Achter de sluiers van de natuur
I.M. Oderberg

 

Boekbespreking: The Embers and the Stars: A Philosophical Inquiry into the Moral Sense of Nature, Erazim Kohák, University of Chicago Press, 1984, 269 blz.



Een opmerkelijk boek van de hand van Erazim Kohák, The Embers and the Stars [Smeulende vonken en sterren], richt de aandacht op de heelheid van de natuur als een organisme, door een levendig beeld op te roepen van de atmosfeer van een bos in New Hampshire bij zonsondergang en tot in de nacht. Dr. Kohák is in Tsjechoslowakije geboren en is nu professor in de filosofie aan de universiteit van Boston. Niet langer gebonden aan de mechanische benadering van onze tijd, ziet hij een bomenbestand als een tot een eenheid versmolten aanwezigheid, een biosfeer van met elkaar verweven levens die het heelal omvat.

Dr. Koháks mooie schrijftrant en diepzinnige bespiegelingen harmoniëren met die onsterfelijke regels van Immanuel Kant: ‘Er zijn twee dingen die het denken steeds opnieuw en in toenemende mate met bewondering en ontzag vervullen, hoe meer en rustiger ik erover nadenk: de sterrenhemel boven me en de morele wet in me.’*

*Works in Moral Philosophy, vert. [in het Engels] L.W. Beck.

De westerse beschaving wordt echter zo in beslag genomen door de technologie, dat de grote vragen over het leven zelf zogoed als verdwenen zijn. Velen zien in deze tijd de filosofie als een gespecialiseerde wetenschap die zich met de taal bezighoudt, een praktisch of mechanisch soort vermogen om argumenten te analyseren, dat een ‘technische vaardigheid’ oplevert. Voor dr. Kohák waren ‘de denkers wier inzichten de toets der tijden hebben doorstaan . . . uit ander hout gesneden. Zij waren de eeuwige beginners, die de betekenis van doorleefde ervaringen in hun meest oorspronkelijke directheid tot hun onderwerp maakten’ (blz. xi) . Toch zullen we, als we onze blik op de hemel richten en tevens naar binnen zien en daar de morele wet voelen – hoe zwak of sterk ook – moeten toegeven dat als we ons op denkvormen en emoties concentreren, ons innerlijk gevoel van het wezen van de natuur vervaagt. Net als de prieelvogel verzamelen we kleurige prulletjes om ons nest te versieren.

Dr. Kohák zegt dat als we worden beheerst door onze mechanische gedachtepatronen en bedenksels, we ons ‘oorspronkelijke besef’ van onze plaats in de kosmos verliezen en terzijde schuiven als louter ‘poëtische fantasie’. Het tegenovergestelde komt dichter bij de waarheid: nu blijkt dat de atoomdeeltjes zo vol zijn van energie, kan er nauwelijks sprake zijn van dode stof en, gezien de precisie en onderlinge afhankelijkheid waarvan de natuurverschijnselen blijk geven, kan men nauwelijks zeggen dat de atomen door blinde krachten worden geleid. Ingewikkelde abstracties zijn in de plaats gekomen van menselijke ervaringen, die het leven en de natuur en de gezamenlijke reis van alle wezens op het pad van evolutie betreffen. Maar het is niet nodig ‘de doorleefde ervaring op te schorten’ om wetenschappelijke opvattingen te accepteren, vooral nu de nieuwe natuurkunde bezig is de mogelijke rol van het bewustzijn in kosmische verschijnselen te onderzoeken.

Dr. Koháks bos is de uiterlijke expressie van de innerlijke harmonieën van levens die de natuur samenstellen; hij ziet tekenen dat er een onmetelijke intelligentie (en liefde) in de wereld aan het werk is en trouwens ook in de kosmos. Hij beseft dat hij deel heeft aan de seizoenen van het wezen van de aarde – de ritmen van de planeet die overeenkomen met de hartslag en bloedsomloop van de mens. Hij heeft een gevoel van verwantschap met de hele natuur en wordt zich bewust van de banden die alle levende wezens met elkaar verbinden. Hij is zich bewust van het hele wezen, het organisme, dat onze planeet is in haar totaliteit, met al haar menigten van bewoners. Omdat het zelfbewustzijn iets is dat uit de natuur voortkomt, is de mensheid een intrinsiek deel van dat proces en niet een vreemd verschijnsel dat door toevallige omstandigheden ontstaat.

Het besef welke plaats wij rechtmatig op de ladder van wezens innemen, schijnt maar langzaam door te dringen – misschien omdat we eeuwenlang onze gedachten verkeerd hebben gericht. Egoïsme in plaats van samenwerking is heel lang het motto van het leven geweest. We moeten onszelf zien als de Chinese kunstenaars van weleer die de mens schilderden: als een klein maar onafscheidelijk deel van een landschap. Toch waarschuwt dr. Kohák tegen twee uitersten: enerzijds de bulldozer-mentaliteit die de natuur exploiteert zonder morele beperkingen; anderzijds zij die in hun woede tegen het plunderen van de natuur, van de mensheid schijnen te verwachten dat ze zich eruit terugtrekt of zich met zoveel succes wegcijfert dat ze van het aardoppervlak verdwijnt!

Het boek van dr. Kohák is in vijf samenhangende delen verdeeld. Het eerste gaat over Theoria, waarin hij niet alleen de opvattingen van moderne filosofen over menselijke problemen onderzoekt, in het bijzonder die van de Tsjechische bioloog en filosoof, Emanuel Rádl, maar ook de ‘spirituele crisis van het Westen’. Het tweede deel, Physis of de Natuur, behandelt het ‘Geschenk van de Nacht’, het ‘Woord’ en de ‘Morele Wet’. Het derde, Humanitas, biedt ons stof voor een dialoog tussen de schrijver en onszelf: onze plaats in de natuur, wat de begrippen ‘menszijn’ en ‘personen’ inhouden, en zijn ‘Filosofie over Personalisme’. Deel vier, getiteld Skepsis, handelt over de verschillende vormen van twijfel die de meesten van ons bij tijd en wijle ervaren, want twijfel werpt een schaduw op vele facetten van ons denken en voelen en breidt zich uit als een druppel inkt op vloeipapier. Natuurlijk is ergens aan twijfelen gewoonlijk een positief gevolg van nadenken, maar twijfel kan ook een negatieve invloed uitoefenen.

Het vijfde deel, Credo, gaat over ‘De God van de Natuur en van Mij’, ‘Het Zijn, Tijd en Eeuwigheid’, en ‘De Dagen van Onze Jaren.’ Dr. Kohák analyseert het volledige spectrum van het menselijk dilemma – maatschappelijk, politiek, economisch en spiritueel – en geeft ons de neerslag van zijn levensfilosofie:

In waarheid leven – kan dat een succes worden genoemd? Waarschijnlijk niet, want we hebben geleerd succes af te meten in termen van spectaculaire veranderingen in de institutionele structuren van ons leven . . . Misschien moeten we leren succes op een totaal andere manier te beoordelen, niet in de voortgang van de tijd, maar in zijn snijvlak met de eeuwigheid. Misschien betekent werkelijk succes niet dat de tijd verandert in zijn loop, maar dat op ieder moment iets van waarde binnentreedt, dat op ieder moment mensen een glimp opvangen van de glorie van het ware, het goede, het schone, het heilige . . . Want de waarheid, hoe gecompliceerd ook, is in zekere zin uiterst eenvoudig, even eenvoudig als smeulende vonken en sterren.    – blz. 216-7

Het sterrenlicht dat de aarde bereikt, dringt in ons binnen en blijft daar als smeulende vonken achter, die door onze inspanningen tot een vlam moeten worden aangeblazen. Het ‘sterrenlicht’ kan een zinnebeeld zijn voor het alles doordringende bewustzijn, dat overal in de ruimte is verspreid: de gehele ruimte.

The Embers and the Stars bevat het aroma van de persoonlijke ervaringen van de schrijver en van zijn diepgaande filosofische bespiegelingen. Zijn betoogtrant is zuiver, en zijn benadering van de persoonlijke positie, in samenhang met de onpersoonlijke kosmische werkelijkheid, heft het boek uit boven de gewone soort hedendaagse filosofische geschriften. Op zijn naschrift volgen 25 bladzijden met wetenschappelijke, veelomvattende opmerkingen. Daarover schrijft hij:

Denkwerk kan niet uit de tweede hand worden gedaan. Het is een heel persoonlijke opgave: iedere lezer moet eigenlijk zijn eigen voetnoten schrijven en de tekst met zijn eigen netwerk van meningen verweven. De voetnoten van één schrijver kunnen op zijn hoogst dienen als sleutels die nieuwe wegen van denken openstellen.

In die geest bied ik u mijn eigen opmerkingen aan – niet als een volledige lijst van associaties, maar als een reeks openingen aan de horizon van het denken, vanuit de ervaringen. Toch zijn ruime marges van even vitaal belang voor een boek als dichtgeschreven aantekeningen, want het is de lezer die in laatste instantie zijn eigen kanttekeningen moet schrijven. Een boek is geslaagd als zijn marges zijn volgeschreven.   – blz. 222-3

De essentie van het pleidooi van dr. Kohák kan worden samengevat in zijn Credo, nl. dat ‘een hervorming in het hart en het denken van de mensen en hun relaties met elkaar en hun wereld’ de vervuiling van onze menselijke ‘wereld’ kan veranderen en vervangen door schone delen van een vernieuwde planeet, ons prachtig groene ruimteschip:

Gouden bladeren liggen op de bodem van de rivier en zetten het water in gloed in de herfstzon. Het bos sterft en vernieuwt zich als de tijd daar is; de glinsterende rivier voert het verdriet met zich mee. In de pijndoende liefde voor die vergankelijke wereld kan de mens, wonend tussen smeulende vonken en sterren, haar opheffen tot het eeuwige. Dat is de taak van de mens.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency