Een jonge boom in de tuin werd met veel zorg omringd. Hij groeide
voorspoedig en was snel bijna één meter twintig hoog.
Op een dag, tijdens een storm, vielen takken van een in de buurt staande
boom op hem, waardoor het stammetje vlak boven de grond afbrak. Hij
leek ten dode opgeschreven. Wat een droevig resultaat, na alle zorg
die eraan was besteed! Maar de volgende lente ontsproten aan de jonge
boom nieuwe krachtige loten, nadat eerst alles verloren scheen. Hij
groeide, bereikte opnieuw, ja overtrof zelfs zijn vorige hoogte en omvang.
Wat een energie en vitaliteit en wilskracht moeten er onzichtbaar in
die wortels hebben gewoond om zich zo te vernieuwen!
Een jaar later braken er in een andere storm nog meer takken van de
onfortuinlijke buurman van de jonge boom, en stortten omlaag. Opnieuw
leek de situatie hopeloos, want de stam van het jonge boompje lag bijna
helemaal platgedrukt, en aan één kant waren zijn takken
afgescheurd. Toen ik echter goed keek, ontdekte ik dat de stam niet
was gebroken, maar alleen gebogen en toen ik de zware takken die erop
drukten had weggehakt, veerde hij weer rechtop. Het leek alsof een klein
nieuw boompje uit zijn vroeger zelf was herboren, taaier en veerkrachtiger,
als gevolg van die slechte ervaringen. Al scheen de natuur meedogenloos
en wreed, ze had zijn ware wezen, of ziel, beproefd en maakte het hem
nu mogelijk een fraaie boom te worden.
Als dit voor bomen geldt, hoe staat het dan met onszelf?
Een kennis van mij werd door een ramp getroffen. Hij kreeg een motorongeluk
dat hem verlamde vanaf de nek en hij lag voor onbepaalde tijd verbonden
aan een beademingsapparaat, maar was wel bij zijn volle bewustzijn.
De vraag dringt zich op, waarom moest dat gebeuren? In een ziekenhuis
zijn zulke voorvallen niet ongewoon; de ‘intensive care’
afdelingen liggen vol met zulke gevallen. Natuurlijk komt het harder
aan als je iemand in zo’n situatie kent. Vaak zijn zulke ongelukken
het gevolg van achteloosheid, of misbruik van drugs, alcohol, of een
andere naspeurbare oorzaak. Maar vaak is er ook geen duidelijke reden
voor zo’n gruwelijk, zinloos ongeluk.
Ik vind veel troost in het besef dat de mens een onsterfelijk aspect
heeft, in een filosofie die rekening houdt met zijn spirituele natuur,
het ware Zelf; ook dat we allen een deel zijn van de universele harmonie
en dat niets toevallig of zinloos is. Een dergelijke filosofie geeft
aan een ongeluk als dit een grotere en diepere betekenis, zo niet de
belofte van een meedogende oplossing. Het besef dat het heelal een levend
wezen is, met een goddelijke kern in alle dingen, helpt mij zijn werking
te zien als rechtvaardig en wijs en als een mogelijkheid voor de menselijke
ziel, door spirituele invloeden boven haar beperkingen uit te groeien.
Iedereen moet zijn eigen karma uitwerken, waarvan het merendeel in de
loop van vele levens, het huidige inbegrepen, is voortgebracht. We zijn
allen onderling verbonden, zodat elk van ons niet alleen aansprakelijk
is voor zijn eigen karakter, maar ook voor de wijze waarop het anderen
beïnvloedt.
Het wordt duidelijk dat ontelbare wegen worden gevolgd en gewoonten
gevormd als gevolg van het tot uitdrukking brengen of oproepen van zowel
de beste eigenschappen van de ziel als van de zelfzuchtige kant met
zijn gebreken. We hebben ongetwijfeld een mengsel van beide, als gevolg
van deze dualiteit. Spreekt het niet vanzelf dat als iemand zich misdraagt
en onder invloed raakt van de lagere kant van zijn natuur, zijn geweten
of alle nobeler impulsen negeert, hij zowel zichzelf als anderen schade
toebrengt? Hoe sterker deze denkgewoonten worden, des te krachtiger
zijn ook de gevolgen. Hoe staat het met de nieuwe oorzaken die het gevolg
zijn van daden, vooral als men iets weet van wat goed is of slecht?
Zou het niet kunnen zijn dat deze oorzaken – die in beweging zijn
gezet door een verkeerd gericht gebruik van de wil en het denken –
met onbedwingbare kracht naar buiten komen, zo niet in hetzelfde leven
dan toch in een daaropvolgend? Tegelijk ziet het spirituele zelf uit
naar iedere gelegenheid om de ziel weer in evenwicht te brengen, zodat
de betrokkene later zal kunnen herstellen en ten goede veranderen.
Het kan alleen een voordeel betekenen voor degene die het trauma en
het lijden ondergaat, die daardoor wakker wordt, meer zijn spirituele
wezen nadert en daardoor kracht put uit zijn innerlijke bronnen. Dit
is slechts één mogelijkheid die eruit kan ontstaan. De
grootste tragedie is als we leven zonder zelfonderzoek, onbewust, vol
van zelfzuchtige gedachten en begeerten, waarin weinig spirituele groei
kan worden bereikt. In de ogen van de natuur is dat erger dan een voorval
dat het lichaam tot een onbruikbaar instrument maakt, of het leven bekort,
maar dat de ziel in staat stelt bepaalde invloeden van het lagere zelf
uit te schakelen, waardoor een belemmering voor de vooruitgang wordt
opgeruimd. Daardoor kan men zeker een grotere beloning oogsten in het
volgende of een ander toekomstig leven.
Zelfs als het lichaam bezwijkt en er geen mogelijkheid tot herstel
is, is er altijd hoop en een nieuwe kans, zolang de ziel onoverwonnen
is en vol innerlijke moed. Telkens wanneer we een beroep doen op ons
hart om onzelfzuchtiger te worden in ons denken en handelen, en liefde
voor allen onze motieven beheerst, verzwakken we de greep van de stof
en worden we innerlijk sterker, menselijker. Het is van groot belang
de hele mens te zien, in het bijzonder de blijvende, innerlijke kwaliteiten
en ons niet door de uiterlijke schijn te laten misleiden. Hoewel we
misschien tijdelijk in duisternis verkeren door een tragische episode
tijdens de reis van de ziel, het onsterfelijke zelf blijft onaantastbaar.