[In 1836 vormde een handjevol vurige jonge Unitariërs,
aangevoerd door Emerson, Hedge en Ripley, de Transcendental Club of
America. Door zich voor de goddelijkheid van de natuur, de innerlijke
waarde van de menselijke ziel, vrijheid van denken en menslievendheid
uit te spreken, verzetten ze zich openlijk tegen de ‘ijskelder’
– de Theologische faculteit van de Harvard University. De beweging
was een kort leven beschoren, maar de invloed op het Amerikaanse denken
was bijzonder groot. We reproduceren een beknopte keuze uit hun geschriften.
– RED.]
George Ripley: Er is een groep mensen die een hervorming
wensen van de in deze tijd overheersende filosofie. Ze worden transcendentalisten
genoemd, omdat ze geloven in een stelsel van waarheden dat het gebied
van de uiterlijke zintuigen te boven gaat. Hun leidende gedachte is
de suprematie van de geest over de stof. Daarom houden ze vol dat de
waarheid van de godsdienst niet afhankelijk is van traditie en evenmin
van historische feiten, maar een onfeilbare getuige heeft in de ziel.
Er is een licht, geloven ze, dat ieder mens verlicht die ter wereld
komt; iedereen – de meest ontaarde, de meest onwetende, de minst
gunstig bekende – heeft in zich het vermogen de spirituele waarheid
te begrijpen wanneer ze duidelijk wordt uiteengezet; en het uiteindelijke
oordeel over alle morele kwesties is niet voorbehouden aan een jury
van geleerden, een hiërarchie van godgeleerden of de voorschriften
van een geloof, maar aan het gezonde verstand van het menselijk ras.
Oliver Wendell Holmes: Emerson was een idealist in
de platonische betekenis van het woord, een spiritualist in tegenstelling
tot een materialist. Hij geloofde, zegt hij, ‘zoals de wijze Spenser
leert’, dat de ziel haar eigen lichaam maakt. Dit sluit natuurlijk
de leer in van het vóórbestaan, een leer die ouder is
dan Spenser en ouder dan Plato of Pythagoras, die haar bakermat in India
heeft en zich via Griekse wijsgeren, kerkvaders en Duitse professoren
een weg heeft gebaand naar onze eigen tijd.
Ralph Waldo Emerson: Ik zie het onderscheid tussen
het uiterlijke en het innerlijke zelf; het dubbele bewustzijn dat in
dit dwalende, hartstochtelijke, sterfelijke zelf een verheven, rustige,
onsterfelijke geest zetelt, die krachten bezit die ik niet ken; die
sterker is dan ik, die wijzer is dan ik; die het nooit heeft goedgekeurd
wanneer ik iets verkeerds deed; ik vraag hem raad in mijn twijfels;
ik neem mijn toevlucht tot hem in momenten van gevaar en ik bid tot
hem bij alles wat ik onderneem . . .
We worden wakker en bevinden ons op een trap; er zijn treden onder
ons die we schijnen te hebben beklommen, en er zijn vele treden boven
ons die omhoogvoeren en uit het gezicht verdwijnen . . . Het is het
geheim van de wereld dat alle dingen blijven bestaan en niet sterven,
maar alleen een beetje uit het gezicht raken en later weer terugkeren
. . . Niets is dood: mensen wanen zich dood en verdragen schijn-begrafenissen
en treurige overlijdensberichten, maar daar staan ze en kijken uit het
raam, gezond en wel, in de een of andere nieuwe en vreemde vermomming.
. .
William J. Potter: Het is duidelijk dat er twee factoren
zijn die een rol spelen in de samenstelling van de menselijke natuur:
een oneindige en een eindige, een spirituele en een stoffelijke, een
eeuwige en een tijdelijke . . . Het is mogelijk, misschien waarschijnlijk,
dat de ziel altijd de een of andere lichaamsvorm zal hebben en een zekere
stoffelijke beperking zal kennen . . . nu eens deze vorm aanneemt, dan
weer die – toch zich steeds, wat de vorm betreft, ontplooit en
een grotere natuurlijke vrijheid verleent . . . naarmate de schaal van
het bestaan opklimt.
Maar afgezien van alle veranderingen, onafhankelijk van alle beperkingen
van tijd en stof en buiten het bereik van de toevallige en vergankelijke
betrekkingen van het individuele bestaan, speelt nog een factor een
rol in de menselijke natuur waardoor ze beslag legt op een substantie
die oneindig en eeuwigdurend is en waaraan ze haar bestaan ontleent.
In elke menselijke ziel is iets van het Absolute en Eeuwige . . . iets
dat tijd en ruimte en organische vormen te boven gaat en maakt dat de
eeuwigheid voor de ziel de onafgebroken ontplooiing is van een eeuwigdurend
en onvernietigbaar levensbeginsel in plaats van de oneindige vermeerdering
van dagen en jaren.
Frederic Hedge: De eeuwige bestemming die het geloof
aan de ziel toeschrijft vooronderstelt een eeuwige oorsprong . . . Dit
was de theorie van de geleerdste en scherpzinnigste kerkvaders. Van
alle theorieën over de oorsprong van de ziel lijkt ze mij de aannemelijkste
en ze kan daarom hoogstwaarschijnlijk licht werpen op de vraag van het
toekomstig leven . . . Een nieuw en lichamelijk organisme acht ik een
essentieel deel van de bestemming van de ziel . . . de ziel is dezelfde.
James Freeman Clarke: De moderne leer van de evolutie
van lichamelijke organismen is niet volledig, tenzij we daarmee het
denkbeeld combineren van een overeenkomstige evolutie van de spirituele
monade, waaraan elke organische vorm zijn eenheid ontleent. Evolutie
heeft alleen een bevredigende betekenis wanneer we aannemen dat de ziel
wordt ontwikkeld en gevormd doordat ze door vele lichamen heengaat.
Cyrus Augustus Bartol: De menselijke individualiteit
wordt niet méér beperkt in de tijd dan in de ruimte. Ongetwijfeld
zal de almanak of het familieregister ons vertellen wanneer we werden
geboren. Maar de ziel is ouder dan ons organisme. Ze gaat haar bekleedselen
vooraf. Ze is de oorzaak, niet het gevolg van haar stoffelijke elementen;
anders bestaat ze eigenlijk niet, wat de opvatting is van materialisten.
Jezus sprak de waarheid van alle mensen toen hij zei: ‘Vóór
Abraham was, ben ik.’
Henry D. Thoreau: We zijn op aarde neergedaald en
hebben de hemel vergeten . . . Die Eeuwigheid die ik in de natuur zie,
voorspel ik ook mezelf . . . Zoals het plantenleven van vorig jaar,
sterft ook ons menselijk leven tot op de wortel af, maar toch loopt
eeuwig zijn eerste groene blad uit . . . Mij dunkt dat de havik die
zich zo hoog verheft en zo gelijkmatig en blijkbaar zonder moeite rondvliegt,
dit vermogen heeft verdiend door in een vroeger bestaan als een reptiel
over de grond te kruipen.
Louisa M. Alcott: Ik denk dat onsterfelijkheid wil
zeggen dat de ziel door vele levens of ervaringen gaat: die welke goed
zijn doorleefd, benut of waarvan is geleerd, helpen ons verder naar
de volgende, die telkens rijker, gelukkiger en hoger worden en alleen
de ware herinneringen met zich meedragen aan wat is voorafgegaan . .
. Ik schijn me vroegere toestanden te herinneren en voel dat ik daarin
enkele lessen heb geleerd die mij sindsdien hier nooit ten deel gevallen
zijn en ik hoop dat ik in mijn volgende fase vele beproevingen kan achterlaten
die ik hier met moeite heb doorstaan en dat ik mij verlicht begin te
voelen als ik verder ga. Dit verklaart het genie en de grote deugdzaamheid
waarvan sommigen hier blijk geven. Zij hebben in vele stadia van deze
grote school goed werk gedaan en brengen binnen onze klas de deugd of
de gaven die hen groot of goed maken. We herinneren ons niet de dingen
van minder belang. Deze ontglippen ons als kinderachtige onbeduidendheden;
we nemen alleen de ware ervaringen met ons mee.
Charles C. Emerson (broer van Ralph Waldo): De reden
dat Homerus voor mij is als een bedauwde morgen, is omdat ook ik ten
tijde van Troje leefde en in de holle schepen van de Grieken meevoer
om de gedoemde stad te plunderen. De roosvingerige dageraad zoals hij
de toppen van Ida karmozijnrood kleurde, de brede met tenten bedekte
zeekust, de Trojaanse legers in hun beschilderde wapenrusting en de
voortsnellende strijdwagens van Diomedes en Idomeneus – dit alles
zag ook ik: mijn geest bezielde het lichaam van een of andere naamloze
Argeeër . . . We vergeten dat we zijn bedwelmd door de slaapverwekkende
drank van het heden.
Maar wanneer een gevoelige snaar in de ziel wordt aangeraakt, wanneer
de vensters een moment zijn ontsloten, wordt het lange en afwisselende
verleden teruggehaald. We herkennen het helemaal; we zijn geen norse,
verachtelijke schepsels meer; we grijpen onze onsterfelijkheid aan en
verbinden de verwante delen van ons wereldlijke wezen . . . Er is iets
in de geest dat niet verandert en ook niet vermoeid is, maar dat steeds
weer in zichzelf terugkeert en deel heeft aan de eeuwigheid van God.
Amos Bronson Alcott: Zich voor te stellen dat de talenten
van een kind op natuurlijke wijze zijn ontstaan en dateren van zijn
geboorte in zijn lichaam, lijkt een atheïstische gedachte die alleen
een oppervlakkige metafysische theologie staande zou kunnen houden in
een tijd van zo’n verbazingwekkende kennis van de natuur als de
onze. ‘Ik zal mezelf er nooit toe brengen’, zei Synesius,
‘te geloven dat mijn ziel even oud is als mijn lichaam.’
En toch zijn we gewend onze geboorte, evenals die van de baby’s
die we dopen, te bepalen op de dag van de komst van het lichaam . .
. alsof tijd en ruimte de perioden van de onsterfelijke geest te boek
konden stellen . . .
Onze hoop is even eeuwig als wijzelf zijn . . . een nooit eindigend
en nog altijd maar beginnend zoeken naar onze goddelijkheid. De onverzadigbaarheid
van haar verlangens is een voorteken van de onsterfelijkheid van de
ziel . . . Een nooit eindigend maar nog altijd beginnend speuren naar
de godheid in haar binnenste; een eeuwigdurende poging haar goddelijkheid
eens te verwezenlijken . . . haar prooi ligt boven de sterren; haar
pijlen zijn weggenomen uit het wapenarsenaal van de hemel . . . Alle
leven is eeuwig, er is niets anders en alle onrust is slechts de strijd
van de ziel om zichzelf opnieuw het vertrouwen te geven in haar aangeboren
onsterfelijkheid.