Het is niet verbazingwekkender tweemaal geboren
te worden dan eenmaal; alles in de natuur is wederopstanding. –
Voltaire
Zolang ik me kan herinneren is reïncarnatie mij bekend geweest,
want ik kwam met het denkbeeld in aanraking toen ik vier jaar was en
mijn vader plotseling stierf. Hoe jong ik ook was, ik weet zeker dat
ik me minder ontdaan voelde dan wanneer ik zou hebben gedacht dat hij
voorgoed was heengegaan. De gedachte dat de band van liefde door de
dood heen blijft bestaan en dat degenen die sterke banden met elkaar
hebben in toekomstige levens weer samen zullen zijn, is een idee dat
zelfs een kind kan begrijpen. Met het verstrijken van de jaren werd
het me steeds duidelijker dat reïncarnatie de manier is waarop
wij mensen het cyclische proces van geboorte, dood en regeneratie volbrengen,
dat voor de groei noodzakelijk is; het bevestigt dat we deel uitmaken
van een evolutionair gebeuren, waarbij ieder op zichzelf staand ding
in de natuur is betrokken. Het uitgangspunt is dat alle leven een goddelijke
eenheid vormt, omdat reïncarnatie inhoudt dat er in ons een onsterfelijk
deel is dat de dood overleeft. In het ruime perspectief dat dit biedt,
zijn dood en geboorte even noodzakelijk voor de continuïteit van
onze totale ervaringen, en worden op een geloofwaardige wijze de vele
schijnbare onrechtvaardigheden en vreemde spelingen van het lot verklaard,
die in het tijdsbestek van één leven onverklaarbaar zijn.
Ik geloof in de grootsheid van onze menselijke bestemming: dat we in
essentie goddelijke wezens zijn op weg om onze innerlijke goddelijkheid
meer ten volle te openbaren; dat we in het verleden talloze levens hebben
geleefd en ontelbare malen zullen terugkeren, want dat is een eeuwenlange
gewoonte, een herinnering diep binnenin de ziel. Ieder moment zijn we
alles wat we geweest zijn, en een profetie van wat we zullen worden.
We zijn een levend getuigenis van een lange evolutionaire ontwikkeling:
denkende wezens, in staat om over onze eigen bestemming na te denken,
in het bezit van intellectuele en spirituele verlangens die voorboden
zijn van wat te zijner tijd tot ontplooiing komt. Als we nagaan wat
de mensheid door de eeuwen heen aan de wereld heeft bijgedragen, als
we denken aan het werk van genieën, aan die edele karakters die
in hun tijd anderen hebben geïnspireerd, aan de nog onbenutte mogelijkheden
en krachten, en aan het feit dat elk van de miljarden mensen op deze
planeet een uniek wezen is – ziet het er dan niet naar uit dat
de mensheid een veel te belangrijke plaats in dit universele plan inneemt
om na één leven al te hebben afgedaan?
In ons huidige stadium zijn we bezig aan een odyssee, op zoek naar
ons ware zelf, een reis die in lang vervlogen tijden begon. Volgens
de universele overlevering zijn we lang geleden de toestand van onschuld
(de Hof van Eden) ontgroeid, een kinderlijke en zuiver spirituele toestand,
en na door de slang (Lucifer-lichtbrenger) te zijn verleid, aten we
van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad (Adam en Eva
stellen hier de mensheid voor) en ontwaakte het denken, dat ons het
vermogen schonk zelfbewust en als individueel verantwoordelijke wezens
ons lot in handen te nemen. Eonenlang hebben we de geboorteweeën
van de ziel doorgemaakt; we groeiden, veranderden, faalden en zegevierden
steeds weer; gaandeweg leerden we, met vallen en opstaan, door te eten
van de vruchten van onwetendheid en onbezonnenheid, maar ook die van
wijsheid. Het is op deze planeet dat we sinds dat ontwaken de cyclus
van geboorte en dood en wederbelichaming hebben gevolgd, omdat gevolgen
alleen kunnen worden geoogst waar de zaden van ons handelen zijn gezaaid
– een karmisch beginsel. Dit wordt de ‘cyclus der noodzakelijkheid’
genoemd, omdat we daardoor met eigen inspanning leren onze ingeboren
wijsheid tot uitdrukking te brengen en voor onszelf te bewijzen waarom
we hier zijn, wat onze bestemming is en hoe we die het best kunnen verwezenlijken.
De hele kwestie van reïncarnatie is een uitdaging voor de deugdelijkheid
van onze opvattingen en confronteert ons met de omvang van onze twijfels.
Hier in het Westen hebben we een tijdlang te lijden gehad van de angst
voor de dood, omdat we die als een eindtoestand beschouwden. Materialisten
ontkennen iedere voortzetting van het leven, maar een eeuwig hiernamaals,
in welke vorm ook, is niet veel beter, want dat sluit de mogelijkheid
van verdere groei uit.
Omdat gedachten over de dood een sterke invloed hebben op de manier
waarop we ons leven leiden, hebben deze opvattingen tot angst en onzekerheid
geleid, zowel ten aanzien van het leven als van de dood, en de innerlijke
ruimte en vrijheid van de ziel geblokkeerd. Er is echter nieuw licht
op dit onderwerp geworpen, in het bijzonder in dit decennium. Naarmate
meer mensen voor zichzelf de zin van leven en dood ontdekken, verandert
de gedachte van noodlot geleidelijk in die van hoop, bij het benaderen
van dit onderwerp. Zelfs in tragische en moeilijke omstandigheden kunnen
we proberen onze gevoelens van angst los te laten en rustig met de veranderingen
van het leven mee te stromen, vertrouwend op de wijze en heilzame gewoonten
van de natuur. Ik ken meer dan één gezin waarin medeleven
en moed het mogelijk maakten een langdurige, pijnlijke situatie van
een van zijn leden in een mooie, gemeenschappelijke belevenis om te
zetten. Karma werkt op mysterieuze wijze om het beste te bereiken voor
alle betrokkenen. Er ligt meer wijsheid in ons besloten dan we soms
vermoeden en er zijn altijd nieuwe perspectieven, die buiten ons directe
waarnemingsgebied liggen.
Ik ben ervan overtuigd dat er een grondige reden is voor het bestaan
en ook een reden voor alles wat ons overkomt, al kunnen we die niet
onmiddellijk zien. Hoewel we zelden kunnen doordringen tot het ‘waarom’
van alles wat er in het leven gebeurt, krijgen we op het moment van
de dood – wanneer het hart heeft opgehouden te kloppen en de hersenen
nog actief zijn – ons moment van de waarheid: een panoramisch
visioen, dat ons als in een autobiografische film iedere gebeurtenis
vanaf onze kindsheid onthult. Dit drukt op het reïncarnerende ego
het innerlijke verhaal af van ons speciale karma, dat onze toestand
na de dood en ook het verloop van ons volgende leven beïnvloedt.
Het hedendaagse onderzoek naar bijna-dood-ervaringen bevestigt de theosofische
leer, die in vele overleveringen wordt aangetroffen, dat tijdens en
na het sterven de persoonlijkheid zich vermengt met de individualiteit,
en we onpartijdig en helder de rechtvaardigheid en de reden zien van
alles wat er is gebeurd.
Men zegt dat deze film zich herhaalt vlak voordat het reïncarnerende
ego zijn droomtoestand ingaat, opdat de wijsheid die daaruit wordt geput,
grondig door het bewustzijn wordt geabsorbeerd. Na een periode van rust
en assimilatie krijgt het zich wederbelichamende ego, alvorens naar
de aarde terug te keren, een soortgelijk panoramisch visioen, dit keer
als voorbereiding voor het algemene karmische patroon van het komende
leven, en om de rechtvaardigheid te laten zien van wat wij in onze vroegere
incarnaties voor onszelf hebben opgeroepen. .
Het panoramische beeld wordt tijdens het leven van moment tot moment
opgebouwd, waarbij alles wat gebeurt in de plastische astrale substantie
van ons wezen automatisch wordt geregistreerd, terwijl iedere indruk,
iedere gedachte en ieder gevoel wordt ontvangen en bewaard. Deze registratie
van gebeurtenissen op de gevoelige substantie stelt ons niet alleen
in staat het grootst mogelijke voordeel te hebben van wat we hebben
geleerd, maar bereidt ons ook telkens voor op de stap die voor ons ligt
en verzekert een zinvolle, zich over leven en dood uitstrekkende continuïteit.
Dat is de beschermende leiding achter ieder facet van ons menselijk
levensverhaal.
De slaap is als het ware een minivoorstelling van het grote mysteriedrama
van de dood. Beide betekenen een overgang in andere bewustzijnsgebieden
en verschillende droomtoestanden. Tijdens de slaap is het lichaam in
rust, maar de ziel stijgt op naar haar eigen rijk en bij het ontwaken
voelen we ons hernieuwd. Bij de dood wordt de levensdraad verbroken
en vindt de scheiding tussen de hogere en lagere aspecten van onze natuur
plaats, waarbij ze daarheen gaan waartoe ze magnetisch worden aangetrokken,
terwijl de blijvende spirituele essentie terugkeert naar haar bron onder
de sterren.
*Vgl. ‘De drie visioenen’, Sunrise,
december 1967.
De periode van de dood, tussen twee levens, is een noodzakelijk deel
van ons menselijke bestaan. Het vervult vele functies tegelijk, waaronder
het bieden van gelegenheid aan de ziel om een zeker psychologisch, mentaal
en spiritueel evenwicht te herwinnen. In de vreedzame droomtoestand,
die in duur voor ieder verschilt, komen de hoogste ongebruikte energieën
tot ontplooiing en verwezenlijken zich de tijdens het aardse leven niet
gerealiseerde verwachtingen, voordat we ‘weer op pad gaan’,
zoals Masefield het uitdrukte. De dood is echter net zomin als de slaap
een vlucht naar een eeuwig paradijs van dromen. Toen we de verplichtingen
van ontwakende, zelfbewuste wezens op ons namen, betraden we het strijdperk
van de dualiteiten van het leven, en op dat terrein van handelen liggen
onze ware plichten. In de loop van de jaren krijgen we allen van tijd
tot tijd ingevingen betreffende onze gedragslijn. Dan horen we misschien
de stem van het innerlijk zelf, die voortdurend probeert ons op te wekken
tot onze specifieke taak in dit leven, die in onze ziel werd gegrift
voor we weer incarneerden.
We zijn nooit alleen. Altijd is er in ons de kenner, die probeert te
voorkomen dat we ons concentreren op persoonlijke begeerten, egoïsme,
zelfzucht en dergelijke. We zijn ook geneigd te vergeten dat we in ons
een reservoir van kracht en wijsheid bezitten dat we in vorige levens
hebben verworven, en dat we, hoe onbewust ook, voortdurend putten uit
de verzamelde ervaringen. Was dat niet het geval, dan zouden we misschien
overweldigd worden door alles wat we moeten opnemen en leren. Het getuigt
van eeuwenlange voorbereiding en gewoonten, ontstaan in deze cyclus
van lering voor de ziel. Bovendien zijn er nog andere, subtielere banden
met het verleden. Hoe verklaren we het gecompliceerde weefsel dat bestaat
uit menselijke relaties van aantrekking en vijandschap? Hoe vaak zijn
we verbonden geweest met familie en vrienden in andere tijden, en hebben
we samen gewanhoopt en gelachen, geleden en ons verheugd? Hoe vaak hebben
we dezelfde gedachten gehad, dezelfde dromen gedroomd, vurig verlangd
naar begrip en innerlijke vrede? Hoe vaak en in hoeveel verschillende
landen hebben we de warmte van de zon en het trillende licht van een
lentedag verwelkomd, in wind en regen gewandeld, of in een heldere nacht
naar de sterren gekeken?
Kinderen behoren tot de meest overtuigende vertegenwoordigers van een
vóórbestaan, als we naar bewijzen zoeken. Vanaf het moment
dat ze worden geboren, is elk van hen een individu en vertoont karakterneigingen
en talenten, die het van een ander kind doen verschillen. Hun wijsheid
is soms verbluffend. Het zijn inderdaad oude zielen in jonge lichamen
en uit de wereld die ze pas hebben verlaten brengen ze iets van de spirituele
schoonheid met zich mee, maar ook het individuele karma dat iedere ziel
heeft gekozen om in een leven uit te werken. Dit kan de enorme verschillen
in omstandigheden, kansen en problemen verklaren, op het moment dat
ze nog te jong zijn om oorzaken te hebben geschapen. De Yoruba’s
in West-Afrika verwelkomen een pasgeboren kind met de groet ‘U
bent wedergekomen’. Kinderen geloven instinctief dat een plant,
een huisdier of een ander levend iets niet echt sterft, omdat er iets
in is, noem het de geest, dat blijft leven. Een kind zei eens: ‘Natuurlijk
moeten we doodgaan. Hoe kunnen we anders geboren worden?’
Een opmerkelijk voorbeeld van een wijze ziel in een jong lichaam was
een zevenjarig jongetje, Edouard geheten, dat wegkwijnde door leukemie
en wiens geschiedenis in 1978 in de pers verscheen. Hij wist dat de
dokters alles in werking hadden gesteld om zijn leven te redden, maar
tenslotte vroeg hij op een dag hem van de apparatuur die hem in leven
hield te verlossen, zodat hij op natuurlijke wijze kon sterven, omdat
hij te ziek was en te veel pijn leed om verder te leven. Hij sprak vol
vertrouwen over de vrijheid van de geest na de dood en zei dat ‘het
was als een reis naar een andere melkweg’. Er werd een bandopname
gemaakt van zijn hoopvolle en bemoedigende woorden. Het is duidelijk
dat zijn wijsheid die van zijn moeder en van allen die hem verzorgden,
overtrof en zijn moeder verklaarde dat het vertrouwen van haar zoon
in reïncarnatie ook ‘haar ertoe bracht erin te geloven.’
Onvermijdelijk rijst de vraag of, als ons denken meer was ingesteld
op het grootse patroon van de geest – van de ware mens –
we ons dan niet minder op alleen het lichaam zouden concentreren en
niet zoveel belang zouden hechten aan het behoud van het stoffelijke.
Dat verlengt vaak het lijden, vooral wanneer alle tekenen erop wijzen
dat het lichaam het begint op te geven. De reïncarnatie-gedachte
staat ons toe vooruit te zien naar de kansen van toekomstige levens,
in plaats van ons ten koste van alles wanhopig vast te klemmen aan dit
ene leven. We zouden dan het lichaam in een juister verband zien, als
een voertuig voor de onsterfelijke ziel, en wanneer de juiste tekenen
er zijn, zou men de ziel in vrede laten heengaan. De houding van vertrouwen
van Edouard wijst erop dat, als we weten wat ons te wachten staat, we
ons meer bewust zullen zijn van de wonderen van de dood, en dat zal
er tenslotte toe leiden dat we volkomen zelfbewust deelnemen aan dit
grootse avontuur. Hoe verder we achter de schermen doordringen en de
opmerkelijke verbanden zien tussen ons verblijf hier op aarde en wat
er volgt na de dood, des te beter zien we in dat onze aandacht erop
gericht moet zijn hoe we leven en dat al het andere zich dan
op natuurlijke wijze zal ontplooien. Want de mate van spirituele vervulling
in de toestand na de dood en in toekomstige levens hangt af van de mate
waarin we ons ware menszijn hier op aarde tot uitdrukking brengen. Hoe
weinig weten we in werkelijkheid, maar hoeveel kunnen we niet leren
dat bijdraagt tot de waardigheid, adeldom en schoonheid van ons leven.
Vanuit het punt waarop we ons met ons denken en gevoelen bevinden,
zijn we allemaal op weg naar zelfontdekking, ieder op zijn eigen manier.
Maar de reis krijgt meer betekenis naarmate we vastgeroeste denkbeelden
loslaten en ons leven laten verlichten door het licht dat uit ons innerlijk
komt. ‘Jullie zijn goden’, lezen we in Psalmen
(82:6, 7), ‘allen zonen van de allerhoogste.’ Langzamerhand
beginnen we ons meer op ons gemak te voelen met het vele in ons wezen
dat onbekend is, als we standvastig blijven zoeken naar die kalmte,
die niet betekent dat we ons onttrekken aan de beproevingen van het
leven, maar die veeleer hierop neerkomt dat we op beheerste wijze de
werkelijkheid onder ogen durven zien en ons lagere zelf meester worden.
De uitdagingen, in de vorm van pijn, lijden en zelfonderzoek zijn allemaal
kansen waardoor mededogen kan ontwaken en de ongelijksoortige elementen
in ons wezen kunnen worden gesublimeerd in de smeltkroes van ervaringen,
totdat ze ‘alle in koninklijk goud zijn omgezet’.