Een episode uit de reis van de ziel
John Van Mater, jr.

 

Een jonge boom in de tuin werd met veel zorg omringd. Hij groeide voorspoedig en was snel bijna één meter twintig hoog. Op een dag, tijdens een storm, vielen takken van een in de buurt staande boom op hem, waardoor het stammetje vlak boven de grond afbrak. Hij leek ten dode opgeschreven. Wat een droevig resultaat, na alle zorg die eraan was besteed! Maar de volgende lente ontsproten aan de jonge boom nieuwe krachtige loten, nadat eerst alles verloren scheen. Hij groeide, bereikte opnieuw, ja overtrof zelfs zijn vorige hoogte en omvang. Wat een energie en vitaliteit en wilskracht moeten er onzichtbaar in die wortels hebben gewoond om zich zo te vernieuwen!

Een jaar later braken er in een andere storm nog meer takken van de onfortuinlijke buurman van de jonge boom, en stortten omlaag. Opnieuw leek de situatie hopeloos, want de stam van het jonge boompje lag bijna helemaal platgedrukt, en aan één kant waren zijn takken afgescheurd. Toen ik echter goed keek, ontdekte ik dat de stam niet was gebroken, maar alleen gebogen en toen ik de zware takken die erop drukten had weggehakt, veerde hij weer rechtop. Het leek alsof een klein nieuw boompje uit zijn vroeger zelf was herboren, taaier en veerkrachtiger, als gevolg van die slechte ervaringen. Al scheen de natuur meedogenloos en wreed, ze had zijn ware wezen, of ziel, beproefd en maakte het hem nu mogelijk een fraaie boom te worden.

Als dit voor bomen geldt, hoe staat het dan met onszelf?

Een kennis van mij werd door een ramp getroffen. Hij kreeg een motorongeluk dat hem verlamde vanaf de nek en hij lag voor onbepaalde tijd verbonden aan een beademingsapparaat, maar was wel bij zijn volle bewustzijn. De vraag dringt zich op, waarom moest dat gebeuren? In een ziekenhuis zijn zulke voorvallen niet ongewoon; de ‘intensive care’ afdelingen liggen vol met zulke gevallen. Natuurlijk komt het harder aan als je iemand in zo’n situatie kent. Vaak zijn zulke ongelukken het gevolg van achteloosheid, of misbruik van drugs, alcohol, of een andere naspeurbare oorzaak. Maar vaak is er ook geen duidelijke reden voor zo’n gruwelijk, zinloos ongeluk.

Ik vind veel troost in het besef dat de mens een onsterfelijk aspect heeft, in een filosofie die rekening houdt met zijn spirituele natuur, het ware Zelf; ook dat we allen een deel zijn van de universele harmonie en dat niets toevallig of zinloos is. Een dergelijke filosofie geeft aan een ongeluk als dit een grotere en diepere betekenis, zo niet de belofte van een meedogende oplossing. Het besef dat het heelal een levend wezen is, met een goddelijke kern in alle dingen, helpt mij zijn werking te zien als rechtvaardig en wijs en als een mogelijkheid voor de menselijke ziel, door spirituele invloeden boven haar beperkingen uit te groeien. Iedereen moet zijn eigen karma uitwerken, waarvan het merendeel in de loop van vele levens, het huidige inbegrepen, is voortgebracht. We zijn allen onderling verbonden, zodat elk van ons niet alleen aansprakelijk is voor zijn eigen karakter, maar ook voor de wijze waarop het anderen beïnvloedt.

Het wordt duidelijk dat ontelbare wegen worden gevolgd en gewoonten gevormd als gevolg van het tot uitdrukking brengen of oproepen van zowel de beste eigenschappen van de ziel als van de zelfzuchtige kant met zijn gebreken. We hebben ongetwijfeld een mengsel van beide, als gevolg van deze dualiteit. Spreekt het niet vanzelf dat als iemand zich misdraagt en onder invloed raakt van de lagere kant van zijn natuur, zijn geweten of alle nobeler impulsen negeert, hij zowel zichzelf als anderen schade toebrengt? Hoe sterker deze denkgewoonten worden, des te krachtiger zijn ook de gevolgen. Hoe staat het met de nieuwe oorzaken die het gevolg zijn van daden, vooral als men iets weet van wat goed is of slecht? Zou het niet kunnen zijn dat deze oorzaken – die in beweging zijn gezet door een verkeerd gericht gebruik van de wil en het denken – met onbedwingbare kracht naar buiten komen, zo niet in hetzelfde leven dan toch in een daaropvolgend? Tegelijk ziet het spirituele zelf uit naar iedere gelegenheid om de ziel weer in evenwicht te brengen, zodat de betrokkene later zal kunnen herstellen en ten goede veranderen.

Het kan alleen een voordeel betekenen voor degene die het trauma en het lijden ondergaat, die daardoor wakker wordt, meer zijn spirituele wezen nadert en daardoor kracht put uit zijn innerlijke bronnen. Dit is slechts één mogelijkheid die eruit kan ontstaan. De grootste tragedie is als we leven zonder zelfonderzoek, onbewust, vol van zelfzuchtige gedachten en begeerten, waarin weinig spirituele groei kan worden bereikt. In de ogen van de natuur is dat erger dan een voorval dat het lichaam tot een onbruikbaar instrument maakt, of het leven bekort, maar dat de ziel in staat stelt bepaalde invloeden van het lagere zelf uit te schakelen, waardoor een belemmering voor de vooruitgang wordt opgeruimd. Daardoor kan men zeker een grotere beloning oogsten in het volgende of een ander toekomstig leven.

Zelfs als het lichaam bezwijkt en er geen mogelijkheid tot herstel is, is er altijd hoop en een nieuwe kans, zolang de ziel onoverwonnen is en vol innerlijke moed. Telkens wanneer we een beroep doen op ons hart om onzelfzuchtiger te worden in ons denken en handelen, en liefde voor allen onze motieven beheerst, verzwakken we de greep van de stof en worden we innerlijk sterker, menselijker. Het is van groot belang de hele mens te zien, in het bijzonder de blijvende, innerlijke kwaliteiten en ons niet door de uiterlijke schijn te laten misleiden. Hoewel we misschien tijdelijk in duisternis verkeren door een tragische episode tijdens de reis van de ziel, het onsterfelijke zelf blijft onaantastbaar.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency