Een verheven taak
Grace F. Knoche

 

. . . . Ik rust niet in mijn verheven taak!
De werelden van de eeuwigheid te openen,
En innerlijk, het onsterflijk, menselijk oog te openen
Voor de werelden van het denken, voor het eeuwige,
Zich steeds uitbreidend . . . .
     – William Blake (1757-1827)

H.P. Blavatsky leefde en werkte in de traditie van hen die er onophoudelijk naar streven de geest van de mensheid bewust te doen worden van zijn goddelijke mogelijkheden. Evenals Blake rustte ze niet in haar verheven taak om onze onsterflijke ogen innerlijk te openen voor de zich steeds uitbreidende werelden van het denken en van aspiratie, opdat we ons zouden kunnen bevrijden van onze ‘verstandelijke boeien’, die Blake zo vurig bestreed.

In lang vervlogen tijden bezaten alle volken een natuurlijke intuïtieve kennis van de stoffelijke en spirituele natuur en van zichzelf; ze hadden een helder beeld van hun eigen doel op aarde en van hun relatie met de werelden boven en beneden hen. Maar in de loop van de tijd werd deze kennis vergeten of begraven onder ritueel – en dat gebeurde keer op keer.

Vanwaar komt deze kennis, deze theosophia perennis of eeuwige godswijsheid, waarvan de mysterieuze bron zich verliest in de oertijd van het menselijk bestaan? Een van H.P. Blavatsky’s leraren, K.H., spreekt over de hoogste planeetgeesten die ‘aan het begin van elk nieuw mensengeslacht’ op aarde verschijnen om de ‘grondtoon van de waarheid’ aan te slaan. Zij blijven niet langer onder de mensen dan nodig is

om de eeuwige waarheden die zij leren zo krachtig op het plastische denkvermogen van de nieuwe rassen af te drukken, dat ze zeker niet verloren zullen gaan, of in de eeuwen daarna door komende generaties volledig zullen worden vergeten.*

*De mahatma brieven aan A.P. Sinnett, brief nr. 9, blz. 46.

Deze eeuwige waarheden zijn onder de hoede van een broederschap van hoger ontwikkelde mensen, een gemeenschap van adepten die zich hebben gewijd aan het in stand houden van een centrale bron van licht, van waarheid en van wijsheid voor de mensen. Zoals HPB verklaart, zijn generaties van ingewijde zieners doorgedrongen tot het hart van de materie en hebben ze ‘de ziel der dingen’ ontdekt. Maar deze waarheden zijn niet statisch; integendeel, ze vormen de kern van een zich steeds verder uitbreidende kennis, verworven door een diepgaand onderzoek van elk rijk van de natuur. ‘Van geen adept werd het visioen aanvaard, voordat het was gecontroleerd en bevestigd door de visioenen van andere adepten – zó verkregen dat ze als op zichzelf staande bewijzen konden dienen – en door eeuwen van ondervinding.’* Ze zenden periodiek uit hun midden één of meer afgezanten om ons, hun medemensen, te onderrichten en te inspireren, om de waarheden in ons wakker te roepen en in ‘herinnering’ te brengen die in oude tijden op onze diepste, innerlijke essentie werden afgedrukt – zij zijn de verlossers, messiassen, rishi’s, wijzen en avatara’s uit de legenden en de geschiedenis.

*De geheime leer, 1:300.

Er staat geschreven dat toen de Boeddha zijn einde naderde, hij in de laatste wake, vóór hij zijn verheven nirvana inging, tot Subhadra zei: ‘Laat de broeders juist leven [het Edele, Achtvoudige Pad volgen] en de wereld zal niet van arhats verstoken zijn.’* Altijd zullen er zijn die de weg naar de eeuwige waarden wijzen. Omstreeks die tijd bloeiden niet alleen de mysteriecentra van Griekenland, maar ook verscheen er in het Oosten zowel als in het Westen een schare van spirituele leraren, en hun leven en onderricht verlichtten de komende eeuwen. Het tijdstip van hun komst was bijzonder belangrijk, want er begon een neerwaartse cyclus, en toen Jezus verscheen was die cyclus al een eind op gang. Toch was hij, als Christos, de middelaar van een goddelijke energie, de drager van een messiaanse kracht voor het Vissen-tijdperk.

*Mahaparinibbana-Sutta, hfst. 5. Arhat: waardige; ook vernietiger van tegenstanders.

De middeleeuwen volgden en lieten het stempel van hun verstikkende invloed op heel Europa achter. Maar in die moeilijke tijden bleef de oorspronkelijke schoonheid van de christelijke boodschap bewaard door de zuivere aard van hen die zich daar ten volle aan hadden gewijd. Aan de andere kant van de wereld, in Tibet, waren tegen de 14de eeuw de spirituele omstandigheden in de kloosters zo verslechterd, dat de Boeddha genoodzaakt was zich opnieuw te openbaren. Men zegt dat hij zich belichaamde in Tsong-Kha-pa, die de Gelukpa (Geelkap) Orde stichtte, waarvan de eerste Grote Lama de reeks van Levende Boeddha’s opende.

H.P. Blavatsky hechtte geloof aan de traditie dat Tsong-Khapa zijn arhats opdroeg de wereld in een bepaalde periode van iedere eeuw te verlichten. In het Europa van de 15de en 16de eeuw kunnen we inderdaad de bevrijdende invloed zien werken in de Renaissance, in een zich uitbreidende spirituele visie en in de geestdrift waarmee Ficino en de kring van de Medici in Florence het platonische en neoplatonische denken verwelkomden. Briljante en scherpzinnige denkers, bevrijd van het kerkelijk dwangbuis – Pico della Mirándola, Paracelsus, Bruno, Shakespeare, onder anderen – brachten hun heiligste inspiraties tot uitdrukking. Hoewel verspreid over heel Europa en betrekkelijk gering in aantal, waren ze niettemin verbonden door hun gemeenschappelijke toewijding aan de theosofische/hermetische traditie, de kabbala, de leer van de Rozenkruisers, de alchemie en dergelijke, die als een ondergrondse stroom het westerse denken verrijkten. De tijd was echter nog niet rijp voor het tot stand brengen van een duidelijke verandering in het algemene denken.

In de daaropvolgende honderd jaar, ongeveer tussen 1770 en 1870, werden in de kerkelijke geloofstheorieën grote bressen geslagen door de intrede van de oosterse filosofie en literatuur in Europa en Amerika, de ontcijfering van de Egyptische hiëroglyfen en het spijkerschrift van de Soemeriërs, naast de publicatie van de revolutionaire ontdekkingen op het gebied van de geologie en de evolutie van Lyell en Darwin. Tegen het laatste kwart van de 19de eeuw, toen opnieuw de tijd voor een spirituele impuls was aangebroken, waren de werktuigen aanwezig. Ditmaal was het mogelijk een groep toegewijde mannen en vrouwen te verenigen, die de spirituele impuls zouden voeden en in leven houden, zodat deze zich in en door het Aquarische tijdperk zou voortzetten.

‘Niets heeft zo’n kracht als een idee waarvoor de tijd is aangebroken.’ Het idee was er – was er altijd geweest; het was het juiste tijdstip, want het karma van de wereld vroeg erom. Waar was de geniale geest, de titanische spirituele kracht, de brenger van een boodschap die in het wereldbewustzijn een ommekeer teweeg zou brengen en die het opnieuw zou wagen de weg te wijzen die voert uit eigenbelang naar altruïsme? Daarvoor was iemand nodig met buitengewone gaven, die een visie van kosmische omvang kon ontvangen en doorgeven, die het mens-zijn zijn waardigheid zou teruggeven, die ons zou leren hoe we in vrede kunnen leven en sterven, en vooral hoe we als individuen en als naties in harmonie met onszelf en elkaar kunnen leven.

Ter gelegenheid van de gedenkdag van haar geboorte (12 augustus 1831) eren we H.P. Blavatsky, de schrijver/optekenaar van De geheime leer, een geïnspireerde en aangrijpende uiteenzetting van het evolutionaire doel van de natuur, zoals we dat waarnemen in de cyclische geboorte, groei en dood van heel allen en hun talloze rijken van levende wezens. De boodschap die zij bracht werkte door op alle gebieden, culturele, maatschappelijke, religieuze en raciale. Mensen uit alle kringen werden erdoor gegrepen, oude herinneringen werden wakker geroepen; zij die al in vroegere levens het pad van bewustwording hadden gevolgd, herkenden de oproep en gaven daaraan gehoor. Of ze wel of niet waren getraind de woorden te begrijpen, de boodschap drong door tot hun hart, omdat ze daarin weerklank vond. De grondtoon van broederschap was opnieuw aangeslagen en zijn trillingen namen ieder decennium in kracht en invloed toe. En dan de filosofie: de mens, gezien als een microkosmos en macrokosmos (er is geen verschil); alles is en alles is in wording, want de ene, ondeelbare goddelijke intelligentie ‘doortrilt elk atoom en oneindig klein punt’ in de gehele ruimte; en, wat heel belangrijk is, de nadruk die wordt gelegd op het zeer oude ideaal van zelfverloochening, zich wegcijferen, zich bevrijden uit de greep van persoonlijke begeerten, van het streven naar macht en van de zucht naar bijval, en het offeren van het dimensieloze zelf op het altaar van dienstbetoon.

Eén oorsprong, één bestemming, één groots doel – dat is de handschoen die H.P. Blavatsky in het forum van het werelddenken wierp. Het bleef niet onopgemerkt. De komende eeuwen zullen haar, geloven we, zien als de voorbode van een humaner en filosofisch gezonder tijdperk.

Maar al zien serieuze bestudeerders De geheime leer als een authentieke synthese van de ‘verzamelde wijsheid van eeuwen’, ze beschouwen het werk niet als hun bijbel. Noch de theosofie – het woord dat in onze tijd voor deze grondwaarheden werd aangenomen, maar dat al in de 3de eeuw n.Chr. werd gebruikt – noch de Theosophical Society die zij heeft opgericht, kent enig dogma of enige geloofsbelijdenis. ‘De gedachte die aan de Society ten grondslag ligt is die van vrij en onbevreesd onderzoek’, verklaarde HPB in 1879 in het eerste nummer van haar eerste theosofische tijdschrift; en ongeacht of men theïst of atheïst is, pantheïst of iets anders –

Als een onderzoeker eenmaal de oude en door routine platgetreden paden verlaat en het eenzame pad betreedt van onafhankelijk denken – godwaarts – is hij een theosoof, een oorspronkelijke denker, een zoeker naar de eeuwige waarheid met ‘zijn eigen inspiratie’ om de universele problemen op te lossen.
   – The Theosophist, oktober 1879, blz. 6

Dat H.P. Blavatsky voortdurend de nadruk legde op de individuele vrijheid van denken en oordelen, wordt op welsprekende wijze aangetoond in Robert Bowens verslag van het ‘persoonlijk onderricht’ dat door haar in de laatste jaren van haar leven werd gegeven. We moeten bedenken dat toen deze besloten zittingen begonnen, De geheime leer nog maar net was gepubliceerd, en dat zij die deze bijwoonden, geweldig enthousiast waren. Voor zover ze wisten was er iets dergelijks nooit eerder verschenen en ze verwachtten van HPB pasklare antwoorden op de fundamentele vragen omtrent leven, dood en het waarom van het bestaan. Herhaaldelijk moest zij hen eraan herinneren dat de leringen die zij in de GL bekend mocht maken, slechts een schets zijn, een fragment van de archaïsche heilige wetenschap; als zodanig stimuleren ze de intuïtie en ontwikkelen ze het denkvermogen. Kortom, ze zijn niet bedoeld als het ‘laatste woord over het bestaan, maar als een WEG NAAR DE WAARHEID’.

Een weg naar de waarheid – als we nadenken over deze betekenisvolle uitdrukking en over haar opwekking om onze vastgeroeste denkgewoonten op te geven en oorspronkelijke, onafhankelijke denkers te worden, krijgen we een intuïtief besef van de oneindige mogelijkheden van het menselijk bewustzijn. Voor ieder geldt dat hoe meer men openstaat voor het licht van zijn innerlijke god, hoe dichter men nadert tot het ontvangen van ‘een eigen inspiratie’. Dat is de kern en de kracht van de gnosis of de heilige kennis, die sinds onheuglijke tijden in de hele wereld werd geëerd. Het Pad is één, maar er zijn evenveel wegen die erheen leiden als er mensen zijn die zoeken en hun eeuwige pelgrimstocht vervolgen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency