s die tegen de hemel afsteken en een afwisselend patroon van goudgele en vaalbruine akkers. Het is een moeilijk land, want de temperatuur beweegt zich tussen uitersten, heet in de zomer en verschrikkelijk koud met een ijzige wind in de winter. Behalve wat de mens er heeft gebracht – tarwe, haver en vee – groeit er niet veel. Als men naar het westen kijkt kan men vaag, heel laag, waar hemel en aarde elkaar raken, hoge bergen onderscheiden. Het zijn de Rocky Mountains, maar vanaf deze onmetelijke prairie lijkt het alsof ze zijn geschilderd – het achterdoek van een theater.

Wij kwamen hier in de herfst en zelfs dit kleine saaie stadje werd heel mooi toen de bladeren gingen kleuren en door de straten dwarrelden. Al gauw kwam de regen, gevolgd door sneeuw. In de winter is het hier in het noorden erg koud. Toch is het er mooi als de eerste sneeuwvlokken vallen.

Dit wijde, vlakke, open land geeft een gevoel van vrijheid dat men in grote steden niet vindt, en er zijn nog andere dingen die veel goed maken. Ik zal nooit vergeten hoe opgewonden ik me voelde toen mijn man me laat op een avond van zijn werk opbelde en zei dat hij het noorderlicht had gezien! Ik had daar zelfs nooit aan gedacht, maar ik kleedde me zo snel mogelijk warm aan, sprong in de auto en reed het stadje uit om het licht zelf te zien. En daar was het.

De stilte die er heerst en het gevoel dat er oerkrachten werken zijn kenmerkend voor deze noordelijke streken. Vooral in de winter voelt men een bijna elektrische stimulans en we leerden op school dat het noorderlicht door elektriciteit wordt veroorzaakt. Er schuilt meer achter dan alleen elektriciteit, dat is zeker – deze grootse gekleurde banden die aan de hemel dansen! Als men ernaar kijkt wordt men zich dieper bewust van het mysterie en de onpeilbaarheid van het heelal en daagt er een lang verborgen, bijna pijnlijke herinnering aan wat eens vertrouwd was.

In zijn boek Bron van het occultisme spreekt G. de Purucker over de deuren of polen ‘waardoor niet alleen hemelse invloeden de aarde binnenkomen en verlaten, maar ook de zielen van mensen en andere wezens’. De noordpool is de ‘toegangspoort’ en de zuidpool ‘de uitlaat van de aarde of de uitgang’. Hij zegt ons dat ‘de poollichten openbaringen zijn van de psycho-magnetische vitaliteit van de aarde . . . dat zonder de ontspanning die door de psycho-elektromagnetische uitstromingen en instromingen wordt teweeggebracht, onze moeder aarde de meest verschrikkelijke rampen zou ondergaan. . . . een van de functies van de poollicht-ontladingen is dat ze de magnetische en elektrische energie in de aarde, die anders een te grote opeenhoping zou vormen, verspreidt; en zo behoeden ze haar voor verschrikkelijke rampen – stoffelijke, psychische en astrale – die zonder die verspreiding van energie zouden plaatsvinden, rampen die in de hele geschiedenis hun weerga niet vinden.’ (blz. 338-43)

De sterren stralen daar in Alberta natuurlijk veel helderder, want als men naar het noorden kijkt, weerspiegelen zich daar geen lichten van de stad tegen de hemel. Er is alleen duisternis en sterren, en land dat zich eindeloos uitstrekt, krachten die vanuit de ijzige arctische wateren over de bevroren toendra stromen, langs donkere wouden, naar deze onmetelijke vlakte waar ik sta.

Deze levenwekkende winden, de essentie van het levensbeginsel, vervolgen hun kronkelwegen van hier naar overal en weer terug. Het noorderlicht is maar één aspect van deze krachten en is van een verblindende schoonheid. Toch is zijn verschijning slechts een oneindig kleine uiting van het goddelijke wezen dat onze aarde als lichaam heeft.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency