Vragen over reïncarnatie
Lyle L. Knowles

 

In gesprekken over reïncarnatie zijn het vaak verschillende, steeds terugkerende vragen waarop men een antwoord probeert te geven. Wat zijn voor ons mensen de alternatieven als we nadenken over de dood? Waarom onderschrijven sommigen reïncarnatie wel en anderen niet? Als we reïncarnatie aanvaarden, waarom kunnen we ons dan geen bijzonderheden van onze ervaringen in vroegere levens herinneren? Wat is het dat reïncarneert? Waarom zijn we niet in staat ons onze vorige levens te herinneren als we dat willen? Waarom worden we door de natuur of de krachten in het heelal ervan weerhouden ze te herinneren?

Laten we deze vragen achtereenvolgens bezien. Als denkende mensen, die het vermogen bezitten in situaties en problemen alternatieven te overwegen, ontdekken we, als we over de dood nadenken, een aantal keuzemogelijkheden die met elkaar samenhangen en elkaar overlappen.

De eerste mogelijkheid is dat het heelal een toevallig verschijnsel is, en dat de mensheid op onze kleine planeet bij toeval is ontstaan. Omdat het heelal in de eerste plaats een stoffelijk verschijnsel is, is dus het stoffelijk leven toeval en is de fysieke dood het einde van dat gebeuren. De enige onsterfelijkheid die ons misschien ten deel valt, ligt in de herinnering die familie, vrienden of de geschiedenis aan ons hebben. Als iemand sterft, sterft hij: ‘Je leeft maar één keer. . .’ Dit standpunt houdt in dat er elders in het heelal wel of geen bezield leven kan zijn.

Een tweede alternatief is dat het heelal door God of een god of door goden is geschapen en dat er telkens wanneer een mens wordt geboren een nieuwe menselijke ziel wordt geschapen. Na het leven op aarde sterft het lichaam, maar de ziel blijft ergens voortbestaan. Of er elders in het heelal bezield leven bestaat is van betrekkelijk weinig belang, want de aandacht is gericht op de planeet aarde. Een subcategorie die hieronder valt is dat de ziel na de dood van het stoffelijk lichaam voor eeuwig naar een hemel of hel gaat, afhankelijk van ons gedrag tijdens het leven op aarde, en dat we maar één kans krijgen.

Een derde mogelijkheid is dat een individuele ziel in een andere sfeer of op een ander gebied bestond voor ze op deze aarde wordt geboren en dat God bij de dood bepaalt dat deze ziel eenvoudig naar een ander bestaansgebied overgaat, maar nooit weer naar de aarde terugkeert. De individuele ziel vindt daarna vrienden en familie terug in andere sferen, en wordt hopelijk spiritueler naarmate de tijd en de levens verstrijken. Dit houdt de mogelijkheid open dat er leven in verschillende vormen elders in het heelal bestaat.

Een vierde alternatief is dat de mens in een of andere vorm heeft bestaan zolang het heelal bestaat. De mens is een deel van het heelal – zoals alles dat is – en het bezielde leven is slechts een van ontelbare soorten of vormen van leven die, zichtbaar of onzichtbaar voor de mens, het heelal vullen. Volgens deze opvatting evolueert de mens zonder ophouden van het minder naar het meer spirituele en een van de ervaringswegen waarlangs dit gebeurt, is een proces van herhaalde incarnaties op aarde als mens. Onze toestand in een bepaalde incarnatie hangt in de meest ruime zin af van ons gedrag in vorige incarnaties.

De tweede vraag die we moeten overwegen is: Waarom onderschrijven sommige mensen reïncarnatie wel en anderen niet? Enigszins oppervlakkig beschouwd zou men kunnen zeggen dat geloof in reïncarnatie vaak verband houdt met de karaktertrekken van een mens en met zijn maatschappelijke, emotionele en intellectuele milieu en de vraag in hoeverre hij daarmee tevreden is. Het kan ook afhangen van zijn bewustzijnsniveau, het peil van zijn waarnemingsvermogen, of van zijn weetgierigheid ten aanzien van het heelal, of van zijn tevredenheid met zijn levensfilosofie of religieuze overtuiging; of ook van welke aard de pijnlijke ervaringen zijn die hij op het moment ondergaat.

Veel mensen aanvaarden reïncarnatie niet, en hun voornaamste argument is dat ze zich vroegere levens niet kunnen herinneren. Het kan niet worden bewezen. Het is waar dat de meeste mensen in de westerse wereld zich geen vorig leven kunnen herinneren, hoewel dit bij sommigen blijkbaar wel het geval is en deze kennis of herinnering verschilt dan in graad. Aan de ene kant van deze reeks zijn er sommigen die het denkbeeld van reïncarnatie ronduit afwijzen. Ze houden zich niet ermee bezig en hebben helemaal geen belangstelling ervoor. Anderen ontkennen niet dat het mogelijk is, maar het interesseert ze niet zo en ze maken zich er geen zorgen over. Weer anderen zeggen dat ze er voor openstaan maar niet veel aandacht eraan hebben besteed.

Een aantal mensen heeft het gevoel dat ze ‘hier al eerder zijn geweest’, maar dat ze niet echt overtuigd zijn. Anderen zijn definitiever en zijn er heel zeker van dat ze ‘hier al eerder zijn geweest’, maar ze herinneren zich geen bijzonderheden. Weer anderen zijn ervan overtuigd hier eerder te zijn geweest en hebben vage ideeën of gedachten, al kunnen ze niet onder woorden brengen wat ze zich schijnen te herinneren. Sommigen beweren zich enkele bijzonderheden uit één of twee levens te herinneren, terwijl weer anderen zeggen dat ze zich veel bijzonderheden uit verschillende levens op aarde herinneren. Natuurlijk moet men de zogenaamde herinneringen aan bijzonderheden uit vorige levens met omzichtigheid benaderen, wat de betekenis en de aard ervan betreft, want verbeelding en suggestie zijn bijzonder sterke eigenschappen van de menselijke mentale natuur.

Als we reïncarnatie wel aannemen, waarom kunnen we ons dan geen bijzonderheden van de ervaringen in onze vorige levens herinneren? Een manier om op deze vraag in te gaan, is misschien een andere vraag te stellen: wat is het in een mens dat reïncarneert? De meeste mensen zullen antwoorden: de ziel of de geest natuurlijk. Als we het over reïncarnatie hebben, gaat het meestal over de reis van de ziel van het ene leven naar het andere. Om op deze gedachte verder in te gaan is het verstandig ons een beeld van de mens te vormen. De mens bestaat namelijk op verschillende gebieden of heeft verschillende beginselen: op het laagste plan bevindt zich het stoffelijk lichaam; daarboven ligt het vitaal-emotionele gebied, gevolgd door het mentale gebied en daarboven is de ziel of het spirituele deel van de mens. Boven dit alles, maar wel alles doordringend, bevindt zich het goddelijke deel, de essentie die ons met de godheid verbindt die het heelal vult. Elk van deze verschillende delen of beginselen overlapt alle andere of werkt daarop in.

Nu we het over herinneringen aan vorige levens hebben, moeten we het denkvermogen nader beschouwen. Het denkvermogen kan op vele manieren en op vele gebieden functioneren en strekt zich uit van wereldse, verstandelijke functies, zoals eenvoudige herinneringen en herkenningen, tot zeer abstracte analyses en het leggen van ingewikkelde verbanden en associaties. Helemaal onderaan overlapt het denken de emoties en daaruit ontstaat onze persoonlijkheid, het ‘ik ben ik’, en helemaal bovenaan staat het hogere denkvermogen van aangezicht tot aangezicht met de ziel of de geest. Van daaruit ervaren we het intuïtieve, het mystieke, het besef dat we deel uitmaken van al wat is. De meeste psychologen zijn het erover eens dat ervaringen op dit terrein zich niet in woorden laten beschrijven, en toch zijn ze voor degene die ze ervaart, werkelijk of werkelijker dan welke andere belevenissen ook. Deze ziel of geest is onze individualiteit, tegenovergesteld aan onze persoonlijkheid, en heeft misschien meer betrekking op wat wij het karakter noemen. Maar het is het lagere, verstandelijke denken, dat de opslagplaats is van de empirische gegevens en feiten van het leven.

Laten we in het licht van het voorgaande de dood in beschouwing nemen. Bij de stoffelijke dood sterft het lichaam, en de stoffelijke energieën en emoties trekken zich terug met het lagere verstand, de opslagplaats van feiten en empirische indrukken uit het zojuist ervaren aardse leven. Wanneer dit hele proces is afgelopen, gaat de ziel of het spirituele deel, de individualiteit, over naar andere toestanden van bewustzijn, onbelemmerd door het lichaam. Het is dit reïncarnerende deel dat tenslotte, wanneer de drang daartoe sterk genoeg wordt, naar de aarde terugkeert en een nieuw lichaam, een nieuw vitaal-emotioneel deel, een nieuw brein, vormt, Zoals Kahlil Gibran in De Profeet zegt: ‘Vergeet niet dat ik bij jullie terugkom. Heel even slechts en mijn verlangen vergaart stof en schuim voor een ander lichaam.’ Hij besluit zijn boek met ‘Heel even slechts, één ogenblik van rusten op de wind, en een andere vrouw draagt mij in haar schoot.’

Nu is dit een heel eenvoudige beschrijving van een heel ingewikkeld proces en er is veel weggelaten. In het algemeen kunnen we zeggen dat, omdat het functioneren van de hersenen nauw is verbonden met het geheugen, we niet mogen verwachten dat een nieuw stel hersenen zich herinnert wat het oude in zich had. Toch ontvangen sommige mensen een glimp of een intuïtief beeld van ervaringen of situaties uit vorige levens. Hoe komt het dat zij dit soort herinneringen wel hebben en anderen niet?

Voor we op deze vraag ingaan, kunnen we misschien even stilstaan bij het eerder omschreven model van de mens, dat bestaat uit de fysieke natuur, het vitaal-emotionele deel, het mentale gedeelte, de ziel of geest, en het goddelijke beginsel, waarbij elk van deze beginselen alle andere in meerdere of mindere mate overlapt. We weten bijvoorbeeld dat het vitaal-emotionele deel niet alleen op het stoffelijk lichaam inwerkt, maar ook op het mentale en spirituele. En zo is het ook met het mentale deel van de mens, het geheugengedeelte van het mentale proces inbegrepen: dat wil zeggen dat we een geheugen bezitten op het fysieke gebied; ons lichaam schijnt zich automatisch bepaalde dingen te herinneren; we bezitten geheugen op het vitaal-emotionele gebied; en in ons huidige evolutiestadium overheersen de fysiek-vitaal-emotionele soorten van geheugen misschien het meest, althans in aantal. Ons lagere denken zit eenvoudig vol met allerlei soorten fysieke beelden en emotionele gevoelens uit het verleden. De meeste van onze alledaagse ervaringen liggen op het fysiek-emotionele gebied, en omdat ons bewustzijn geneigd is zich meestal daarin te concentreren, ontstaan daar de meeste herinneringen in de vorm van beelden, gedragingen, gevoelens, en dergelijke. Onze ziel of geest heeft ook een geheugen, maar dit zielegeheugen zou bij wijze van spreken als de schatkamer kunnen worden beschouwd voor ervaringen van een hoger soort bewustzijn: intuïtieve beelden, mystieke ervaringen, gevoelens van onzelfzuchtige of onpersoonlijke liefde, brede inzichten, enz.

Omdat reïncarnatie een evolutionaire reis voor de ziel betekent, en het de ziel is die hier terugkeert voor nieuwe ervaringen van een leven op aarde, lijkt het redelijk dat we ons op een geschikt moment in het proces van rijping in het leven, van deze intuïtieve, mystieke gevoelens bewust worden. Het geheugen van de ziel gaat van het ene leven over naar het andere. Hoe komt het dan dat de wetten die in dit deel van het heelal werken ons verhinderen ons onze vorige levens te herinneren, ook als we dat willen?

Men zegt dat elk van ons reïncarneert met precies die hoeveelheid karmische belasting die we in een bepaald leven aankunnen – niet meer en niet minder – al hebben we vaak het gevoel dat we meer dan ons deel krijgen. Veel van ons karma in deze periode van evolutie heeft met het geheugen te maken, de herinnering aan vroegere ervaringen die ons van dag tot dag, van week tot week, volgen. Al leven we in het heden, toch slepen veel mensen zich door het leven voort met een enorme last aan vroegere ervaringen op hun vermoeide schouders. Ze ‘leven bijna in het verleden’. Anderen dragen de last van de toekomst met zich mee. Ze tobben voortdurend en kwellen zich met de gedachte ‘wat er zou kunnen gebeuren’: een grote aardbeving, overbevolking van de aarde. . . Denk eens wat het zou betekenen als zulke mensen niet alleen de herinnering aan alle vroegere en mogelijke toekomstige ervaringen van slechts één leven zouden moeten vasthouden, maar ook de herinnering moesten meevoeren aan ervaringen van een vorig leven of meerdere vorige levens. Dat zou inderdaad een drukkende last zijn!

Daarom heeft de natuur – of hebben de wetten of de gewoonten van het heelal – dit beschermend mechanisme ingebouwd, een bescherming die ons uit mededogen wordt gegeven. Er kan echter weinig twijfel over bestaan dat, naarmate we meer in spirituele zin evolueren, en meer leren leven in het eeuwig aanwezige Nu, we ons meer en meer uit onze vorige levens zullen kunnen herinneren. Naarmate ons bewustzijnscentrum zich verplaatst naar het spirituele, zullen we de bijzonderheden van de ervaringsverschijnselen in het juiste perspectief plaatsen.

Nog een slotopmerking over het leven in het heden en niet in het verleden of de toekomst: men kan een kameel die al voorbij is, niet bestijgen; men kan een kameel die er nog niet is, niet bestijgen; men kan alleen de kameel die vlak voor u staat, bestijgen. Hierin schuilt praktische wijsheid.

 
Andere artikelen over reïncarnatie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency