Eindeloos
verschiet
Virginia V. George
Boekbespreking: Reincarnation: A New Horizon in Science, Religion,
and Society, Sylvia Cranston & Carey Williams, Theosophical
University Press Agency, Pasadena, 1999; isbn 9781557000255, 399 blz.
Verkrijgbaar bij TUPA.
De zorg en toewijding waarmee het onderwerp reïncarnatie en de
daarmee verbonden theosofische beginselen is behandeld, stralen met
warme gloed uit het nieuwe, door Sylvia Cranston – in dit geval
samen met Carey Williams – geschreven boek, getiteld Reincarnation:
A New Horizon in Science, Religion, and Society. Eerdere boeken
van Cranston en Head, zoals Reincarnation: The Phoenix Fire Mystery,
getuigden van grondig onderzoek – het zijn ware encyclopedieën
over reïncarnatie, en bijzonder waardevol als naslagwerken. Sylvia
Cranston is heel bekend op het gebied van het reïncarnatie-onderzoek
en Carey Williams is specialist op het terrein van gezondheidsvoorlichting
en geeft tevens cursussen over stervensbegeleiding.
Dit nieuwe boek is heel anders, liefdevol bewerkt en meer als verhaal
geschreven, afgewisseld door eigen inzichten en toelichtingen. Een deel
ervan is gewijd aan voorgeschiedenissen van kinderen die tijdens hun
allereerste jaren herinneringen bleken te hebben bewaard aan een vorig
leven. Elk geval is goed gedocumenteerd door dr. Ian Stevenson, Carlson
professor in de psychiatrie aan de Universiteit van de Medische School
van Virginia, die bij zijn collega’s in hoog aanzien staat. Hij
reisde over de hele wereld op zoek naar materiaal om zijn bevindingen
te bevestigen en tot nu toe zijn er vijf boeken gepubliceerd.
Dr. Stevenson ontdekte dat kinderen tussen twee en vier jaar de meest
geschikte leeftijd hebben om zich hun ervaringen te kunnen herinneren,
en dat ze tussen vijf en acht jaar beginnen te vergeten, als ze uit
de besloten kring van het gezin komen en de school en de grote wereld
binnengaan. Deze voorgeschiedenissen zijn, voor zover dat mogelijk is,
zorgvuldig gestaafd. Gewoonlijk beginnen kinderen voorvallen te beschrijven,
geven namen van mensen of van plaatsen waar ze zeggen te hebben geleefd
en worden soms boos als volwassenen niet naar hen luisteren of hen niet
geloven. Soms klagen ze erover dat ze zich opgesloten voelen in deze
‘kleine lichamen’.
Het gebeurt wel dat kinderen op tekens op hun lichaam (moedervlekken)
wijzen en zeggen dat ze daar door een mes, een kogel, of een ander wapen
werden verwond. Na minstens 200 van dergelijke moedervlekken te hebben
onderzocht, denkt dr. Stevenson dat er een of ander onstoffelijk lichaam
moet zijn dat bestaat ‘in een toestand waarvan wij bijna niets
weten’. In theosofische geschriften wordt dit het astrale of modellichaam
genoemd, dat automatisch de neerslag van alle ervaringen registreert.
De afdeling gewijd aan bijna-dood-ervaringen zal ieder interesseren,
of ze reïncarnationisten (wat een woord!) zijn of niet. Alle geregistreerde
gevallen tonen een gemeenschappelijk thema, zoals dr. Raymond Moody
vermeldt in zijn boek Leven na dit Leven. De betreffende persoon
is ernstig ziek of wordt geopereerd. Hij (of zij) hoort de stem van
de dokter/toeschouwer die zijn ernstige toestand bespreekt, en bemerkt
dat hij buiten zijn lichaam is, bij het plafond zweeft en op het toneel
neerziet. Hij gaat door een lange, donkere tunnel, aan het einde waarvan
mensen die hij heeft gekend en liefgehad hem tegemoetkomen en hem helpen.
Een wezen van licht verschijnt voor hem, dat een bijna onbeschrijflijke
liefde en begrip uitstraalt en dat hem een panoramisch beeld toont van
het achter hem liggende leven dat hij nu kan beoordelen. ‘Op een
bepaald punt nadert hij een soort barrière of grens, die kennelijk
de scheidslijn voorstelt tussen het aardse leven en het volgende leven’,
en hij begrijpt dat hij naar zijn aardse bestaan moet terugkeren, omdat
zijn tijd blijkbaar nog niet is gekomen. Hij keert met tegenzin terug,
want hij voelde zo’n grote vreugde en vrede en rust dat hij altijd
in die toestand zou willen blijven.
De bijna-dood-ervaring heeft een diepe invloed op de meeste mensen,
verandert vaak hun hele leven en zeker hun instelling tegenover de dood
en het leven daarna. In sommige gevallen zeggen kinderen dat ze heilige
mensen hebben ontmoet of wezens in het wit, die hen vriendelijk ontvingen,
nadat ze tevoren waren gestorven, en die hen begeleidden. Dergelijke
wezens schenen niet de volgende geboorte voor de ziel te kiezen; ze
namen deze eenvoudig mee naar de plaats waar ze haar keuze het beste
kon doen.
Dan zijn er mensen die zeggen dat ze in een subtieler, fijner lichaam
werkten, dat door muren kan zien en gaan alsof ze er niet zijn, en grote
afstanden kan afleggen met de snelheid van de gedachte. Iemand verhaalde
hoe hij betrokken was bij een bijna dodelijk ongeluk en zijn lichaam
verliet. Hij zei dat hij aan zijn moeder thuis dacht, onmiddellijk bij
haar was en haar het telegram zag ontvangen dat betrekking had op zijn
ongeluk. Daarna zag hij hoe hij, tegen zijn wil, naar een kamer dicht
bij zijn huis werd overgebracht, waar een buurvrouw zojuist een doodgeboren
meisje ter wereld had gebracht. Hij had ‘een bijna onweerstaanbare
drang mijn gezicht door de achterkant van het hoofd van de baby heen
te drukken, zodat mijn gezicht op de plaats zou komen waar het gezicht
van het kind was’. Maar toen hij dacht aan het verdriet van zijn
moeder, besefte hij dat hij naar zijn eigen lichaam terug moest gaan.
Dat deed hij, ‘en die inspanning maakte dat mijn werkelijke ik
rechtop in bed ging zitten, ten volle bewust’. Tot verbazing van
zijn ouders, herhaalde hij bijna woord voor woord een deel van het gesprek
dat zij over zijn ongeluk hadden gevoerd.
De auteurs verklaren het verschil tussen de klinische en biologische
dood en halen in dit verband uit H.P. Blavatsky’s Isis Ontsluierd
aan dat ‘een opwekking, nadat de ziel en de geest zich volledig
van het lichaam hebben gescheiden en de laatste elektrische draad is
verbroken, onmogelijk is’. En uit haar Geheime Leer [1:612],
dat opwekking uit de dood kan plaatsvinden als het ‘astrale ‘vitale
lichaam’ niet onherroepelijk is gescheiden van het stoffelijk
lichaam door het breken van het magnetische of odische koord [Odisch,
Od: elektriciteit of magnetisme]’.
Reïncarnatie vindt men terug in het christendom, gnosticisme,
jodendom, hindoeïsme, boeddhisme en aan alle blijken dezelfde opvattingen
en leringen ten grondslag te liggen. Aanvaarding van wederbelichaming
is zo algemeen in India, dat hun filosofen zich bezighouden met wat
zij als veel belangrijker zien: het bevrijden van de ziel uit de cyclus
van reïncarnatie om tot de uiteindelijke spirituele verwezenlijking
of het nirvana te komen. De Bhagavad Gita omschrijft wederbelichaming
op prachtige wijze in de volgende bekende regels: ‘Evenals een
mens oude kleren wegwerpt en nieuwe aantrekt, zo treedt de bewoner van
het lichaam, nadat hij zijn oud sterfelijk omhulsel heeft verlaten,
in andere zich opnieuw vormende lichamen.’
Er wordt heel wat ruimte gewijd aan het leven van de Boeddha, en veel
van zijn leringen, waaronder reïncarnatie, zijn gelijk aan die
in elke grote godsdienst. Ze citeren Sir Edwin Arnold:
Toen zag de Heer, nu zelf Samma-sambuddh,
bij een licht als stervelingen niet beschijnt, de loop van al zijn
levens, eindeloos ver terug, vijfhonderdvijftig. . . .
– Het Licht van Azië,
boek 6
Het hoofdstuk ‘Joodse leraren en profeten’ gaat na wat
over reïncarnatie te vinden is in het Oude Testament, de kabbala
en in de joodse mystiek. Eén kort en prachtig citaat –
‘Gebed voor het ter ruste gaan’ van de grote chassidische
leraar rabbi Shneur Zalman:
Meester van het Heelal! Hierbij vergeef ik iedereen
die me boos heeft gemaakt of geërgerd, of tegen me heeft gezondigd,
lichamelijk of geldelijk, tegen mijn eer, of iets anders van mij,
hetzij per ongeluk of opzettelijk, onbewust of willens en wetens,
in woord of daad, in deze incarnatie of in een andere.
– Siddur Tehillat Hashem
Elaine Pagels noemt gnostici ‘christenen die kennis (gnosis)
bezitten van de geheime leringen van Jezus – kennis die verborgen
is voor het merendeel van de gelovigen’ totdat ze ‘hebben
bewezen spiritueel volwassen te zijn’ – stellig een verwijzing
naar oude mysteriescholen. Gnostische leringen en onderricht waren toegankelijk
voor zowel vrouwen als mannen en wederbelichaming van de menselijke
ziel werd onderwezen.
De schrijvers zijn van mening dat godsdienstoorlogen en onverdraagzaamheid
zouden ophouden als alle mensen het beste van de wereldgodsdiensten
in hun geloof zouden opnemen, want dan zouden ‘alle grote leraren
van de mensheid de leraren van ons allen worden’. Dit boek doet
dat op kleine schaal. Als iemand een boek als dit opneemt, de titel
leest en zijn belangstelling wordt gewekt, dan zullen alle aanhalingen
en ideeën die erin te vinden zijn, misschien een snaar treffen,
herinneringen oproepen. Veel mensen vragen om ‘bewijzen’;
maar, zeggen de auteurs: ‘Welke natuurkundige heeft – zelfs
met zijn nieuwste elektronen-microscoop die 15 miljoen maal vergroot
– een elektron of een neutron gezien of ervaren, of een quark,
of de vele andere elementen waarvan wordt aangenomen dat ze in het atoom
bestaan? Toch spreekt hij over deze dingen als werkelijkheden.’
Er wordt een beschouwing gewijd aan de filosofie van reïncarnatie,
toegepast op de problemen van deze tijd – oorlog, rassen- en godsdienststrijd,
milieu en ecologische problemen, misdaad en de moeilijkheden van de
ouderdom.
Oorlog en rassenstrijd: Omdat we hier al vele malen zijn geweest,
waren we in veel verschillende landen en rassen. De vrede die we nu
tot stand brengen in de wereld, zal niet alleen een vrede zijn voor
onze kinderen – het zal een vrede zijn voor onszelf.
Milieu: Bijzonder belangrijk is hoe wij onze planeet en haar
bewoners, menselijke zowel als niet-menselijke, behandelen. De aarde
is de thuisplaats voor alles wat zich daarop bevindt en wij delen
haar met alle rijken en de zich daarin ontwikkelende zielen. Het leven
in de lagere rijken wordt telkens weer herboren, net als wij. We zijn
in het bijzonder verantwoordelijk voor de dieren; we zijn voor hen als
bodhisattva’s, daarom moeten we voor hen zorgen en met mededogen
behandelen.
Ouderdom en dood: Dood en wederbelichaming zijn analoog met
slapen en waken; alles wat we in ons leven hebben geleerd, zal ons ter
beschikking staan en een hulp zijn in ons volgende leven, net zoals
wanneer we ’s morgens wakker worden, we niet hebben vergeten wat
we de dag daarvoor hebben geleerd. Gandhi zei het volgende tegen een
vriendin die hem had geschreven over de ziekte van haar moeder:
Het is beter een lichaam te verlaten waaraan men
is ontgroeid. De mensen van wie we houden zo lang mogelijk in levende
lijve willen zien, is een zelfzuchtig verlangen. . .
De vorm verandert altijd, vergaat altijd. De bezielende
geest verandert niet en vergaat niet. Ware liefde bestaat daarin dat
men haar verplaatst van het lichaam naar de bewoner daarbinnen, en
dan onvermijdelijk de eenheid beseft van alle leven dat ontelbare
lichamen bewoont.
– Gandhi’s brieven
aan een discipel
Misdaad: Als men beseft dat er in het heelal een absoluut
rechtvaardige wet van nauwgezette vereffening bestaat, en dat die werkt
ondanks onze pogingen eronderuit te komen, dan zou men zich waarschijnlijk
tweemaal bedenken voor men een misdaad begaat.
Cranston en Williams bepleiten het houden van facultatieve cursussen
over de dood en reïncarnatie als onderdeel van het leerplan op
school. Die zouden op dezelfde wijze kunnen worden gehouden als nu het
geval is met vergelijkende godsdienstcursussen, en de studenten zouden
er zelf over kunnen beslissen. Als alle leraren (en ouders) eens konden
beseffen dat elk kind een uniek wezen is, dat uit een ver verleden is
gekomen, dat zijn persoonlijkheid, wijsheid en ingeboren kwaliteiten
in ontelbare bestaanstoestanden zijn ontwikkeld, hoeveel zorg zouden
ze dan besteden aan dit tere, evoluerende wezen!
In oktober 1979 gaf Sylvia Cranston aan de Harvard Universiteit een
college over ‘Reïncarnatie en het levensboek’, en sinds
die tijd werd haar tekst door veel docenten van hogescholen en universiteiten
gebruikt bij hun godsdienst-, filosofie- en thanatologie (onderricht
over de dood) lessen. Haar lezing werd zo gewaardeerd dat de oorspronkelijke
getypte versie wordt bewaard in de bibliotheek van Zeldzame Boeken en
Manuscripten van de Yale Universiteit.
Gedeelten van die lezing zijn in dit boek opgenomen en bevatten de
opvattingen en conclusies van respectabele, vooraanstaande personen
uit alle beroepen, die intuïtief aanvoelden dat wederbelichaming
een onvermijdelijke en essentiële ontwikkeling is in de evolutie
van de mensheid (en van alle wezens). Het materiaal, zoals altijd bij
deze auteur, is uitstekend gedocumenteerd, uitvoerig behandeld en doordacht.
De wijsheid van de ouden, zoals die door de eeuwen heen in alle delen
van de aarde werd onderwezen en bewaard, wordt als een alternatief geboden
voor de theorieën van deze tijd over het ontstaan van het leven.
Als ik op zoek zou zijn naar een zeer leesbaar boek om aan iemand uit
de familie- of vriendenkring te geven die ook maar enige belangstelling
toonde voor reïncarnatie, en wie ik deelgenoot zou willen maken
van een geloof dat een belangrijk deel uitmaakt van mijn eigen levensfilosofie,
een boek, dat als geen ander aanvaard zou kunnen worden – dan
is dit het boek dat ik zou kiezen.