Intelligentie en intuïtie . . .*
James A. Long

 

Wat is het verschil tussen intelligentie en intuïtie? – en met intelligentie bedoelen we niet het intellect. Deze vraag houdt een uitdaging in en geeft ons de gelegenheid stil te staan bij enkele belemmeringen die de groei van onze beschaving in de weg staan. Het noodzaakt ons bijvoorbeeld ernstig na te denken over de vele beginselen van de samenstelling van de mens, een heel ingewikkeld wezen, met hogere en lagere elementen, die er beide op uit zijn de overhand te krijgen.

Laten we eens een ogenblik vier van de voornaamste aspecten van het karakter van de mens bekijken: het dierlijke, het menselijke, het spirituele en het goddelijke. In alle heilige geschriften vinden we, wat zo duidelijk in de Bhagavad Gita wordt geschilderd, dat wij als mens in dit stadium van vooruitgang en groei, op een slagveld staan tussen de hogere neigingen in onze natuur en de lagere, die beide hun aantrekkingskracht uitoefenen. Dat deel van onze samenstelling dat in deze periode evolutionair het sterkst tot uitdrukking komt, is het mentale deel, het verstand, dat beginsel dat verbonden is met de menselijke ziel in ons. Boven deze zuiver menselijke en mentale eigenschap staat de spirituele ziel, of de neiging spiritueel te evolueren en te groeien; en daarboven staat het goddelijke – het goddelijke, zoals dat wordt vertegenwoordigd door de goddelijke vonk, die vonk van goddelijke intelligentie die in het hart van ieder mens te vinden is. Omdat in dit stadium van evolutie van de mensheid het mentale en menselijke aspect sterk de nadruk krijgt, doen onze grootste problemen zich voor wanneer we de respectieve grenzen van ons mentale vermogen bereiken.

We zijn allemaal slechts ten dele ontwikkeld en het zal vele, vele duizenden jaren duren voor het verstand ten volle is geëvolueerd in de mensheid. Laten we echter niet veronderstellen dat we het mentale vermogen volledig zullen ontwikkelen, dan ophouden en het vergeten, om daarna te beginnen aan de ontwikkeling van het spirituele. Dat is niet het geval. Het spirituele vermogen is al begonnen zich in de menselijke natuur te ontplooien – en hier en daar zelfs iets van het goddelijke, al is dat tot dusver niet veel. Als we dus de spirituele aspecten van onze samenstelling beginnen te ontplooien, ontwikkelen we tegelijkertijd een ander vermogen, waar vele tekenen al op wijzen. Wanneer we van iemand zeggen dat hij een ‘zesde zintuig’ heeft, erkennen we dat in het dagelijks leven de werkzaamheid van dat aspect van onze natuur tot uitdrukking komt, dat zich te zijner tijd zal ontwikkelen tot een volmaakt functionerende intuïtie. Het hoogste facet van onze natuur staat zo ver boven ons huidige begripsvermogen dat we het niet kunnen omschrijven, maar er alleen van kunnen zeggen dat het zich ongeveer zal manifesteren als ‘directe waarneming’.

Bovengenoemde kwestie vraagt in de eerste plaats om inzicht in het verschil tussen de menselijke en spirituele eigenschappen in onze natuur. Omdat het verstand met de menselijke ziel is verbonden, moet het in de menselijke wil zijn vertegenwoordigd. Als de intuïtie is verbonden met de spirituele ziel, moet ze zich weerspiegelen in de spirituele wil. Daarom zal de intuïtie zich het sterkst manifesteren in die mensen of in die omstandigheden waarin de spirituele wil niet wordt belemmerd. Wat is het dat de spirituele wil belemmert tot uitdrukking te komen? Het is de menselijke wil, eenvoudig omdat het begripsvermogen van het verstand niet zo ruim is als dat van de spirituele wil. Maar als de incarnerende ziel van een mens in staat is het verstand tot rust te brengen en het ‘hart’ te laten spreken, dan gaat de intuïtie aan het werk. Maar omdat we graag het gevoel willen hebben dat wij de baas zijn en het het beste weten, hebben we alles al met ons hoofd geregeld en zijn we er zo van overtuigd dat we gelijk hebben, dat we ons ‘hart’ geen kans geven om te spreken. Dat is de reden dat we soms horen dat vrouwen meer intuïtie hebben dan mannen! Maar dat is niet voor 100% waar, omdat men aan beide kanten uitzonderingen zal vinden. Sommige vrouwen zijn even nuchter als mannen worden verondersteld te zijn, en sommige mannen zijn intuïtiever dan vrouwen.

We hebben allemaal wel eens meegemaakt dat we met een probleem zaten waaraan we voortdurend met ons hoofd werkten tot we er moe van werden en nog steeds het antwoord niet hadden gevonden. Toen we er ten slotte genoeg van hadden, de zaak lieten rusten en iets anders gingen doen, kwam het antwoord plotseling bij ons op. We dachten er niet meer aan, we zetten ons verstand niet meer aan het werk en zo kregen ons hart en onze intuïtie de kans te spreken – in de stilte. Dat is intuïtie, de ware stem van de stilte – een stem die niet spreekt en niet kan worden gehoord.

Dat is het probleem waarmee we als individuen in deze tijd te maken hebben; waarmee de volkeren en de mensheid als geheel te maken hebben. Dit is niet negatief bedoeld maar positief, omdat onze groeiende vermogens zich niet zullen ontwikkelen zonder tegenstand. Terwijl ons verstand in ons huidige stadium van evolutie evolueert en groeit, is onze intuïtie pas begonnen een klein beetje te ontluiken; maar pas als we inzien dat de intuïtie niet slechts vrouwelijke fantasie is maar de voorbode van een volkomen normaal en natuurlijk vermogen, en we haar als zodanig behandelen, zullen we weten wat het verschil is tussen de menselijke wil en de spirituele wil. Een van de aanwijzingen om ze van elkaar te onderscheiden is dat de menselijke wil uitdrukking geeft aan een beperkt begrip en een beperkt resultaat; ze heeft de neiging egoïstischer; meer op zichzelf gericht te zijn, terwijl de spirituele wil niets te maken wil hebben met de egoïstische menselijke natuur, behalve wanneer de betreffende persoon iets wil bijdragen tot het welzijn van iedereen, of tenminste van anderen.

Laten we nu niet de treurige fout maken die zo velen van ons steeds opnieuw hebben gemaakt door te veronderstellen dat de verbeelding intuïtie is. Daartoe zijn de meesten van ons geneigd wanneer we voor het eerst een ervaring hebben zoals de zojuist genoemde: we willen zo graag dat de intuïtie weer aan het werk gaat, dat we onbewust ons verstand inschakelen en ons van alles en nog wat verbeelden en dan denken dat het de intuïtie is, om tot de ontdekking te komen dat we met ons hoofd tegen de muur lopen. Laat me dit aspect van de gedachte als volgt samenvatten: de intuïtie vertegenwoordigt naar mijn mening de stem van de spirituele wil, die niet hoeft na te denken om de waarheid te herkennen. We groeien en worden rijper en op zekere dag, wanneer we dat punt in de evolutie bereiken waarop we een intuïtie herkennen, zullen we ons verstand de dienaar van de spirituele wil laten worden, en hoe meer we dat doen, des te meer zal de spirituele wil in ons leven, door middel van de intuïtie, tot uitdrukking komen.

De intuïtie is slechts een van de beschikbare middelen tot het verwerven van intelligentie, als we over intelligentie spreken in de hoogste betekenis die we ons kunnen voorstellen, omdat intelligentie niet alleen de intuïtie of het gebruik van de spirituele wil omvat, maar ook het vermogen van de goddelijke vonk in ons, zowel als de menselijke eigenschappen in ons, de dierlijke eigenschappen en alle andere kwaliteiten. Hier moet ik de gedachte van reïncarnatie of wederbelichaming noemen in haar eigenlijke betekenis, het denkbeeld dat in de loop van vele, vele duizenden jaren de mensheid zich telkens en telkens weer heeft belichaamd sinds onheuglijke tijden. Of u wel of niet in reïncarnatie gelooft voor uzelf of voor mij is niet van belang. Maar iedereen met gezond verstand kan zien dat de mensheid zich in zijn levenscyclus steeds weer opnieuw heeft belichaamd, in de onmetelijke perioden van de wel en niet te boek gestelde geschiedenis.

Ik zal met uw goedvinden één mens als voorbeeld nemen van wat we kunnen zien als de ervaring van de mensheid in haar geheel, in deze lange reeks van wederbelichamingen. Als het oude Hermetische axioma waar is, ‘zoals het in het groot is, zo is het in het klein’, dan ben ik geneigd te denken dat er in me een reïncarnerend of een zich wederbelichamend element is, dat een hele lange reeks van ervaringen achter de rug heeft: goede, slechte en neutrale; en dat ik nu, in deze levensperiode, met deze bepaalde persoonlijkheid de kenmerken vertegenwoordig van de krachten en de zwakheden die door het reïncarnerende element, het blijvende deel van mij, zijn gevormd in zijn pogingen me tijdens de lange evolutionaire reis te helpen mijn intelligentie enigermate te ontwikkelen. Toen ik, of wie ook, volwassen werd, constateerden we dan ook dat we bepaalde sterke en bepaalde zwakke kanten hadden en dat we voor enkele gebeurtenissen in ons leven beschikten over alle intelligentie die nodig was om ze het hoofd te bieden, en ook over enige wijsheid, want wijsheid maakt ook deel uit van intelligentie.

Welnu, in de loop van de ervaringen van het reïncarnerende element in ons, hebben we als persoonlijkheden veel fouten gemaakt en zullen we er nog veel meer maken; maar alle wijzen hebben in de loop van de eeuwen hetzelfde gezegd: ‘falen is niet erg, maar ophouden te proberen is verschrikkelijk.’ Daarom geloof ik dat dit reïncarnerende element in me, dat in zijn kern, in zijn hart een vonk goddelijke intelligentie bezit, er in de loop van de tijd op de een of andere manier, en ondanks mijzelf en mijn persoonlijke wil, in zal slagen me veel lessen te leren. Dat is al lange tijd gaande en het zal zich voortzetten tot die periode in de evolutie waarin niet alleen het verstand volledig zal zijn ontwikkeld, maar ook de intuïtie en het goddelijke aspect van onze natuur zich ten volle zullen hebben ontplooid. Terwijl die ontwikkeling in u en in mij plaatsvindt, vergaren of verwerven we een steeds hogere graad van intelligentie, een intelligentie die eens in haar volkomenheid alwijs en algoed zal zijn, waardoor we gebruik zullen maken van de beste intellectuele mogelijkheden in de menselijke ziel, en daarom in staat zijn de aantrekkingskracht naar omlaag als zodanig te onderkennen en het verstand te doen weten wat er moet worden gedaan. Met andere woorden, als we ons zo’n toestand van volmaakte intelligentie nu zouden kunnen voorstellen, zou dat betekenen dat we alles op de juiste tijd, op de juiste plaats en op de juiste manier zouden doen en nooit een fout zouden maken. Maar daar zijn we nog heel ver vandaan! Dat is, volgens mij, intelligentie in haar hoogste vorm.

Wat is het wezenlijke verschil tussen intelligentie en intuïtie? In het licht van het voorgaande zullen we inderdaad intelligent zijn als we leren hoe we onze menselijke wil in dienst moeten stellen van de spirituele wil en de goddelijke wil. Intelligentie per se ontspringt aan de bron van het goddelijke; toch kan diezelfde intelligentie in haar menselijke openbaring door sluwheid en op andere wijze worden misbruikt als men er met kracht en vastberadenheid op uit is zich alleen door de laagste dingen te laten leiden. Met andere woorden, we kunnen even ijverig de duivel volgen, als zo iemand bestaat, en we al onze begeerten erop richten een duivel te worden, als we het goddelijke kunnen volgen!

Vanuit een ruimer standpunt zou ik willen zeggen dat intelligentie en intuïtie even ver van elkaar zijn verwijderd als wij van de zon, want het zijn twee volkomen verschillende dingen. De praktische betekenis van dit alles is dat we inzien dat de verlangens boven de zintuigen staan, dat de menselijke wil of het verstand boven de verlangens staat, dat de intuïtie of de spirituele wil boven het verstand staat, en dat de goddelijke wil boven alle staat.

Naar de mate dat we alles in onze samenstelling ondergeschikt maken aan het goddelijke, zullen we uitdrukking geven aan ware intelligentie en zal onze intuïtie in ons leven ten volle tot uitdrukking komen.

 

*Vertaald uit de Amerikaanse Sunrise september 1955.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency