Vele wegen leiden tot God
Curtis Beach

 

[Op verzoek herdrukt uit ons december 1956 nummer [Amerikaanse uitgave], met toestemming van ds. dr. Beach, die destijds predikant was van de Neighborhood Church in Pasadena en zo nu en dan een bijdrage aan Sunrise leverde. Hij woont nu in Maine en bracht onlangs met zijn vrouw Helen een bezoek aan Pasadena om de viering van het honderdjarig bestaan van de Neighborhood Church als gastpredikant bij te wonen. – RED.]

We leven in een wereld van onuitsprekelijke en natuurlijke schoonheid, en één weg die voert naar dat mysterieuze wezen dat we God noemen, is schoonheid. Als we ons in de Californische Sierra’s bevinden en een diepblauw meer ontdekken, omringd door donkergroene dennen en aan de overkant de berg, wit van sneeuwen gletsjerijs, zijn top dieprood gekleurd door de ondergaande zon, is dat een ervaring die de ziel ontroert. Een vriend van me, een geoloog, ondergaat diezelfde vreugde in de woestijn van Californië, als hij uitziet over de oneindige zandvlakte, bedekt met duizenden kleine bloempjes, en in de verte de bergen in steeds wisselende kleurschakeringen van bruin, groen en purper – ook dat is een tafereel van serene rust. Weer anderen vinden schoonheid in de stille beslotenheid van het bos, de steeds wisselende bewegingen van de zee, de rust van een Engels landschap, de heide in Schotland, de met wijngaarden bedekte heuvels van Italië, de pracht van afgelegen streken van onze aardbol.

De mens kan lelijke dingen maken, met zijn bebouwingen en reclameborden, maar de natuur zelf is nooit lelijk. De door stormen achtergelaten littekens worden al gauw bedekt met mos en klimplanten, die de schoonheid van haar kleed steeds opnieuw beschermen en vernieuwen. Dit ‘iets in het heelal dat leidt tot schoonheid’ is een van de dingen die men God noemt.

Een andere weg naar de Godheid loopt via de wetenschap. De mens heeft altijd een scheppende kracht in het heelal erkend, maar het was aan de moderne wetenschap voorbehouden ons enig idee te geven hoe wonderbaarlijk deze scheppende kracht is. Er heerst een orde in de natuur die zich uitstrekt van de verste hemelen tot het allerkleinste deeltje dat door de microscoop kan worden waargenomen. Overal heersen dezelfde wetten – zelfs dezelfde chemische reacties voltrekken zich in alle delen van de kosmos. Enkele jaren geleden bezocht onze jongerengroep het observatorium van Mount Wilson, en de sterrenkundige die ons het instrument toonde dat de chemische samenstelling van de zon vaststelt, merkte op:

Dit instrument bewijst dat de chemische elementen in de zon en in onze aarde precies dezelfde zijn. Maar zelfs als we dit apparaat niet zouden hebben, zouden we het toch geloven, want er heerst een fundamentele orde in het heelal.

Er is in het heelal een fundamentele eenheid die ons begrip te boven gaat – een bindend beginsel dat het bijeenhoudt, er is regelmaat, een ordelijke structuur – zo verbazingwekkend dat het lijkt alsof het een product is van een enorme mathematicus. Dat is, denk ik, wat Einstein in gedachten had toen hij zei:

Voor mij is het voldoende . . . om na te denken over de schitterende structuur van het heelal, die we [slechts] vaag kunnen onderscheiden, en om nederig te proberen om zelfs maar een oneindig klein deeltje te begrijpen van de intelligentie die zich in de natuur manifesteert.

Misschien is het meest wonderlijke in dit heelal dat het de woonplaats is van de menselijke geest. In de mens zien we dat iets groots is bereikt – de menselijke geest – niet alleen in staat tot redelijk denken, maar ook tot het scheppen van grote schoonheid. Hier is een wezen dat de machtige bespiegelingen van Plato kan voortbrengen, de analyses van Aristoteles, de muziek van Beethoven, de kunst van Michelangelo, de architectuur van Brunelleschi, de poëzie van Dante, de epische gedichten van Milton, de drama’s van Sophocles, en de toneelspelen van Shakespeare. Hier is een wezen dat zich voor zijn naasten in zelfopofferende liefde kan wegcijferen, zoals Jezus en Franciscus van Assisi; een wezen dat intellectuele integriteit en vrijheid van denken hoger acht dan het leven zelf – zoals Socrates en Christus.

We hoeven niet te kijken naar de onsterfelijke namen uit de geschiedenis om voorbeelden te vinden van menselijke moed en menselijk kunnen. We kennen allemaal in onze eigen omgeving mensen met een geest die zo creatief, zo zelfopofferend en edelmoedig is, dat we in hun tegenwoordigheid tot eerbied en nederigheid worden bewogen. Is er iemand die gelooft dat zoiets verbazingwekkends als de menselijke geest zich door louter toeval kan hebben ontwikkeld?

Als het waar is, zoals de sterrenkundige van Mount Wilson zei, dat de chemische elementen in alle gebieden van de kosmos dezelfde zijn, zou het dan ook mogelijk zijn dat de geest die we in de mens zien op dezelfde wijze verwant is met een universele geest, die zich achter en in alles bevindt wat bestaat en leeft in deze uitgestrekte kosmos?

Als we maar een dieper besef zouden kunnen hebben van de waarheid – niet in haar wettelijke betekenis, het kennen van de feiten, maar in filosofische zin, het zich bewust zijn van wat het leven werkelijk waardevol maakt; als we een groter gevoel voor schoonheid zouden kunnen hebben, een fijner gevoel voor wat goed is, en als we onze medemens met meer sympathie zouden benaderen, zonder blaam, vitterij of trots – als we de waarheid, schoonheid en goedheid van het menselijk leven zouden kunnen zien, dan zouden we misschien een nauwere band scheppen met die volmaakte Waarheid, Schoonheid en Goedheid die we God noemen.

We hoeven de Bijbel niet te lezen om de Godheid te vinden, want er zijn levende bijbels overal om ons heen. We komen allemaal wel eens in contact met mensen die door de zuiverheid van hun eigen leven, door hun liefdevolle sympathieën, hun heldhaftige strijd tegen grote hindernissen, ons het wonder van de menselijke geest hebben getoond, die inderdaad goddelijk is.

De meester Jezus maakte zich veel minder zorgen om de geestelijke hoogte van een mens dan om zijn mogelijkheden tot groei. Wie waren bijvoorbeeld zijn eerste discipelen? Mensen die bekend stonden om hun vroomheid? Leiders van de synagoge? Voor velen die zich ‘orthodox’ noemden moet het een armzalige keuze zijn geweest. Een paar vissers, een ex-tollenaar (wat gelijkstond met ex-dief), enkele politieke radicalen (dwepers), een groep ongeletterde mensen.

Toen Mattheüs naar hem opkeek, terwijl het geld dat hij de mensen had ontfutseld op de tafel lag uitgespreid, was er iets in zijn ongelukkige ogen dat Jezus vertelde dat hier een man was die de roverij waarbij hij was betrokken, haatte, dat hier een ziel was die verlangde naar een leven van werkelijk geestelijke waarde. Jezus ondervroeg Mattheüs niet over zijn opvoeding of theologie en hij vroeg hem evenmin een geloofsbelijdenis te tekenen. Hij zei eenvoudig: ‘Sta op! Volg mij!’ Dat deed Mattheüs. Volgens Lucas was het eerste dat Petrus tot Jezus zei, toen de Meester hem vroeg zich bij hem aan te sluiten: ‘Laat mij, Meester, want ik ben een zondig mens.’ Maar Jezus sprak tot hem: ‘Kom mee en ik maak van u een visser van mensen.’ Petrus deed het en Jezus maakte van hem een van de sterkste karakters uit de geschiedenis.

Hij had een vreemde en scherpe manier om de dingen te zeggen, een manier die blijft hangen. Zijn schilderachtige taal gaat in de vertaling vaak verloren. Neem bijvoorbeeld de eerste zaligspreking: ‘Zalig zijn de armen van geest.’ Jezus heeft dat zo niet gezegd. Een juiste vertaling van het Grieks is: ‘Zalig zijn de bedelaars in de geest.’ Dat is een wezenlijk verschil.

Jezus, die sprak over de bedelaars van de geest, legde er de nadruk op dat de eerste stap in het geestelijk leven was zich van zijn tekortkomingen bewust te worden. De werkelijk religieuze mens weet dat hij niet alle wijsheid van de wereld bezit. Maar hij is zich niet slechts bewust van zijn armoede – hij zoekt hulp en zet dan de eerste stap naar geestelijke groei. Moderne geleerden hebben deze uitspraak op vele manieren weergegeven. Moffatt deed het als volgt: ‘Zalig zijn zij die zich arm van geest voelen’; Goodspeed zegt: ‘Zalig zijn zij die hun geestelijke behoefte voelen’; en Dean Hodges zei het eens zo: ‘Zalig is de mens die zich niet tevreden voelt over zichzelf.’ Maar Jezus zei meer dan dat: ‘Zalig zijn de bedelaars in de geest’ – zij die hun tekort beseffen en hulp zoeken.

We willen allemaal geestelijk groeien, onze geestelijke wortels versterken. We willen onze sympathieën uitbreiden, onze blik hoger richten dan ooit tevoren. We verlangen naar die inspiratie die verworven kan worden door samen met anderen te zoeken. Het kenmerk van de ware christen is niet snobisme maar nederigheid. Niemand heeft het alleenrecht op deugd, noch enig monopolie op de waarheid.

Er is daarom nog een andere belangrijke weg die naar God leidt en wel door zelf diep na te denken, want door te zoeken en voortdurend zijn eigen geest te raadplegen, kan men nader tot God komen. Op de oude vraag ‘kan de mens God vinden door hem te zoeken?’ moet het antwoord nadrukkelijk ja luiden – men kan tenminste een heel eind op weg komen. Maar dit zoeken moet zonder angst en in alle eerlijkheid geschieden. Men moet niet worden belemmerd door overgeërfde denkbeelden en traditionele ideeën. We mogen gebruikmaken van alle wijsheid die het verleden en het heden ons kunnen bieden – alle ideeën uit de oudheid, de bijbel, de heiligen, de kerk, de andere wereldgodsdiensten, onze ouders, onze tijdgenoten, boeken – maar het zijn slechts hulpmiddelen, suggesties die overwogen, aanvaard of verworpen en voortdurend ontwikkeld kunnen worden. De enige ideeën die het leven van een mens werkelijk kunnen beheersen zijn die van hemzelf – ideeën die hij tot de zijne heeft gemaakt door zijn eigen ervaringen en strijd.

Een laatste manier om ons geestelijk leven te verdiepen is door gebed – want bidden is in de woorden van de Welse dominee uit Hoe groen was mijn dal ‘niets anders dan zuiver en eerlijk denken’. Het is nadenken over de betekenis van het leven – vooral ons eigen leven – met de ogen gericht op het goddelijke, opdat we mogen groeien in begrip; opdat ons leven doordrongen mag worden van het bewustzijn van God die in ons werkt, door ons bewust te worden van onze verbondenheid met hem en door ons te wijden aan zijn wil. Met al ons zoeken zullen we waarschijnlijk nooit veel van God te weten komen – maar we willen met anderen samengaan op deze pelgrimstocht.

We geloven dat dit heelal is vervuld van iets dat we Geest noemen – en dat deze universele Geest iets is waarvan we deel uitmaken. In het begin was de Geest en die Geest belichaamde zich in de wezens die we mensen noemen en woont in onze menselijke vorm. Die universele geest waaruit we voortkomen, noemen we God.

 
Christendom
 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency