Voor ons themanummer van 1985 hebben we reïncarnatie
als onderwerp gekozen, niet alleen om de toenemende aantrekkingskracht
die ze op ernstige en zoekende mensen uitoefent, maar in de eerste plaats
omdat ze ons een gezond en op mededogen berustend perspectief biedt
op ons totale leven. Welke andere theorie kan de vergelijking doorstaan
met het verheffende beeld dat wij mensen, in samenwerking met alle natuurrijken,
evoluerende deelnemers zijn aan een tijdloos, kosmisch proces –
een proces dat een opeenvolging van geboorte en dood voor iedere levensvorm
inhoudt.
Het is een breed thema, dat zowel het oneindig grote als het oneindig
kleine omvat en de kern van het menselijk hart raakt. Wie zijn wij?
waar kwamen we vandaan en waarom? En wat voor toekomst kunnen we verwachten,
als individu en als soort? Er heerst heel wat verwarring in ons huidige
denken en dat komt voor een groot deel omdat we van onze bron, onze
goddelijke essentie, zijn vervreemd. We moeten zekerheid hebben dat
onze wortels dieper gaan dan dit leven en dat een deel van ons na de
dood blijft bestaan. We moeten ontdekken wat de zin is van het lijden
en het verschrikkelijke onrecht dat kinderen, dieren en miljoenen onschuldige
slachtoffers van meedogenloze misdaden en zinloze ongelukken wordt aangedaan,
waarvoor in dit leven geen duidelijke oorzaak is aan te wijzen.
Van een gedegen kennis over deze zaken die ons het meest moesten bezighouden,
is nauwelijks sprake – niet omdat die kennis niet beschikbaar
is, want er is een schat aan leringen en praktische wijsheid aanwezig
in de kern van de religies van de wereld, in mythen, legenden, in overleveringen
van inheemse volkeren en in sprookjes – maar omdat we zijn vergeten
hoe we de theosofische sleutels moeten aanwenden die klaarliggen om
op intelligente en hopelijk altruïstische wijze te worden gebruikt.
Het begrip reïncarnatie is natuurlijk heel oud, en de cyclische
terugkeer van de ziel, met het doel om te leren en het bewustzijn uit
te breiden, was in de hele antieke, heidense wereld even algemeen bekend
als onder de oosterlingen altijd het geval was. Verscheidene vroege
kerkvaders, die op de hoogte waren van het platonische en pythagorische
denken, accepteerden dit idee; een van hen was Origenes, die schreef
over het vóórbestaan van de ziel en haar ‘uiteindelijke
versmelting met de goddelijke Eenheid’. In de 6de eeuw n.Chr.
werd echter een aantal van zijn leerstellingen ketters verklaard en
uitgebannen. Het lijkt voor ons in deze tijd onbegrijpelijk dat een
zo universele leer als reïncarnatie aan de openbaarheid werd onttrokken
en bijna 1500 jaar lang achter kerkelijke sluiers verborgen bleef. Men
kan niet nalaten zich af te vragen hoe de geschiedenis van het Westen
zou zijn geweest als reïncarnatie een bezielend element van de
christelijke boodschap zou zijn gebleven.
Hoewel het taboe was om de leer van de wedergeboorte van de ziel vanaf
de kansel te prediken, konden barden en dichters met hun onsterfelijke
liederen niet tot zwijgen worden gebracht, en toen de renaissance aanbrak
om ‘de sterren van het Denken in beweging te zetten’ (om
een uitdrukking van Emerson te gebruiken), voegden zich filosofen bij
de dichters en spraken en schreven openlijk over tekenen die wezen op
het bestaan van een vorig leven of vorige levens. Later bevestigden
transcendentalisten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan met kracht
dit idee, deze leer van hoop en troost, die een ommekeer betekent.
H.P. Blavatsky vatte de door de eeuwen heen verzamelde wijsheid samen
in drie fundamentele axioma’s, te weten –
achter alles is ‘het Ene Leven, eeuwig, onzichtbaar en toch
alomtegenwoordig, zonder begin of einde’ – naamloos en
onuitsprekelijk, waarvan de ene eigenschap ‘eeuwige, onophoudelijke
beweging’ is;
uit deze Ene Werkelijkheid ontstaat de bipolariteit van licht en
duisternis, geest en stof, geboorte en dood, zodat heelallen in geregelde
opeenvolging worden geboren en sterven;
elke individuele ziel of levensvonk, die identiek is met de ‘Universele
Overziel’, moet door ieder gebied van zijn gaan om zijn weg
naar het goddelijke te vinden.*
*De Geheime Leer 1:32, 43-8; zie ook Sunrise
sep/okt 1984.
Het is één groots proces van zijn en worden – het
goddelijke in actie, door de eeuwigdurende beweging van eb en vloed
van de levenskracht, het ritmisch ontstaan en verdwijnen van heelallen
en hun opnieuw verschijnen uit de diepten van de Ruimte. Dat is het
oude mysterie van het Ene waaruit het vele voortkomt, en het vele dat
in de loop van de eeuwen het Ene wordt.
Met dit op de achtergrond van ons denken, zien we dat reïncarnatie
de menselijke vorm is van het ene kosmische proces, waarin het goddelijke
zich manifesteert in aardse gebieden – het Woord dat vlees wordt,
in de christelijke traditie – de logos die zich telkens weer belichaamt
in talloze vormen met het grootse doel de zaadlogos tot activiteit te
brengen, die zich in de diepste kern van ieder wezen bevindt. Is dat
niet de kern van het gehele menselijke avontuur: worden wat
we diep in ons voelen dat we werkelijk zijn, als we daarvoor slechts
de gelegenheid kregen? Een dergelijke wereldbeschouwing kan het menselijk
lot veranderen als ze in ieder aspect van ons persoonlijke en openbare
leven op intelligente en moedige wijze wordt toegepast. Netelige problemen
zullen we altijd hebben; want als mensen zullen we altijd fouten begaan
op onze weg, in het ouderschap, de opvoeding, de burgerplichten, in
onze baan of ons beroep. Maar te weten dat dit ene leven niet de enige
kans is die we hebben, neemt al een enorme schuldenlast van onze schouders.
We kunnen altijd rekenen op een andere en weer een andere gelegenheid
om de dingen recht te zetten en steeds edeler karaktertrekken tot ontwikkeling
te brengen.
Zoals we denken, zijn we – en hoe opzienbarend zouden de veranderingen
in het wereldkarma en het individuele karma zijn als we de moed hadden
die visie vast te houden en we de wil en het mededogen bezaten haar
in praktijk te brengen. Als we de weg omhoog willen bewandelen naar
een gezondere beschaving, moeten u en ik de eerste onzichtbare, onopvallende,
maar betekenisvolle stap zetten waar elke echte verandering begint,
in onszelf. Op den duur zou het effect van die gezamenlijke inspanning
een ommekeer teweegbrengen in het negatieve en destructieve denken,
dat de voedingsbodem van alle menselijke kwalen is. We hebben ongetwijfeld
eeuwenlang karma gemaakt, zowel individueel als gezamenlijk, en van
allerlei aard, en nu oogsten we de gevolgen van onze edele en van onze
onterende gedachten en daden uit vorige levens. Er bestaat niet zoiets
als denken en voelen in een vacuüm; niet alleen is ons individuele
karma vermengd met ons nationale karma, maar het karma van de wereld
is ook ons karma, onze verantwoordelijkheid. We hebben daaraan in vorige
levens bijgedragen, zowel in opbouwende als afbrekende zin. Als we dat
inzien, spoort dat ons aan te helen waar pijn werd veroorzaakt, te verbeteren
waar onrecht geschiedt en om zelfs de nietigste zaden van edelmoedigheid
en zorgzaamheid in de menselijke relaties te verzorgen en te voeden,
waar we maar kunnen.
Ondanks alle narigheid op onze planeet, zijn er herstellende invloeden
die aan kracht winnen en die gestadig weldadige veranderingen teweegbrengen
in de aard van het werelddenken. Het besef dat miljoenen mensen hun
tijd en energie geven aan het verminderen van honger, armoede, en ziekten
die het leven van zovelen op onze aardbol teisteren, geeft grote kracht
en bemoediging. Anderen, even toegewijd, zijn ervan overtuigd dat het
zinvol is een verder gelegen doel na te streven door de oorzaken weg
te nemen van de menselijke ellende en het kwaad om te zetten in harmonie
en schoonheid – in onze materiële omgeving en in de menselijke
ziel.
Maar vóór alles moeten we ernaar streven in harmonie
te zijn met onszelf. Dat klinkt eenvoudig genoeg, maar hoe moeilijk
maken we het leven voor onszelf en anderen als we verstrikt raken in
bezorgdheden en angsten. Als alles in ons vredig is, en we de rustige
stroom van krachten in ons voelen, zijn we afgestemd op ons hogere zelf
en de onuitgesproken noden van onze naasten. We zijn, tenminste tijdelijk,
in overeenstemming met de ritmen van de natuur.
Als we de horizon van mogelijkheden vóór ons steeds zien
terugwijken, geeft dat ons de moed in onszelf en in de toekomst van
de mensheid te geloven en hoeven we ons niet af te vragen wanneer
het leven begint. We zullen weten dat het leven altijd is, altijd is
geweest en altijd zal zijn; want een mens is veel meer dan wat we zien.
Innerlijk, wat ons karma nu ook moge zijn, hebben we een lange geschiedenis
achter ons die zich ver buiten dit huidige leven uitstrekt, een lange
reeks van ervaringen van de ziel die in de loop van eonen is opgedaan
en die de belofte inhoudt van een onvoorstelbare rijkdom aan mogelijkheden
en krachten, die in toekomstige cyclussen nog tot ontplooiing zullen
komen.
Denk eens aan de bevrijdende kracht van een dergelijke visie als iemand
door een ernstige ziekte wordt getroffen. Hoewel een deel van ons lijdt
– want het is hartverscheurend zo weinig te kunnen doen om het
lijden van een ander te verlichten – is het gezamenlijk weten
dat achter alle ervaringen rechtvaardigheid en mededogen schuilgaan,
een onschatbare hulp, die de pijn van het afscheidnemen draaglijker
maakt. De dood wacht allen, jong en oud. Als we nog maar enkele maanden
samen kunnen zijn met hen die we liefhebben, zouden we kunnen proberen
de raad van Marcus Aurelius op te volgen om ‘op de hoogste top
van ons wezen te leven’. Als dan de dood komt zullen we weten
dat ‘alles wel is’ voor degene die ons enige tijd moet verlaten.
De aard van de bijna-dood-ervaringen, waar we tegenwoordig zoveel over
horen, kan ons ook helpen onze opvattingen over de dood te herzien:
de dood te zien als een vriend, een wijze voorziening van de natuur,
en onze kinderen, onze ouders, kortom iedereen, als uitingen van de
stralende wezens die wij innerlijk zijn.
Wie zijn we en waar gaan we heen? Ieder van onze medewerkers heeft
geprobeerd uit zijn of haar levenservaringen en studie van de theosofische
beginselen de wezenlijke betekenis te distilleren van de steeds terugkerende
cyclussen van de natuur. Het is duidelijk dat geen enkel aspect van
het algemene thema van wederbelichaming volledig kon worden behandeld.
We hopen echter van harte dat het spectrum van gedachten dat hier wordt
geboden, breed genoeg is om tot verder nadenken te stimuleren.