Als we uit een droom ontwaken, bevinden we ons op de drempel tussen
twee werelden. Het beeld van de droomwereld die we net hebben verlaten,
staat ons nog helder voor de geest en was, toen we het droomden, even
reëel als elk ander; maar voor het ontwakend brein is de droom
misschien vol dwaasheden; hij vervaagt snel en we vergeten hem. Als
we echter de reeks droomervaringen overzien terwijl we nog met één
been in de ene en één been in de andere wereld staan,
kunnen we die beelden vasthouden en worden ze een deel van het geheugen
van het waakbewustzijn. Hoe vanzelfsprekend lijkt het om dit waakbewustzijn
te zien als het meest wezenlijke van de twee en hoe redelijk lijkt het
om aan te nemen dat de stoffelijke hersenwerking, die de droombeelden
van onze geest blokkeert, concreter en blijvender van aard is –
tenminste vanuit het standpunt van ons waakbewustzijn. Even redelijk
lijkt het misschien om deze bol, onze aarde, te zien als een plat lichaam,
vanuit het standpunt van een levensvorm die zich over haar oppervlak
beweegt, en als verdere bewijzen ontbreken, totdat onderzoekingen ons
meer inzicht verschaffen. Omdat we gevangen zijn in deze stoffelijke
vorm, is de ware aard van het bewustzijn noodzakelijkerwijs verduisterd
en dat blijft zo totdat de astronaut van onze oprijzende ziel ons een
ruimer uitzicht biedt.
Onze behoefte aan begrip – en ons verlangen volledig te begrijpen
– brengt ons vaak ertoe vanuit twee richtingen te werken om een
totaalbeeld te krijgen van het bestaan: aan de ene kant streven we ernaar
onze kennis te vergroten; aan de andere kant zijn we vaak erop uit de
natuur terug te brengen tot dat wat bekend is of tenminste gekend kan
worden. Zowel de religie als de wetenschap hebben in belangrijke mate
bijgedragen aan de poging ons universele model van het bestaan binnen
voorgeschreven en aanwijsbare grenzen te houden en wel in die mate,
dat er binnen de door beide disciplines opgelegde grenzen betrekkelijk
weinig gemeenschappelijks overblijft. Maar hebben we wel het recht zulke
grenzen te stellen? Een van de gevolgen van dit verarmde model is helaas
dat men zelfs ontkent dat er van beperking sprake is, en men gaat daarbij
uit van de gedachte dat er buiten dat model niets is waarmee rekening
moet worden gehouden – wat zou betekenen dat de vraag ongegrond
is. Maar als we aannemen dat de vraag wel gegrond is en dat ons doel
eerder de waarheid dan troost en gemakzucht is, dan zou het antwoord
‘nee’ moeten zijn. Is het zo vreselijk het bestaan te erkennen
van bewustzijnsgebieden die op nu ons bevattingsvermogen te boven gaan?
Brengt het ontkennen van hun bestaan ons dichter bij de waarheid?
Dat we ons waakbewustzijn het duurzaamst achten van onze bewustzijnstoestanden
is misschien daarom vreemd, omdat het het enige is waarvan we met zekerheid
kunnen zeggen dat het van
beperkte duur is. Het feit dat ons gewone bewustzijn zich weinig of
niets herinnert uit vorige levens, is voor velen die de mogelijkheid
van reïncarnatie overwegen een struikelblok. Maar men mag nauwelijks
verwachten dat zulke herinneringen kunnen worden vastgehouden; het kost
ons al zoveel moeite droombeelden die maar enkele seconden oud zijn,
over te brengen en vast te houden in een volwassen brein, terwijl het
lichamelijk bewustzijn van een pasgeboren kind in het algemeen nog niet
gereed is om veel te onthouden.
Het is een interessante oefening met een goede vriend of vriendin een
gesprek te hebben en zich serieus proberen voor te stellen dat hij of
zij inderdaad het eindproduct is van een willekeurige verzameling atomen;
dat de man of vrouw die tegenover u zit, in al zijn of haar facetten
– karakter, bewustzijn, verlangens, aspiraties, enz. – uitsluitend
is voortgebracht als het product van chemische en biologische werkingen.
Als men serieus denkt aan de mens in het lichaam, is het moeilijk te
geloven dat eigenschappen als goedheid, sympathie, vrijgevigheid, die
men in een kind aantreft, plotseling vanuit het luchtledig zijn voortgebracht
via een of ander proces.
Het terrein van ons menselijk begrip van de natuur omspant slechts
een minuscuul deel van het geheel. In zeker opzicht zijn we in staat
te zien hoe klein dat deeltje is ten opzichte van het geheel. We weten
bijvoorbeeld dat het zichtbare licht maar een klein deel vormt van het
elektromagnetische spectrum en dat we door middel van wetenschappelijke
instrumenten veel verder kunnen zien in beide richtingen dan de beperkte
waarnemingsorganen mogelijk maken. De wetenschap heeft ons ook in staat
gesteld onszelf in grootte te vergelijken met de oneindige uitgestrektheid
van de kosmos aan de ene kant, en de wereld van de subatomaire deeltjes
aan de andere, en we weten dat de duur van onze huidige beschaving slechts
een kort moment is in de onbegrensde eeuwigheid. Maar al beseffen we
steeds beter hoe beperkt ons begrip in het verleden was, we schijnen
langer stil te staan bij de kennis die we hebben opgedaan dan bij het
patroon achter deze stadia van openbaring – een patroon dat erop
zou kunnen wijzen dat, al weten we meer dan vroeger (althans in enkele
richtingen) we nog maar bezig zijn de oppervlakte van een veel groter
mysterie aan te raken.
Met stoffelijke middelen bewijzen dat er een bewustzijn bestaat buiten
de stoffelijke sfeer is zeker niet mogelijk, maar we moeten dat feit
niet als een bewijs van het tegengestelde beschouwen. Als we beseffen
dat er niets in het heelal is dat ooit wordt vernietigd, maar dat alles
op de een of andere manier in een nieuwe vorm en in nieuw leven overgaat,
waarom moeten we dan aannemen dat het bewustzijn andere regels volgt?
Is het niet aannemelijker de ontelbare kwaliteiten in de mens eerder
te zien als eigenschappen die in talloze jaren van ervaring zijn geoogst
en vergaard, dan als bijproducten van chemische werkingen? We aanvaarden
en geloven alleen dat waarop we zijn voorbereid, dat wat in ons een
snaar van herkenning doet trillen – het enige echte bewijs dat
we ooit kunnen hebben en tegelijk een bewijs dat we niet aan een ander
kunnen overdragen.
Dat er meer is in het heelal, meer in ons, dan we kunnen zien en voelen
is duidelijk, maar ‘hoeveel meer?’ en ‘wat?’
zijn vragen die alleen kunnen worden beantwoord in een langzaam proces
van uitbreiding van begrip, dat nu en dan wordt gehinderd door onze
zucht te ontkennen dat er iets meer bestaat.