De tijdloze ervaring
H.R. Opdenberg

 

Het bestaan van hemelen en hellen, d.w.z. van hogere en lagere gebieden van bewust bestaan, was een zekerheid in de culturen uit de oudheid. In oosterse religies is nog steeds een van de uitgangspunten dat onze zichtbare wereld slechts een ondergeschikte plaats inneemt en dat de mens hier niet thuis is, maar een banneling uit hoger sferen om hier ervaring op te doen en te groeien in wijsheid en liefde. De Purana’s bijvoorbeeld noemen 14 werelden die te zamen geest, ziel en lichaam vormen van een levende kosmos. Pythagoras noemde het bewustzijn van een universum als het onze Monas monadum, monade der monaden: monaden niet als stoffelijke eenheden, maar als centra van energie, waarbij elk centrum deel uitmaakt van een groter centrum van leven en intelligentie enzovoort, eindeloos. De mens is geen uitzondering, achter en boven ons beperkte waakbewustzijn liggen andere en hogere niveaus, de bron van alle grotere en kleinere mystieke ervaringen die in de loop der tijden zijn beschreven.

Ervaringen die de werkelijkheid van alledag te boven gaan, komen spontaan voor bij veel mensen die er in de regel niet graag over praten, omdat ze weten dat zulke verhalen niet vaak met veel begrip en sympathie worden ontvangen in onze samenleving. Gelukkig bestaat er bij research instituten, zoals de Koestler Foundation in Londen, een groeiende bereidheid om feiten als feiten te onderzoeken en te erkennen, of ze nu kloppen of niet met gevestigde theorieën. Van de spontane voorvallen zijn de bijna-doodervaringen het best onderzocht tot dusver en hebben het meest de aandacht getrokken.

Voor deze ervaring kwam, hadden de meesten zich vereenzelvigd met het lichaam, en toen, plotseling, was er die heldere buitenlichamelijke waarneming. Men zag het eigen stoffelijk lichaam, met degenen die hulp probeerden te verlenen eromheen. Later kon men details vertellen over hun werkwijzen, hun woorden, soms zelfs hun gedachten – verifieerbare gegevens die dan nauwkeurig blijken te kloppen. Men voelde zich gehuld in een ‘geestelijk lichaam’, gewichtloos, verplaatsbaar in een oogwenk. Het denken werd ervaren als ongelooflijk veel sneller en bovenal helderder, terwijl soms de zintuigen gehoor en gezicht onbegrijpelijk scherp en uitgebreid bleken te zijn geworden. Velen beschrijven een overweldigend gevoel van compleetheid – verdwenen waren alle ziekten en gebreken. Anderen vertellen hoe de ‘geestelijk lichaam’ ervaring overging in een visioen van geliefden die eerder waren gestorven, en over de telepatische communicatie met hen. Gedachten worden begrepen en beantwoord met gedachten. Er was geen eenzaamheid, zoals die op aarde bestaat, waar zo vaak misverstand heerst en we zoveel langs elkaar heen leven.

Al deze steeds terugkerende aspecten zijn met zorg opgetekend, evenals de volledigheid en verbazingwekkende levendigheid van het ‘panoramisch geheugen’, als het gehele leven als een totaliteit wordt overzien. Niet alleen herinnert men zich lang vergeten woorden en daden, maar ook de ware motieven erachter. In fysieke tijd zal de ervaring slechts enkele minuten hebben geduurd, maar lang genoeg om een groot gevoel van volledigheid mee terug te nemen, een blijvend gevoel van vrede en vertrouwen in de zin van het leven. De uitwerking op hen is opvallend; deze mensen zijn niet langer bang voor de dood, zijn milder, begrijpender, en spreken vaak over liefde als het belangrijkste element in het leven. Enkelen vertellen een punt te hebben bereikt waar een keus moest worden gemaakt: terugkeren of verder gaan. De keus om terug te keren wordt afgeschilderd als pijnlijk, iets gedaan ter wille van een kind, of iemand die hulp nodig heeft. Verreweg het meest ontroerende deel van de bijna-doodervaringen is het contact met een ‘wezen van licht’, een intelligente en liefdevolle aanwezigheid, veel beter dan de alledaagse persoonlijkheid en toch merkwaardig bekend. Dr. Raymond Moody schrijft erover:

Ondanks de ongewone verschijningsvorm van het licht, heeft niemand ooit de geringste twijfel geuit of het wel een wezen was, een wezen van licht . . . De liefde en de warmte die naar de stervende uitstralen van dit wezen, zijn totaal onbeschrijfelijk en hij voelt zich volkomen op zijn gemak en aanvaard in de aanwezigheid van dit wezen. Hij voelt een onweerstaanbare magnetische aantrekking tot dit licht. Hij wordt er onontkoombaar naartoe getrokken.    – Life after Life, blz. 58-9

Onze cultuur is niet de eerste waarin aan dit soort zaken aandacht wordt geschonken. Men moet de opvallende overeenkomst wel opmerken tussen verslagen over een wezen van licht en de talrijke overleveringen die spreken over beschermgeesten. Het latere Mahayana-boeddhisme beschrijft wezens van wijsheid en harmonie die door sommigen jina’s, ‘overwinnaars’, worden genoemd en door anderen dyani-boeddha’s, ‘boeddha’s van contemplatie’; ze staan dicht bij het hart van de universele natuur en zijn de spirituele tegenhangers van de mensen, wezens waarmee we ergens verbonden zijn. De beschermengelen van het gnosticisme en verwante mystieke stromingen, vertegenwoordigen een overeenkomstige overtuiging over de spirituele afkomst van de mens. Van Socrates was bekend dat hij een innerlijke metgezel had, zijn daimon, die hem waarschuwde bij verschillende gelegenheden. Dezelfde ideeën worden in verschillende delen van de wereld gevonden – een weldadige invloed, als we ons dagelijks bewustzijn maar voor de ingevingen ervan wilden openstellen.

In onze tijd wordt er opnieuw aandacht geschonken aan duidelijke, ondubbelzinnige mystieke ervaringen die in deze richting wijzen: ‘Ik zag niet echt een persoon in dit licht, en toch had het een heel eigen identiteit, absoluut. Het is een licht van volmaakt begrip en volmaakte liefde’ (Op.cit., blz. 63). Niet verwonderlijk, want door de eeuwen heen komt er in velen een verlangen op om, hoewel in het lichaam, te leven in de geest. Het ideaal leeft voort in de oudste hymnen en tradities:

Hij die onverstoorbaar is als de aarde, die standvastig is als de pilaar van Indra (in de stadspoort), wiens karakter even zuiver en doorschijnend is als een helder meer, voor zo’n heilige zijn er geen verdere kringlopen van wedergeboorte meer (samsara).    – Dhammapada, 7:95

Samsara – verwant aan de gedachte van Heraclitus dat alles stroomt, alles beweegt – is afgeleid van de stam sr, voortstromen, en duidt op de onophoudelijke veranderingen die alle wezens ondergaan. Evenals in de materiële wereld waar niets hetzelfde blijft, zo ook in de psychische wereld met de steeds wisselende emoties en gedachten die voortgaan in waken en slapen en – naar veler overtuiging – na de dood evenzeer. Reïncarnatie en samsara zijn nauw verbonden. De veelheid van onvervulde verlangens en hun kracht brengen de ziel ten slotte tot de aarde terug, waar de zaden van vroegere daden en gedachten ontkiemen in een keten van oorzaak en gevolg.

Eeuwigdurende beweging is het wezen van het universum, alles is wisselwerking, beweging. Er is geen groei zonder verandering. De toepassing van dit feit op vraagstukken van leven en dood, geluk en lijden, is enorm praktisch en een handreiking aan allen die lijden. Maar passief meedrijven met elke invloed is één ding, zelf-gestuurde groei in harmonie en wijsheid iets heel anders. Het ene is de nodeloos lange en moeilijke weg, het andere de weg naar verlichting en vrijheid. Iedereen die met open ogen door het leven gaat, weet hoeveel narigheid er is op deze planeet, maar achter het uiterlijke ligt een geest van wijsheid en hoop, en een grote vreugde. Diep in ons hart leeft nog steeds de intuïtie van wat waar is en wat onwaar, wat goed is en wat niet, want achter de beperkingen van het persoonlijk ‘ik’ liggen diepere lagen van bewustzijn verscholen, en de wil van het spirituele zelf dat in harmonie is met de universele wil.

In de theosofische traditie wordt dit spirituele zelf beschreven als de bron van bewustzijn, waar innerlijke vrede en heldere visie altijd gereedliggen om ons leven binnen te stromen, als we ze maar doorgang verlenen.

Iedere evoluerende entiteit, waar dan ook, heeft zijn spirituele kracht als beschermer; en deze ‘beschermer’ is de eigen spirituele monade van de mens, die gedurende ieder leven waakt over haar onvolmaakte menselijke kind, en onophoudelijk probeert het te leiden en te beïnvloeden – hoewel door de eigenzinnigheid en het koppige zelfbewustzijn van de mens haar weldadige invloed veel te onvolkomen wordt gevoeld.    – G. de Purucker, De esoterische traditie, blz. 476

Het is geen toeval dat een eeuw die de samenhang der dingen op het ‘ruimteschip aarde’ herontdekt, evenals de duidelijke uitwerking van de psychische gesteldheid op de lichamelijke gesteldheid – naast de invloed ervan op andere geesten ten goede of ten kwade – ook getuige is van een groeiende overtuiging dat de meest waardevolle dingen in het leven te vinden zijn in de gebieden van de ‘innerlijke ruimte’, waar onze ware wortels liggen.

Er is tegenwoordig een snel in omvang toenemend zoeken naar een betere manier om door het leven te gaan, hetgeen een nieuw besef teweegbrengt. Deze transformatie van bewustzijn zet ons aan naar binnen te kijken. Wanneer we onze innerlijke ruimte onderzoeken, dan herkennen we de harmonie en het één-zijn die daar altijd al hebben gelegen. Als we naar binnen kijken, worden we ons ook bewust van een intuïtieve stem die een betrouwbare bron van leiding vormt.
     – Jampolsky, Love is Letting Go of Fear, blz. 11-12

Achter de dichte mist van persoongerichte gedachten ligt het pad naar de zon dat mystici uit alle tijden hebben gevolgd. Men moet inderdaad iets van een mysticus in zich hebben om de ban te verbreken en in aanraking te komen met het hart der dingen, het ‘gebied van liefde en licht waar men de openheid van het kinderhart voor altijd kan bewaren’.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency