Er is een getij . . .
James A. Long

 

Het zoeken naar waarheid is in de loop van de elkaar opvolgende cyclussen voor de worstelende mensheid altijd de voornaamste factor geweest. Zonder dit zoeken, dat in velerlei vormen heeft plaatsgevonden, zou de mensheid allang in de duisternis van onwetendheid zijn bezweken.

Aan iedere grote religie liggen dezelfde essentiële waarheden ten grondslag, maar al spoedig na het optreden van een wereldleraar ontstond telkens weer de neiging tot verstarring en begrenzing. Jezus, Gautama de Boeddha, Plato, Confucius, Laozi en anderen hebben allemaal in hun tijd opnieuw uitdrukking gegeven aan de waarheid en toch verscheen geen van hen met het doel een wereldreligie te stichten. Het waren hun volgelingen en discipelen, die zo onder de indruk raakten van de ‘nieuwe’ openbaring, dat ze al spoedig godsdiensten, kerken en tempels stichtten, en zo raakten de ‘mysteriën van het koninkrijk’ weer bedolven onder de letterlijke interpretaties van de ‘gelijkenissen’. Toch stond elke leraar slechts één doel voor ogen: het hart van de mensheid te doordringen van de grote ethische waarden en opnieuw de betekenis uit te leggen van de heilige tradities uit de oudheid in het licht van de ervaringen van de ziel.

Wij staan nu voor precies dezelfde uitdaging: het bekendmaken van de fundamentele spirituele aard van de oorspronkelijke ideeën die alle grote boodschappers hebben gebracht. Als we deze overleveringen bestuderen, blijken cyclussen er een rol in te spelen, allerlei soorten van cyclussen, grote en kleine, ‘wielen binnen wielen’; maar men kan deze cyclussen of wielen niet begrijpen los van de individuen die ze hebben meegemaakt. Ezechiël zei het aldus: ‘Als de wezens zich bewogen, gingen de wielen mee: . . . waarheen de geest hen leidde, daarheen gingen ze; . . . want de geest van de wezens was ook in de wielen.’ Het zijn dus de ‘levende wezens’, potentiële goden in actie, die de drijvende kracht zijn achter deze ‘wielen’ of cyclische gebeurtenissen, en niet de cyclussen die het lot van de wezens bepalen.

Een opvallend voorbeeld zien we in de messiaanse cyclus van ongeveer 2160 jaar, welke cyclus de beweging van de zon door de dierenriem aangeeft. Op de knooppunten van deze cyclus wordt een nieuwe ‘messiaanse invloed’ voelbaar. Van Jezus, ‘de Grote Vis’ genaamd, wordt gezegd dat hij het Vissen-tijdperk heeft ingeluid en nu beleven we de overgang naar een nieuwe Messiaanse cyclus, die een eigen bevrijdende kracht en een dieper besef van waarden met zich brengt. Maar zelfs de messiaanse cyclussen moeten worden gezien als deel van grotere cyclussen, en volgens de oude Griekse mythologie wordt de evolutionaire reis van de mens door ruimte en tijd verdeeld in vier grote perioden: de Gouden Eeuw, de Zilveren Eeuw, de Bronzen Eeuwen de IJzeren Eeuw – een indeling die een opvallende gelijkenis vertoont met de manier waarop de hindoes hun tijdperken of yuga’s berekenen. Weinigen van ons zouden willen ontkennen dat onze huidige tijdperk inderdaad een IJzeren of Duistere Eeuw is, een tijdperk waarin we ons op een dieptepunt van materialistisch denken bevinden.

Dat is het algemene beeld, maar iedere cyclus omvat altijd kleinere cyclussen, ‘wielen binnen wielen’ – en het belangrijkste punt is niet de fysieke tijdsperioden van deze verschillende cyclussen maar de ‘levende wezens’ die de wielen in beweging brengen. Zo zullen er in onze IJzeren Eeuw, die duizenden en duizenden jaren duurt, tijden van opgang en neergang zijn. Eén zo’n kleinere cyclus is de periode van honderd jaar, die sinds de 14de eeuw van opmerkelijke betekenis is geweest, hoewel dit door de westerse geleerden grotendeels over het hoofd is gezien. Volgens de oude Tibetaanse traditie werd voorspeld dat er met het verschijnen van de grote hervormer Tsong-kha-pa in de 14de eeuw, voortaan in het laatste kwart van iedere eeuw een bijzondere impuls langs spirituele lijnen zou worden gegeven, een impuls die meer in het bijzonder in het Westen zou worden gevoeld.

Welke vorm deze herleving, wat het Westen betreft, in de onmiddellijk daaropvolgende 15de en 16de eeuw ook aannam, hetzij doordat vuurfilosofen, alchemisten, kabbalisten en anderen in hun pogingen werden aangemoedigd, of doordat bepaalde individuen tot ongekende hoogten werden geïnspireerd, in de 18de en 19de eeuw was deze impuls duidelijk te herkennen. Niet doordat er een nieuwe religie werd gesticht, maar doordat voor de komende eeuwen het zaad voor een ruimere morele levensopvatting werd uitgestrooid. Afgezien van het werk van zulke buitengewone genieën die in Europa verschenen zoals Saint Martin, Saint Germain en Cagliostro, waren het de diepzinnige filosofische ideeën van het Oosten die in de 18de eeuw tot westerse onderwijskringen doordrongen en die de eerste grote breuk deden ontstaan in het religieus isolationisme. Het was echter pas in de 19de eeuw dat deze impuls in alle delen van de denkende wereld voelbaar werd en een nieuwe stroom van spirituele vitaliteit op samenhangende wijze werd doorgegeven. De aloude waarheden, die lange tijd bedolven waren geweest onder de letterknechterij van de middeleeuwen, kwamen nu naar boven als het zaad van het werk voor de nieuwe eeuw – de herleving van het onderzoek van de heilige geschriften van de wereld (niet alleen van de christelijke). De nadruk werd gelegd op de oorspronkelijke basisgedachten die, ongeacht hun uiterlijke vorm, als juwelen zijn geregen aan die ene gouden draad van de goddelijke oorsprong van de mens. Niet het minst belangrijk was de herleving in het westerse denken van het eens algemeen aanvaarde begrip van de cyclische terugkeer van de mens, waardoor hij op zelfbewuste wijze evolueert en in de loop van de levens-hiërarchieën het evenwicht tussen oorzaak en gevolg voortdurend op nauwkeurige en rechtvaardige wijze wordt hersteld.

Al schijnen we soms in valleien van verwarring te verdwalen, gezien in een breder perspectief zijn we op weg naar een van de toppen van spirituele vooruitgang. Vergeleken met andere is hij misschien van ondergeschikt belang, maar het is een opgang. Het behoort daarom tot de verantwoordelijkheid van ieder denkend mens te erkennen dat de bodem moet worden voorbereid. Maar wat kan een enkel mens doen? Het ligt niet op onze weg om, zoals Jezus deed, de tafels van de geldwisselaars omver te werpen. Maar wel is het onze taak niet alleen in de tempel van onze eigen ziel op rustige en onopvallende wijze elk stukje vergaan hout, alle hebzucht en egoïsme uit te roeien, maar ook om in alle zaken en activiteiten in de wereld naar de kern van waarheid te zoeken.

Jezus waarschuwde in zijn wijsheid voor de dwaasheid om ‘nieuwe wijn in oude vaten’ te gieten. Geen enkele nieuwe boodschapper van de waarheid zal in het laatste kwart van deze of van een toekomstige eeuw zijn wijn, zijn gave aan nieuw leven, in een oud vat gieten, een vat waaraan door een kerk, of synagoge, door een lamaklooster of tempel, of door een van de zogenaamde ‘occulte’ organisaties die nu in het Westen als paddestoelen uit de grond schieten, vorm werd gegeven, tenzij die vorm een waarachtig toonbeeld is van een gezonde toewijding aan de zuivere, ongebonden stroom van waarheid.

Innerlijke motieven hebben veel meer kracht dan uiterlijke daden; daarom is het altijd de taak van hen die de mensheid in zijn vooruitgang willen helpen, om met iedere neiging tot dogmatisme in het denken af te rekenen en te werken met de fundamentele beginselen, de spirituele elementen die, zolang de mens mens is, hebben bestaan en van leven zijn vervuld. ‘Er is een getij in menselijke zaken dat, als men van de vloed gebruik maakt, naar geluk voert’ – we hebben het getij nu mee; er vloeit nieuwe wijn en de levensgolf van de mensheid, die nu is geïncarneerd, heeft de mogelijkheid een hoog punt in haar ontwikkeling te bereiken. ‘Als we het veronachtzamen, loopt heel onze levensreis vast in ondiepten en ellende’ – we moeten ons erfdeel opeisen en ophouden kracht te verspillen in de spirituele ondiepten, niet voor ons eigen persoonlijk voordeel, maar voor het blijvende geluk van de mensheid. – ‘Op zo’n volle zee varen we nu; en we moeten van de stroom gebruikmaken wanneer die met ons is.’

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency