Op kniehoogte van de goden
Elsa-Brita Titchenell

 

Reïncarnatie is een woord dat vaak ruwweg wordt gebruikt wanneer wedergeboorte of wederbelichaming wordt bedoeld. In werkelijkheid heeft het alleen betrekking op wezens die een lichaam van vlees (carne) bezitten. Organismen zonder vleselijke lichamen incarneren niet en reïncarneren dus ook niet. Alles echter wat een duurzame vorm bezit, al is die beweeglijk en flexibel, alles wat groeit en verandert, is vanzelfsprekend een organisme; dat wil zeggen dat het langere of kortere tijd een samenhangend geheel vormt, bijeengehouden door iets dat duurzamer is dan de vorm. Iets, een soort magneet, houdt de steeds in beweging zijnde atomen op hun juiste plaats, en zorgt ervoor dat het lichaam zijn algemene vorm en integriteit van geboorte tot dood behoudt, en dit iets moet het stoffelijk kleed overleven.

Is dat iets de ziel – dat theoretische, nevelachtige element dat mensen geacht worden te hebben? Het lijkt nogal vreemd om te spreken over het ‘hebben’ van een ziel, alsof het een bezit is, terwijl we er in werkelijkheid gewoonlijk onszelf mee bedoelen. We kunnen veeleer zeggen dat de ziel een lichaam heeft, dat zij tot leven bracht en hoopt te overleven. Maar als we onze eigen natuur beginnen te onderzoeken, met het doel erachter te komen wat de ziel is, ontdekken we dat ze niet één maar vele dingen is, Allerlei eigenschappen maken deel ervan uit: talenten, gebreken, enkele deugden en veel kleine neigingen, die tezamen ieder van ons tot de unieke persoonlijkheid maken die we zijn. Deze eigenschappen zijn echter niet statisch en blijvend: we kunnen ze veranderen. We kunnen ons karakter verbeteren – of bederven; we hebben de keuze om het te trainen of op allerlei manieren te misvormen.

Dit leidt tot de lastige vraag van de onsterfelijkheid. Hoe kan een veranderende, zich steeds wijzigende ziel onsterfelijk zijn? Wat bevindt zich daarin dat, al is het maar twee seconden achtereen, onveranderd kan blijven? Dat het bewustzijn het lichaam overleeft lijdt nauwelijks enige twijfel: veel onderzoekingen en theorieën zijn gewijd aan de avonturen van de mens na de dood en er is heel wat bewijsmateriaal dat het overleven van het bewustzijn, na het sterven van het lichaam, steunt. Aan het andere einde van het spectrum vinden we maar weinig theorieën over de toestand van de ziel vóór de geboorte en helemaal niets over de mogelijkheid van het overleven van de ziel in andere rijken van de natuur. We zien dat delfstoffen, planten, dieren en mensen hun respectievelijke plaats innemen op de ladder van de evolutie. Wat we niet zien is wat er gebeurt voor en na het leven op aarde. Het is alsof we kijken naar een toren die op iedere hoogte een venster heeft, waardoor we slechts één trede van een wenteltrap zien, maar niet kunnen zien hoe ze onderling zijn verbonden. Is er een methode om vast te stellen wat er plaatsvindt in dat grotere deel van het bestaan, dat onbekend is?

Voor zover wij dat kunnen waarnemen is de natuur door en door consequent en werkt ze overal ritmisch. Dat blijkt vaak het gevolg te zijn van een spiraalbeweging die, als we er slechts een deel van zien, op een golfbeweging lijkt. De golven van de zee zijn een goed voorbeeld. Het lijkt alsof het water zich langs het oppervlak voortbeweegt, maar dat is in werkelijkheid niet zo; de individuele waterdeeltjes beschrijven een verticaal spiraalvormig pad en gaan maar heel weinig vooruit op het oppervlak van de zee. Ze stijgen en dalen, verheffen zich in de lucht en duiken weer onder het oppervlak in een bijna cirkelvormige beweging. Dezelfde soort beweging zien we aan de uiteinden van onze schaal van afmetingen – in de ruimte en in de atomaire werelden. Zoals de elektronen om hun proton cirkelen, of planeten om hun gemeenschappelijk centrum, de zon, draaien, zo beweegt dat centrum zich in een grotere cirkel om iets anders. Deze cyclussen binnen grotere cyclussen – wielen binnen wielen – geven een parallel beeld van de wijze waarop wij tot aanzijn komen en weer van het aardse toneel verdwijnen. We komen tevoorschijn uit de kosmische oceaan, maken enige vooruitgang op het zichtbare oppervlak van het leven en trekken ons weer terug in het onzichtbare, misschien wel om bij te dragen aan het leven van onbekende werelden, waar andere delen van onze geschakeerde natuur thuishoren.

Een van de meest voorkomende vragen is: ‘Waarom herinneren we ons onze vorige levens niet?’ Dat doen we wel. We doen dat inderdaad. Zieleherinnering is onvermijdelijk: ze verschaft ons alles wat we vanaf de geboorte aan talenten en neigingen bezitten; alleen het alledaagse en tijdelijke is vergeten, net als de eerste jaren van ieder leven voor het grootste deel zijn vergeten. We bewaren geen herinnering aan de gebeurtenissen van ieder moment die ons huidige brein bekend zijn, laat staan aan die waarbij dat brein nooit was betrokken. Maar de beweeglijke persoonlijkheid, die haar bestanddelen samenvoegt en ontbindt, omhult een permanente kern van zieleherinnering. Dat is de magneet die alles naar zich toetrekt en bijeenhoudt wat bij hem behoort: gedachten, emoties, atomen van de geest en de ziel. Wanneer het leidende zelf zich bij de ‘dood’ terugtrekt, gaan zij met hun evolutie door; ze bezoeken andere, vergelijkbare vormen, maken onafhankelijk vorderingen, totdat hun eigen bewustzijns-gastheer op zijn terugreis naar de aarde hen weer oproept. Intussen waren ze welkome of niet welkome gasten in andere zielen en persoonlijkheden en lieten ze een neerslag van herinnering achter in alles wat hen gastvrijheid verleende.

Telkens als wij door de poort van geboorte gaan, nieuw, zuiver en schijnbaar zonder herinnering, leren we in een verbazingwekkend korte tijd het gebruik van de aardse werktuigen – onze ongelooflijk ingewikkelde hersenen, het spierstelsel en de verschillende zintuigen die beheerst moeten worden. Hoe meer wij erover nadenken, hoe wonderlijker het lijkt dat een kind zo gemakkelijk gebruik leert maken van de vermogens van het lichaam. Het gemak waarmee een baby leert zien, de richting vaststelt vanwaar geluiden komen, ouders herkent en alle andere wonderen van aanpassing, zou onmogelijk zijn als het leven niet lang geleden een routine van bekende handelingen was geworden. Bedenk eens wat er allemaal voor nodig is om te kunnen lopen en stel tegenover die coördinatie van kundigheden de meest ontwikkelde eigenschappen van eenvoudiger organismen. En dat is nog maar het begin. Het kind is spoedig in staat abstracte ideeën te overwegen en gedachten tot uitdrukking te brengen door middel van de conventionele spraak, in de een of andere taal – ofwel in verschillende talen. Zelfs onze eenvoudigste prestaties bewijzen dat we onze rol als mensen veel gemakkelijker vervullen dan zonder herhaalde oefening mogelijk zou zijn.

Na zich eerst de gewone dingen die men als mens nodig heeft weer eigen te hebben gemaakt, past het kind zich wat langzamer aan aan de zeden van zijn nieuwe omgeving, die cultureel en wat bijzonderheden betreft zeer kunnen verschillen van zijn vroegere ervaringen. Pas dan is de persoonlijkheid gereed creativiteit en artistieke gaven te ontwikkelen die boven het eerder geleerde uitgaan, en kan ze haar evolutionaire vooruitgang hervatten waar ze het laatst was geëindigd. Maar iedere ontwikkelde kundigheid en alle verworven kennis zouden een onvruchtbare aanwinst zijn als we niet beschikten over een steeds ruimer wordend begripsvermogen dat het geleerde in wijsheid omzet.

We hebben deel aan een onafgebroken stroom van energiedeeltjes op ieder gebied: ze vormen ons lichaam, onze ziel, emoties, levenskrachten en spirituele inzichten. We trekken tot onszelf aan wat we begeren en wat in overeenstemming is met onze stemming en ons karakter. We zijn het doelwit voor ongewenste gedachten, aangetrokken door onze eigen zwakheden en hebben ook deel aan een nooit opdrogende bron van goddelijke kracht – verheven inspiraties die uit de goddelijke bron van het stelsel dat we bewonen en helpen samenstellen overvloedig door ons innerlijkste, hogere zelf stromen. Want de mensheid draagt evenzeer bij aan de vorming van het bewustzijn van ons planetaire leven, als de gesteenten en planten aan de vorming van het lichaam en de vitaliteit ervan, en wij allen tezamen aan het scheppen van een ecosfeer voor het gemeenschappelijk welzijn.

Voor ons mensen, leden van het geslacht homo sapiens, is het het bewustzijn dat ons leven vormt. Het is de doorgaande stroom van veranderend bewustzijn vanaf de geboorte tot de dood die onze levenservaring vormt. Op veel ervan wordt geen acht geslagen. Sommige episoden zijn van tijdelijk belang. Gedenkwaardige inzichten blijven ons bij als een spirituele ondergrond van het voorbijgaande panorama van gebeurtenissen. Daarom wordt ongetwijfeld in de mythologieën van de wereld een belangrijke rol toebedacht aan de ziel en het geheugen. Onder de Grieken brachten Ouranos en Gaea (hemel en aarde, of liever de Ruimte en de Stof) Mnemosyne (herinnering) voort. Aan Zeus, de goddelijke heerser over de goden, schonk Herinnering negen dochters, de Muzen, die de inspirators zijn van alle kunsten die de menselijke creativiteit sieren. De Noorse mythen verlenen een overeenkomstige rol aan de raven van Odin, Hugin (ziel) en Munim (herinnering), die dagelijks ‘over het slagveld [de aarde] vliegen’ en aan de Al-vader Odin, de kennis en ervaring brengen, opgedaan tijdens hun excursies. Enig nadenken toont de overtuigingskracht van deze beeldspraak: de ziel is het product van alles wat eraan vooraf is gegaan. Het is het steeds veranderende, groeiende, lerende, verbeterende element dat de gebeurtenissen ondergaat en het evoluerende deel in ons vormt. Het geheugen verzamelt intussen een schat aan ervaringen, waardoor de ziel verdere voortgang kan maken. Vooruitgang zou onmogelijk zijn als het geheugen er niet was om de verworvenheden te registreren, of als de ziel er niet was, die voortdurend verandering ondergaat. Zoals de mythische goden zich belichamen om ervaring in de stof op te doen en hun wijsheid te vergroten, zo dragen wij, hun kinderen, bij aan hun kennis terwijl we de onze vermeerderen.

Maar onder alle voortdurende veranderingen, teweeggebracht door de gebeurtenissen in het leven, houdt het centrale bewustzijn stand, op aarde of elders; het vergaart herinneringen in alle sferen die het bewoont, verzamelt in iedere wereld wat dat milieu te bieden heeft aan ervaringen en inzichten. ’s Nachts, als het lichaam in rust is, krijgt de ziel een voorproefje van de werelden die ze na de dood vollediger verkent. Op de bestendigheid van dit registrerende zelf berusten de verschillende religieuze opvattingen over onsterfelijkheid; tegelijkertijd wordt dit door de steeds veranderende aard van ons samengestelde karakter tegen gesproken omdat, waar veranderingen plaatsvinden, verbeteringen of verslechteringen van de ziel, het niet juist is van onsterfelijkheid te spreken. Toch is de kern van het bewustzijn van blijvende aard, want ze maakt innerlijk deel uit van haar ouder, het heelal, en draagt bij tot de gedachtewereld van de inwonende godheid van dat heelal.

Bewust leven is de essentie van ons allen. Melkwegstelsels wentelen en brengen de majestueuze levenswielen in beweging, terwijl het onderzoekende bewustzijn zich op velerlei wijzen tot uitdrukking brengt. De mensheid is een van deze uitingen, een dun schijfje van het universele zijn; ieder van ons is een vertegenwoordiger van het goddelijke leven dat ons heelal activeert, ieder vergaart wat de menselijke intelligentie kan vergaren en reikt steeds naar het goddelijke. Elke plichtsvervulling betekent een bijdrage aan de goddelijke natuur van dat wat in onszelf goddelijk is geworden, en op die manier dragen we aan dat grotere zelf waarin wij bestaan, dat bij wat waard is het goddelijke doel te dienen. We kunnen ons slechts vaag voorstellen welke vergezichten besloten liggen in de bewustzijnen die zich hebben belichaamd in sterren en melkwegstelsels, omdat wij, als kleuters in een wereld van volwassenen, slechts tot de knieën van de goden reiken, die tegelijk ons ideaal en onze bestemming vormen. Wij en zij zijn een deel van het heelal. Alles, vanaf de stoffelijke moleculen tot het goddelijke, zuivere, onlichamelijke bewustzijn, behoort ertoe. We bezitten alle eigenschappen ervan, in embryo en in ontwikkeling, naarmate we onze ware menselijke aard ontplooien en ons erop voorbereiden in de loop van de eeuwigheden zelf goden te worden. Is het zo vreemd dat werelden in ieder stadium, vele eeuwen van groei, oefening en ervaring nodig hebben? Zelfs het vervolmaken van ons menszijn is een lang en moeilijk proces. Het gebod ‘Wees dus volmaakt, zoals ook uw Vader in de Hemel volmaakt is’ (Matth. 5:48), moet niet luchtig worden opgevat. Het is het doel van de mens: bereikbaar, maar niet onmiddellijk, en mag ook niet worden verwezenlijkt door en voor de enkeling alleen. Het vraagt om de vervolmaking van de gehele mensheid. Daarom leggen alle heilige geschriften de nadruk op de noodzaak van volledige en universele onzelfzuchtigheid, altruïsme.

 
Andere artikelen over reïncarnatie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency