De geschriften van H.P. Blavatsky – deel 14
I.M. Oderberg

 

Boekbespreking: H.P. Blavatsky: Collected Writings, deel 14, Theosophical Publishing House, Wheaton/Madras/Londen, 1985, bio-bibliografie, index, illustraties, 733 blz.



Deel 14, het laatste deel van de reeks Collected Writings van H.P. Blavatsky*, samengesteld door Boris de Zirkoff, bevat materiaal dat nog niet was gepubliceerd toen ze op 8 mei 1891 in Londen overleed. Veel van deze artikelen werden, evenals H.P. Blavatsky’s vertrouwelijke instructies aan studenten, door Annie Besant voor publicatie gereedgemaakt en in 1897 uitgegeven als belangrijk onderdeel van ‘deel 3’ van De geheime leer. De Zirkoff schreef een lange inleiding, waarin hij vermeldt wat de waarschijnlijke data zijn van de verschillende geschriften en waarin hij bespreekt of HPB ze had bestemd voor De geheime leer, voor haar tijdschrift Lucifer, of dat het om stukken gaat die ze voor de eerste twee delen van de G.L. afkeurde. De vertrouwelijke leringen werden opgenomen in deel 12 van de Collected Writings.

Het eerste van de drie aanhangsels behandelt het zogenaamde Würzburg-manuscript, een concept voor het eerste deel van De geheime leer, dat HPB in Würzburg schreef en in 1886 naar pandit Subba Row Garu in India stuurde voor zijn commentaar en suggesties. De gepubliceerde twee delen van De geheime leer werden daarna bijna geheel door HPB herschreven en omvatten slechts een klein gedeelte van de versie van 1886.

Het is moeilijk een gedeelte uit te kiezen dat van meer betekenis is dan de andere of dat speciaal de nadruk verdient. Maar wel moet de aandacht worden gevestigd op een artikel met de lange maar stimulerende titel: ‘De ‘Leer van het Oog’ en de ‘Leer van het Hart’ of het ‘Zegel van het Hart’.’ De ‘leer van het oog’ heeft betrekking op de exoterische weergave van voor het publiek bestemde leringen over de mensheid, de aarde en de kosmos, in de vorm van allegorieën en beeldspraak. De ‘leer van het hart’ vormt de sleutel tot het begrijpen van wat verborgen ligt in de openlijke leringen in gelijkenissen of verhalen. Deze heilige leringen werden van oudsher in tijden van geestelijke vrijheid openlijk doorgegeven, maar in perioden van onderdrukking gingen ze in het geheim van de ene generatie over op de andere, om hun voortbestaan te verzekeren en hun zuiverheid voor bederf te behoeden. De parel die werd bewaard in de schelp van elke religie of, om de uitdrukking van de schrijfster te gebruiken, het ‘Zegel van het Hart’, viel onder de verantwoordelijkheid van de arhats, want slechts aan hen had Gautama de Boeddha haar geschonken.

Het essentiële verschil tussen het ‘oog’ en het ‘hart’, of de uiterlijke vorm en de verborgen betekenis, koele metafysica en goddelijke wijsheid, is kort en bondig samengevat door de Chan Meester Lin-Chi:

De ‘ware mens, zonder een positie’, Wu-wei-chen-jen, is verborgen in een stekelige bast, zoals de kastanje. Hij kan niet worden benaderd. Dit is Boeddha – de Boeddha in u.    – The Recorded Sayings*

*Engelse vertaling van R. F, Sasaki, uitgegeven door het Institute for Zen Studies, Kyoto, Japan, 1975.

Omdat de leringen van het ‘oog’ en het ‘hart’ in strekking en toepassing universeel zijn, moeten er in verschillende tijdperken en over de hele wereld sporen van kunnen worden gevonden. Elk daarvan moet in wezen overeenstemmen met de andere, ongeacht de taal of de psychologie van de verschillende volkeren aan wie ze werden doorgegeven.

Verschillende artikelen in deel 14 hebben betrekking op de innerlijke betekenis van de kabbala, werpen licht op Genesis en op het verband tussen de sephiroth en elohim met de mens en de kosmos. ‘Wat zegt de kabbala zelf?’ vraagt H.P. Blavatsky. ‘Zijn grote rabbi’s bedreigen in feite hen die hun uitspraken woordelijk aannemen. We lezen in de Zohar’:

Wee degene die in de Thora, d.w.z. de Wet, slechts eenvoudige uitspraken en gewone woorden ziet! . . . Want zo is het niet; ieder woord van de Thora bevat een verheven betekenis en een diep mysterie . . . De uitspraken van de Thora zijn de gewaden van de Thora. Wee hem die dit gewaad voor de Thora zelf houdt.*

*Zohar, 3:152b, aangehaald uit Isaac Myer’s Qabbalah, blz. 102.

Uit de wijze waarop Blavatsky het oosterse erfdeel behandelt, blijkt hoe verkeerd belangrijke ideeën die uit India, China of elders stammen, waren geïnterpreteerd. Het gedeelte bijvoorbeeld dat is getiteld ‘Het mysterie van Boeddha’ bevat enkele van de diepzinnigste hoofdstukken over het hele vraagstuk van het boeddhaschap, over kosmische Boeddha’s en menselijke boeddha’s en de relatie daarmee van de Indiase prins Siddhartha, de latere Gautama-Sakyamuni. Daarin wordt de leer van de avatara’s besproken, goddelijke belichamingen, waarbij de boeddha’s een rol spelen, en er wordt licht geworpen op de zevenvoudige samenstelling van de mens als een weerspiegeling van de constitutie van de kosmos.

De relatie tussen Boeddha en Sankaracharya verklaart gebeurtenissen en ontwikkelingen in de afgelopen 2000 jaar met betrekking tot het boeddhisme en de Advaita-Vedanta; ook wordt erin beschreven hoe een avatara tot aanzijn komt, of het om Sankaracharya, Jezus of een ander gaat, en wat een bodhisattva in wezen is. De gouden draad die door alles heenloopt is mededogen en dienstbaarheid, de essentie van altruïsme.

Een belangrijk onderdeel, voorzien van aantekeningen van H.P. Blavatsky, is de ‘Ongepubliceerde Toespraak van de Boeddha’, ontleend aan het Tweede Boek van Commentaren op de Stanza’s van Dzyan* van De geheime leer. Van bijzonder belang is de betekenis die wordt gegeven aan maya – de illusie die voortspruit uit onvolkomen waarnemingen en die niet het niet-bestaan is dat vele westerse geleerden erin zien. Andere hoofdstukken dragen als titel ‘Nirvana-moksha’; ‘De geheime boeken van ‘Lam-Rim’ en Dzyan’ (Lam-Rim is de klassieke tekst van Tsongkhapa, de grote Tibetaanse hervormer van het boeddhisme en de vermaarde stichter van de Gelugpa sekte); ‘Amita-Boeddha, Kwan-Shai-Yin, en Kwan-Yin - Wat het ‘Boek van Dzyan’ en de Lamakloosters van Tsongkhapa ons vertellen’, en ‘Tsongkhapa – lohans in China.’

*Sanskriet: dhyana, spiritueel-intellectuele contemplatie; ook, in het boeddhisme, een van de deugden of paramita’s.

In verschillende hoofdstukken, met name in ‘De beproeving van de zon-ingewijde’ en ‘Het mysterie ‘zon van inwijding’’, behandelt H.P. Blavatsky de oude mysteriën van verschillende landen, hun oorsprong, doelstellingen, hun ouderdom en het vervolg ervan in het christelijke tijdperk. Al geeft ze toe dat ‘de mysteriën hun zwakke punten en tekortkomingen hadden, zoals ieder instituut waarmee menselijke elementen zijn versmolten noodzakelijkerwijs heeft’ (blz. 250), citeert ze de respect afdwingende Voltaire: ‘In de chaos van populaire bij geloven bestond er een instituut dat de mens er altijd voor heeft behoed te vervallen tot absolute verdierlijking: dat van de mysteriën.’

‘De laatste van de mysteriën in Europa’ behandelt het sluiten van de scholen in Keltisch Gallië in 47 v.Chr. in Alesia (of Alisa), en in 21 n.Chr. in Bibractis; en eveneens de uiteindelijke vernietiging in 389 n.Chr. van de Bibliotheek van Alexandrië, die eerder was verwoest door Julius Caesar.

De overal voorkomende voetnoten blijken net zo fascinerend te zijn als de tekst. Op blz. 222 zegt de schrijfster bijvoorbeeld dat zowel Socrates als keizer Julianus ‘voor dezelfde misdaad’ stierven: ze hadden ‘een deel van het zonnemysterie’ onthuld dat betrekking had op de constitutie van de zon. Socrates was nooit ingewijd en werd veroordeeld door ‘aardse en wereldse rechters’; Julianus, die wel was ingewijd, ‘stierf een gewelddadige dood, omdat de hand die hem tot dusver had beschermd zich van hem aftrok en, niet langer daardoor beschermd, werd hij eenvoudig aan zijn lot of karma overgelaten’. Ze voegt eraan toe dat het mysterie rond de verbanning van de beroemde dichter Ovidius op een zelfde oorzaak berust: hij wist niet dat hij het geheim van de mysteriën had geschonden, maar zijn vriend, keizer Augustus, wist dat als ingewijde wel. Uit vriendschap voor de dichter verbande hij hem liever uit Rome dan hem te laten executeren. Dit toont duidelijk aan hoezeer de leiding van de mysterieschool was achteruitgegaan, want ‘dood’ voor verraad (d.w.z. schending van de regel van geheimhouding) betekende oorspronkelijk uitsluiting van deelname aan de heilige rituelen en oefeningen, wat gelijkstond met een innerlijke dood, geen stoffelijke.

Van bijzonder belang voor deze tijd is haar waarschuwing tegen de gevaren van ‘praktische magie’ of het misbruik van paranormale vermogens. Ze benadrukt de dualiteit van de kracht die daar onafscheidelijk mee is verbonden, want ‘een uiterst egoïstische gedachte’, of een slechte ‘kan omslaan in tovenarij’.

We hebben zeer veel te danken aan Boris de Zirkoff voor het uitvoeren van de herculestaak deze schat aan materiaal te vinden en bijeen te brengen, die voldoende is om 14 grote delen van Collected Writings te vullen, naast de voornaamste werken van H.P. Blavatsky: Isis ontsluierd, De geheime leer, De sleutel tot de theosofie en De stem van de stilte – welk laatste boek een onovertroffen tekst bevat voor hen die hun leven willen wijden aan hun medemensen.

In de geschriften van H.P. Blavatsky bezitten we het meest grondige antwoord aan die critici die haar omlaag hebben gehaald zonder iets van haar of haar levenswerk te hebben begrepen. Haar geschriften, die zowel te danken zijn aan haar lijden als aan de zeldzame kwaliteiten waarmee ze voor haar taak was toegerust, zijn een levend getuigenis van haar zelfopoffering voor het welzijn van allen. Ze verklaarde slechts het koord te brengen dat het erfdeel van vele volkeren uit lang vervlogen eeuwen bijeenbond; nooit zullen we weten wat de prijs was die ze voor dit koord heeft betaald.

Onze erkentelijkheid gaat ook uit naar allen die de Zirkoff hebben bijgestaan in zijn werk, in het bijzonder Dara Eklund, assistent-samensteller, en degenen die haar hebben geholpen; de bio-bibliografie zelf is het lezen zeer waard en de index is uitgebreid. Wat nog overblijft is een grote verzameling Blavatsky brieven, gepubliceerd en niet gepubliceerd, en een algemene index die alle delen van de Collected Writings betreft.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency