Het orakel van Delphi
Eloise Hart

 

Het orakel van Apollo in Delphi was een van de meest intrigerende en bijzondere instellingen ter wereld. In dat oude tempel-heiligdom, dat gelegen was onder de ‘blinkende rotsen’ van de berg Parnassus, sprak de god Apollo door een Pythia, een priesteres, en schonk inspiratie en leiding aan allen die zijn hulp inriepen. Meer dan duizend jaar lang, vóór en na de tijd van Christus, kwamen de groten en de minder groten om hem te raadplegen. Pythagoras ging erheen en trainde een Pythia om als stem van de god te fungeren. Herodotus ging er ook heen om op te tekenen wat er gezegd werd. Plutarchus deed vele jaren lang dienst als priester van Apollo. De grote wetgevers Lycurgus en Solon kregen aanwijzingen voor wetten die hun stad-staten tot voorbeeld van gerechtigheid en vrijheid maakten. Oedipus, koning van Thebe, raadpleegde de Pythia en dat was ook het geval met Alexander de Grote. Croesus, koning van Lydië, zond afgezanten, en ook ontelbare anderen uit de Griekse, Romeinse en christelijke wereld deden dat. Tegenwoordig reizen toeristen geregeld naar Delphi, ook al spreekt de god niet meer, en zijn er maar weinigen die, zoals de ouden, geloven dat godheden communiceren met stervelingen. Maar als men de procedures en antwoorden van dit hoogst gerespecteerde orakel zorgvuldig bestudeert, kan men zich afvragen of we er verstandig aan doen onze geest af te sluiten voor de mogelijkheid dat deze vorm van goddelijke bijstand eens heeft bestaan.

De legenden vertellen ons dat Delphi en zijn omgeving lange tijd een mystieke kracht bezat. Diodorus Siculus, een Grieks historicus uit de eerste eeuw v.Chr., schreef bijvoorbeeld – en het is onzeker of dit als feit of als fictie bedoeld was – dat een herder, die zijn geiten volgde in een ruig bergdal, plotseling op wonderbaarlijke wijze werd geïnspireerd en de toekomst voor zich zag. Ook zijn geiten werden beïnvloed; ze dartelden rond en begonnen eigenaardig te blaten. Er zijn mensen die zelfs nu zeggen ‘iets’ verheffends te voelen; en Plutarchus, die dienst deed in de tempel in Delphi, verklaarde dat ‘niet vaak en ook niet regelmatig, maar zo nu en dan en onvoorzien, in de gehele ruimte waarin men de raadplegers van de god plaatste, een geur hing en een briesje (pneumatos) merkbaar was alsof het allerheiligste de geuren verspreidde van het zoetste en duurste reukwerk’ (Moralia, 437c).

De streek rondom Delphi werd oorspronkelijk Pytho genoemd en behoorde aan Gaia, de godin van de aarde. Men neemt aan dat zij en haar dochter Themis eeuwen geleden godspraak hielden. In de Odyssee laat Homerus (± 800 v.Chr.) de godheid daar raadplegen door Agamemnon over zijn kansen in de oorlog tegen Troje. Daarvoor of daarna – legenden zijn vaag wat de chronologie betreft – zou Apollo naar het zuiden gereisd zijn vanuit het Hyperborische ‘Land van waarheid en deugd’, waar hij bij aankomst in Pytho (Delphi) de grote python-draak doodde die het terrein bewaakte, en een heiligdom stichtte. Dit duidt erop, in mythologische taal, dat Apollo, een half-goddelijke leraar die de naam van de god gebruikte, nieuw leven gaf aan oude en kwijnende slange- of wijsheidsmysteriën in Delphi. Als vertegenwoordiger van Zeus gaf hij raad in persoonlijke, burgerlijke en gewijde zaken via Pythia’s of priesteres-profetessen – een raad die hogelijk werd gewaardeerd door de velen die de apollinische centra bezochten, hetzij in Delphi, in Klaros en Grynia, in Thebe in Boeotië, of elders.

Archeologische vondsten wijzen erop dat het eerste heiligdom van Apollo in Delphi in de achtste eeuw v.Chr. werd opgericht. Dit kunnen de legendarische ‘eerste drie tempels van licht mahoniehout, bijenwas en veren, en brons’ zijn geweest die door brand werden vernietigd en in steen werden herbouwd. De verbrokkelde zuilen en beelden die nu nog te zien zijn, zijn blijkbaar de ruïnes van tempels, schatkamers, en een theater gebouwd in de vierde eeuw v.Chr. Maar eeuwen daarvoor was Delphi al een goed ingericht orakel-centrum, dat door zijn waardige werkwijze en de wijsheid van de uitspraken grote aantallen mensen trok. Zijn gezag handhaafde zich tijdens de hele gouden eeuw van de Helleense cultuur. Het was de tijd van een schitterende schare verlichte mannen en vrouwen, wier leven en verrichtingen op het gebied van kunst en wetenschap, het ideaal van menselijk streven zijn geworden. Solon en Thales leefden toen, en ook Pindarus, Aeschylus, Aristophanes, en Euripides, Pericles, Herodotus, Demosthenes, Phidias, Socrates, Plato en Aristoteles. Maar deze wonderdagen verloren hun glans en tegelijk daarmee de inspiratiegolf van Apollo. Zijn orakels werkten minder vaak en ten slotte, tegen de vierde eeuw n.Chr., toen de Romeinse keizer Theodosius alle orakels liet sluiten en waarzeggerij verbood, had de god zich al teruggetrokken. Toen keizer Julianus vroeg hoe hij de macht van de Pythia kon helpen herstellen, antwoordde Apollo: ‘Zeg de keizer dat mijn woning ter aarde is gestort. Phoibos [Apollo] heeft er niet langer zijn thuis . . . noch zijn profetische bron; het water is opgedroogd’ (Fontenrose, blz. 353). Daarvóór, toen keizer Augustus vroeg: ‘Waarom zwijgt het orakel?’, werd hem gezegd: ‘Een Hebreeuwse jongen, een god die heerst onder de gezegenden, verzoekt me dit huis te verlaten . . . Ga dus in stilte heen van mijn altaren (Op.cit., blz. 349).

Wat over de werkwijze in die orakel-centra is vastgelegd is fragmentarisch, misschien wel omdat het zó goed bekend was dat niemand het nodig vond het te beschrijven. Eeuwen later spoorden betrouwbare schrijvers op wat ze konden, terwijl anderen details invulden vanuit hun verbeelding. Maar allemaal zijn ze het erover eens dat jonge meisjes werden uitgezocht en zorgvuldig werden geoefend om de verheven inspiratie van de god te kunnen overbrengen zonder de zuiverheid en de betekenis daarvan op enigerlei wijze te schaden. Later vond men het raadzaam getrouwde vrouwen te gebruiken – van wie verlangd werd dat ze voor en tijdens hun functie als orakel afgezonderd van hun echtgenoot leefden. Zelfs van hen die de Pythia raadpleegden werd in feite verwacht dat ze in kuisheid leefden, een reiniging ondergingen, offers brachten, de heilige omgeving met eerbied en vertrouwen naderden en, terwijl ze in de voorhof wachtten, zwegen en zuivere gedachten hadden.

De Pythia’s, die zich volkomen bewust waren van de heiligheid van hun verantwoordelijkheid, trachtten op dezelfde wijze te leven. Ze zuiverden zich op verscheidene manieren, zoals door het drinken van het heldere water van de Castaliaanse bron en door het dragen van eenvoudige kleding, zoals te zien is op Grieks aardewerk. Op de dagen van de raadpleging brandde de profetes laurierbladeren en gerstemeel op het altaar en besteeg ze de ‘hoge zetel’, zoals de hoge driepoot werd genoemd. Eenmaal gezeten en bijgestaan door een priester, wachtte ze op de goddelijke inspiratie of ‘adem’ die haar moest vervullen. Wanneer ze gereed was, werden de vragenstellers één voor één naar haar toegebracht. Deze stelden hun vragen mondeling of schriftelijk. Zij beantwoordde ze ‘rechtstreeks en duidelijk’. Verslagen van deze zittingen vermelden dat ‘de vragensteller rechtstreeks sprak tot de Pythia (of tot de god) en dat dan de Pythia (of de god) hem direct antwoordde’, tenzij de vrager was gezonden door iemand die afwezig was. In dat geval werd het antwoord opgeschreven door de priester die het in een verzegelde envelop sloot, en aan de afgezant gaf om het de vragensteller te bezorgen (Op.cit. blz. 217). Wanneer de zittingen afgelopen waren, vertrok de Pythia, met, zoals Plutarchus zegt, een ‘vredig en kalm’ gevoel.

Als we de uitspraken van de god nagaan, is het goed te bedenken dat wat tot ons gekomen is wel of niet authentiek, of echt geïnspireerd kan zijn. Sommige boodschappen waren ongetwijfeld zo verheven en vertrouwelijk dat er niet over werd gesproken; andere hebben te lijden gehad doordat ze vertaald en verkeerd geïnterpreteerd werden, en enkele kunnen zuiver verzinsel zijn geweest, bedacht lang nadat Delphi opgehouden had te functioneren. Dus doen we er, net als de ontvangers, verstandig aan elke uitspraak aan ons innerlijk oordeel te toetsen.

Er werd een algemene procedure gevolgd: eerst kondigde de Pythia aan dat Apollo zelf de spreker was en de boodschap daarom ter harte moest worden genomen. Daarna gaf zij, als de god, uiting aan haar medeleven met de raadpleger, bijv. door te zeggen: ‘Gelukkig de man die mijn huis binnengaat. . .’ Vervolgens beantwoordde ze de voorgelegde vraag, en ten slotte gaf ze een boodschap die een beroep deed op het oordeel en de intuïtie van de ontvanger. Zoals Herakleitos verklaarde: ‘Nooit en te nimmer onthulde of verborg de God van Delphi iets. Hij duidde slechts aan’ (fragment 93).

Een voorbeeld van dit soort uitspraken is wat een Scytische prins te horen kreeg die vroeg hoe hij zou sterven, en die gezegd werd dat een mus (muis) zijn dood zou veroorzaken. Als gewaarschuwd man liet de prins niet alleen zijn huizen van muizen zuiveren, maar hij weigerde ook iedereen die Mus heette te ontvangen. Hij stierf aan een spierinfectie in zijn arm, want hij had over het hoofd gezien dat het Griekse woord voor spier ook ‘mus’ is.

De meeste vragen die aan Apollo gesteld werden gingen over persoonlijke aangelegenheden, maar enkele, afkomstig van staatslieden, betroffen wetten of hervormingen die hun staat ten goede zouden komen, of toestemming om een tempel te bouwen, een stad te stichten, een kolonie te vestigen, een oorlog te voeren, of vrede te sluiten. Soms vond het orakel het nodig een persoon te kleineren, bijv. als een welgestelde magistraat, na aan Delphi een flink offer te hebben gezonden, vroeg: ‘Zeg me a.u.b., wie is de vroomst levende man?’ Apollo vertelde hem dat het een boer was die een handvol gerst had geofferd.

Er wordt aangenomen dat de vroegste orakels gegeven werden ergens tussen de 9de en de 7de eeuw v.Chr. aan de Spartaanse koning Lycurgus, die bij twee of drie gelegenheden advies zocht over de vraag hoe hij het best zijn onhandelbare onderdanen kon besturen. De antwoorden die hij ontving stelden hem in staat een grondwettelijk bestuur te vestigen waarvan de voordelen uniek waren in de geschiedenis van de Griekse stad-staten. We citeren uit Diodorus Siculus twee voorbeelden van min of meer historische antwoorden (Fontenrose, blz. 270, 272):

Vr. 7 – [Vraag omtrent een goed beleid.]

Antw. – U, Lycurgus, dierbaar aan Zeus en aan alle goden, treed mijn tempel binnen. Ik weet niet of ik u god of mens moet noemen, maar ik denk wel god. [U bent gekomen op zoek naar een goed beleid. Ik zal u een beleid noemen zoals geen andere stad die heeft (Diodoros)].

Vr. 9 – Wat moet de heerser doen om goed te regeren en de burgers om te gehoorzamen?

Antw. – Er zijn twee aan elkaar tegengestelde wegen, de ene leidt naar het huis van de vrijheid, de andere naar het huis van de slavernij. Leid het volk op de weg die gaat langs moed en harmonie; vermijd de weg die voert langs strijd en verderf.

Aldus aangemoedigd, stichtte Lycurgus een raad van Ouderen of Senaat, en een Assemblee, en toen de nieuwe grondwettelijke orde vlot functioneerde, voerde hij verdere hervormingen in die bekrachtigd werden door Delphi. Hij had in feite zoveel succes met het binnen menselijk bereik brengen van de goddelijke wet, dat zijn landgenoten na zijn dood een tempel bouwden waarin zij en komende generaties eer konden bewijzen aan deze man, die in karakter en wijsheid gelijk was aan een god.

De meest bekende Delphische opdracht was gebeiteld in de bovendrempel van de tempel van Apollo: GNOTHI SEAUTON, Ken uzelf. Deze woorden kunnen gesproken zijn als antwoord van Apollo op de vraag van Chilo van Sparta: ‘Wat is het beste voor de mens?’ Het antwoord, ‘Ken uzelf’, lijkt op dat wat, naar men zegt, werd gegeven aan de Lydische koning Croesus, toen hem werd gezegd dat hij zichzelf moest kennen als hij heel gelukkig wilde leven. Croesus, een man van daden en niet erg filosofisch ingesteld, vatte dit zo op dat hij zijn eigen kracht moest kennen, moest weten wat hij wilde en moest vertrouwen op zijn eigen oordeel. Anderen vonden een diepere betekenis in deze woorden, vatten het ‘zelf’ op als het hogere zelf, het ware Zelf; dit hield in dat, omdat de mens de microkosmos is van de macrokosmos, hij die zichzelf kent alles kent.

Velen die het orakel raadpleegden ontging de bedoeling van de god. Toch gaf Apollo hulp door te inspireren en door vriendelijke aanwijzingen in de vorm van ideeën, zonder dwang of enige aantasting van iemands vrije wil. Ook werd er nooit het geringste beroep gedaan op egoïsme.

Deze filosofische antwoorden zijn opgetekend:

Vr. – Overleeft de ziel de dood of verdwijnt ze?

Antw. – Zolang de ziel is gebonden aan het lichaam, is ze onderworpen aan dodelijke ziekten. Maar als ze bij de dood bevrijd wordt van het lichaam, gaat ze volledig naar de hemel, altijd tijdloos, en blijft voor altijd ongeschonden. Want dat is de beschikking van de goddelijke voorzienigheid (Fontenrose, blz. 428).

Gevraagd hoe de mens goed en goddelijk kan worden, zei Apollo: ‘Door juist te handelen, zoals de goden doen, en de waarheid te spreken’ (Davis, blz. 26).

Deze antwoorden geven een idee van de kwaliteit van de gegeven aanwijzingen in Delphi, en rekenen af met de onjuiste gedachte die op een of andere manier is ontstaan, dat de profetes bedwelmd zou zijn, of in een mediamieke trance verkeerde. H.W. Parke ontkent op ondubbelzinnige wijze dergelijke ideeën in zijn A History of The Delphic Oracle (blz. 21-2), waar hij zegt:‘Geologisch is het volkomen onmogelijk in Delphi, waar de kalksteen en de leisteen geen gassen met verdovende eigenschappen afscheiden.’ Ook heeft geen enkele schrijver uit de oudheid melding gemaakt van dergelijke dampen. De gedachte dat de Pythia bedwelmd was of dat ze een spelonk binnenging, kwam klaarblijkelijk van de Romeinen die, toen ze aan de macht kwamen, aan Delphi dingen toeschreven waarmee ze vertrouwd waren, zowel in het spelonk-heiligdom van Klaros als in de grot van Cumae. Latere schrijvers, die onbekend waren met de geologische en procedure verschillen, namen deze uitleg over en romantiseerden deze in sommige gevallen.

Een andere misvatting is dat de boodschappen van de Pythia’s dubbelzinnig en onsamenhangend zijn. Joseph Fontenrose (blz. 223-4) onderzocht de echte antwoorden zorgvuldig en vond deze bijzonder helder en direct. Wat hij ontdekte aan dubbelzinnigheid kan, volgens hem, daarin terecht gekomen zijn door de dichters die eens de zittingen bijwoonden en de antwoorden in hexameters opschreven. Zij, en niet de Pythia, voegden de beeldspraak eraan toe, de raadsels en de gezwollen taal. Toen aan hun diensten een einde kwam, kwamen de antwoorden weer even helder en begrijpelijk door als in het begin.

Plutarchus, een ingewijde en nauwgezet biograaf, legde uit hoe de Pythia de inspiratie van Apollo overbracht:

de priesteres-profetessen worden ieder geïnspireerd [door de god] in overeenstemming met hun natuurlijke vermogens . . . In werkelijkheid is het niet de stem van de god, noch zijn uitingen, wijze van spreken, of het metrum, maar die zijn alle van de vrouw; hij [Apollo] brengt slechts de visioenen in haar denkvermogen, en schept een licht in haar ziel met betrekking tot de toekomst; want dat is precies wat inspiratie betekent.    – Moralia, ‘De orakels in Delphi’, V, 397d

Plutarchus verwierp ook de gedachte dat de god op een of andere wijze bezit nam van het lichaam van de priesteres of dat er mediumschap aan te pas kwam. Voor hem betekende de inspiratie van de Pythia dat ze goddelijke kracht ontving, want ze had een training ondergaan om ‘de inspiratie zonder schade voor haarzelf’ te ontvangen (Op.cit., 438c) , en ze kon het alleen maar veilig ontvangen als ze op de juiste manier was voorbereid. Vaak wordt een voorbeeld aangehaald van een slecht voorbereide priesteres, die tegen haar wil en gezond verstand in gedwongen werd het allerheiligste binnen te gaan om een vragensteller te antwoorden. Ze gaf een antwoord maar leed intens, zakte ineen, en stierf enkele dagen later.

Het idee dat de Pythia in een trancetoestand verkeerde kan zijn ontstaan doordat men niet begreep hoe de Grieken de woorden mania en pneuma gebruikten in verband met orakels. Terwijl tegenwoordig de term manisch (mania) doelt op verschillende vormen van hysterie en krankzinnigheid, betekende het voor de oude Grieken ijver, verrukking, geestvervoering, d.w.z. vervuld zijn van een god. Het woord pneuma werd gebruikt voor ‘lucht’ ‘damp’ en, filosofisch, voor ‘ziel’ en ‘geest’. Wanneer de Pythia de hoge driepoot beklom, ontving ze, volgens Strabo, de pneuma de goddelijke ‘adem’ of inspiratie, een woord dat werd omschreven als een goddelijk schenken van kennis en macht en van inspiratie, en dat betekende in dit geval de goddelijke wijsheid of adem van Apollo.

Ingewijden in de Griekse mysteriescholen waren bekend met deze gedachte, omdat ze zelf een zware morele, psychologische en mentale training en zuivering hadden ondergaan als voorbereiding tot de heilige ervaring van de transcendente werkelijkheid. Door een deel van hun natuur ondergeschikt te maken, waren de Pythia’s op soortgelijke wijze in staat iets van dit grootse en wondervolle te ontvangen en aan anderen door te geven.

Is deze orakelgave onthouden aan de mensheid van nu? Tegenwoordig vragen velen zich af of het nog mogelijk is een dergelijke geïnspireerde raad te ontvangen. Misschien is dat wel het geval: als we de opdracht van Apollo ter harte nemen: Ken uzelf en keer in tot uzelf om raad. Maar wat we met die raad doen is onze zaak. Lycurgus gebruikte wat hij ontving ter verheffing van het peil van het denken en handelen van de Grieken. Croesus, verblind door eerzucht, schoot tekort in begrip, en vernietigde zijn koninkrijk. Voor anderen betekenden de woorden van de god – of die nu kwamen via orakel-priesteressen, profeten, of hun eigen innerlijke bron – richtlijnen van zeer hoog gehalte.

 

Bibliografie

  • Barr , Stringfellow, The Will of Zeus: A History of Greece from the Origins of Hellenic Culture to the Death of Alexander, J.J. Lippincott, 1961.
  • Davis, George, George Hoyningen-Huene en Hugh Chisholm, uitg., Hellas: A Tribute to Classical Greece, J.J. Augustin Publisher, 1943.
  • Fontenrose, Joseph, The Delphic Oracle, Its Responses and Operations, with a Catalogue of Responses, University of California Press, 1981.
  • Parke, H.W., A History of the Delphic Oracle, Basil Blackwell, 1939.
  • Plutarch, Moralia, vert. Frank Cole Babbitt, Loeb Library Series, Harvard University Press, 1962.
  • Pollard, John, Seers, Shrines and Sirens, Allen and Unwin, 1965.
  • Purucker, G. de, The Esoteric Tradition, Theosophical University Press, 1935.
  • Severy, Merle, ‘Quest for Our Golden Heritage’ in Greece and Rome: Builders of Our World, National Geographic Society, 1968.
 
Oude beschavingen en hun spirituele tradities: Griekenland
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency