De Tweeling Hal
I.M. Oderberg

 

In het oude Egypte nam de reis naar de Twee Hallen van de Maati, d.w.z. de Waarheid, lange tijd in beslag. Onderweg waren er heel wat afwisselende ervaringen, die in bijzonderheden werden beschreven in het gewijde ritueel dat werd opgevoerd voor de doden en voor kandidaten die een speciale training ondergingen. Bij deze training probeerde de ziel door te dringen achter de sluier tussen het aardse leven en de fase daarna. Ze ging door de ‘opening van Hathor’, en nadat het karakter diepgaand was beproefd, trad ze de Dubbele Hal binnen om door het Licht daarin en het pas ontstoken licht in hemzelf te worden bestraald.

Origenes, een van de vroege kerkvaders, vertelt ons dat de Egyptenaren een zeer nobele en geheime wijsheid bezaten omtrent de aard van het goddelijke, symbolisch vervat in de mythische verhalen van hun ‘goden’, die hij fabels en allegorieën noemde – niet in ongunstige zin, maar om aan te geven dat ze diepe innerlijke waarheden omtrent de kosmos bevatten. De Egyptische neters waren onpersoonlijke beginselen die in de hele kosmos werkzaam zijn, geen ‘goden’ zoals wij die term begrijpen. De neter Maat bijvoorbeeld, had geen betrekking op een godin maar op de intelligentie, het beginsel dat wij orde, evenwicht, waarheid, plicht, enz., noemen.

Al was het volk van Egypte uit het verre verleden misschien dieper doorgedrongen tot de innerlijke betekenis van de mythen dan mensen uit latere eeuwen, die de verhalen alleen als verhaal waardeerden, toch waren er onder deze laatsten enkelen die zich bezighielden met de betekenis. Het zogenaamde Dodenboek, de Sarcofaag-teksten (inscripties op de sarcofagen van bepaalde hoogwaardigheidsbekleders en priesters) en de Piramide-teksten en schilderingen op de wanden van graven, zoals die van de farao Unas, bevatten een leergang van opklimmende moeilijkheid.

Het verhaal van Horus, in sommige opzichten de Egyptische Christus, komt in betekenis en beeldspraak overeen met de avontuurlijke reizen uit de oude romantische verhalen rondom koning Arthur, zijn ridders, en het zoeken naar de heilige Graal of de Waarheid. Al schijnen de ervaringen van Horus zich, vergeleken met de gebeurtenissen uit ons dagelijks leven, op hoog niveau af te spelen, toch maken ze deel uit van hetzelfde drama van de ziel. Terwijl Horus werd geconfronteerd met mythische wezens die hij moest overwinnen, moeten wij leren kiezen tussen het volgen van het huidige levenspatroon van genietingen, of het volgen van het edeler pad dat ons in verbinding brengt met de verheffende processen van het heelal.

De oude Egyptische religie beschouwde geboorte en dood als toegangen en uitgangen van de aarde, want men zag de dood slechts als een verandering in de continuïteit van het leven: overal en in alles was een kracht gevende energie aanwezig. Blijkbaar was er altijd een continu proces aan de gang in het verleden, via het heden, en zich eeuwig voortzettend in de toekomst. Dat is de gedachte die besloten ligt in de oudere en latere neters: Hathor, als de grootse onbegrensde Ruimte, was de moeder van de oudere Horus, die overeenkomt met de Griekse Eros: de oudste godheid en de stuwende energie die de kosmos voorwaarts drijft. Onpersoonlijke Liefde, Eros, was de hemelse bron van de aardse Eros; ook Horus had zijn aardse tegenhanger.

Het ideale Egyptische jaar had 360 dagen, waaraan vijf dagen werden toegevoegd die verband hielden met de geboorte van de jongere neters: elke dag werden de volgenden geboren: Osiris, Isis, hun zoon Horus, Thoth, Nephthys en Seth. Deze Osiris was het goddelijke in sterfelijke vorm; Isis, de scheppende kracht in aardse vrouwelijke vorm; Horus, de strevende menselijke ziel; Nephthys, een weerspiegeling van Isis en nauw met haar verbonden; en Seth, de tegenpool van Osiris: de ongeëvolueerde stof. De vijf toegevoegde dagen symboliseerden de kosmische gebieden van energie/substantie die zich uitstrekten van de goddelijke bron via etherische stof tot ons stoffelijk gebied, en vertegenwoordigden het geleidelijk tevoorschijn komen van de neters in de zich manifesterende wereld.

De Egyptenaren waren een pragmatisch volk dat concrete illustraties gebruikte, zelfs voor hun diepste metafysische begrippen. Terwijl ze de Nijl als symbool gebruikten voor het opkomen van de geest uit de oorspronkelijke materie in haar inerte of onontwikkelde toestand, diende de vruchtbaarheid van de rivier en de dorheid van de nabijgelegen woestijn om de aandacht te vestigen op de dualiteit van het aardse bestaan. In enkele van de mythen stelde Osiris de Nijl voor en, volgens Herodotus, wezen de verslagen van de priesters erop dat de rivier eens zijn eindpunt had dicht bij de plek waar nu het moderne Caïro ligt en dat de streek ten noorden daarvan een groot moeras was. Dat was vermoedelijk toen de rode Seth, die de woestijn vertegenwoordigt, de ‘troon’ van Osiris had overweldigd en over een groot gebied heerste, terwijl de Nijl was geslonken tot niet meer dan een fractie van wat ze eens was en later opnieuw zou worden. Osiris als de rivier overwon Seth, de woestijn, en geleidelijk ontstond de streek ten noorden van het district Caïro, met als hoogtepunt de delta.

Dat de priesters dit wisten, verhoogt de ouderdom van de beschaving in het Nijldal met vele duizenden jaren boven de aangenomen datum voor de grondvesting van het ‘tweevoudige koninkrijk’ van Menes, misschien wel met 50.000 jaar, of zelfs meer. Omdat zoveel in de Egyptische cultuur symbolisch was, kan het zijn dat de dualiteit van het vroege rijk van Narmer of Aha (Menes) betrekking heeft op de polariteit van de menselijke natuur: het in elkaar overgaan van het persoonlijke en het onpersoonlijke, of de uiterlijke mens in de innerlijke.
Dat de Egyptische heilige geschriften te maken hadden met een symbolische geografie blijkt uit een vergelijking van de teksten met de gebieden zoals die op landkaarten te zien zijn. De hoofdstad van het mythologische land bijvoorbeeld was On of Onnu (Heliopolis), en Osiris was de god van Tettu* (Mendes, Busiris) in de delta. Dit zou van Osiris een godheid uit Beneden-Egypte maken. Maar het Dodenboek verwijst naar een Tettu dat niet een stad is in de delta, maar een plaats in het oosten waar Osiris geboren zal worden en de levensadem zal ontvangen. Daar symboliseert hij de opgaande zon, en daarom vertegenwoordigt Tettu het oosten, zoals Abydos, in een ander opzicht gewijd aan Osiris, het westen vertegenwoordigt. Waar het om gaat is een ‘hemels’ land, waarvan het aardse een spiegelbeeld is, een methode die ook wordt gebruikt om een ‘hemels Jeruzalem’ aan te duiden, tegenover de werkelijke stad.

*Ook geschreven als Tatau.

Het zuiver theoretische onderzoek van religie per se en religies in het algemeen is geneigd zich te concentreren op de intellectuele vorm ervan. Van deze benadering kan moeilijk worden verwacht dat ze ons veel verder brengt dan de eerste laag van de ‘huid’ van een religie; maar binnen deze laag liggen andere ‘huidlagen’, plus de oorspronkelijke openbaring of weergave. Verder naar binnen ligt de toegang tot de volheid en vreugde van het deel hebben aan ziel en geest van een godsdienst, die slechts voor de toegewijden is weggelegd.

De Egyptische teksten die het koningschap als de heersende macht over het land schijnen te verheerlijken, hadden andere betekenissen. R.A. Schwaller de Lubicz is doorgedrongen tot de essentie ervan. In plaats van het koningschap als zodanig, gaat het om het beginsel van het koninklijke in elk mens. De ‘koning’ is het beeld van wat een mens kan bereiken, hij is de ‘koninklijke mens’, de verheffing van de soort, en dat staat ver af van de moderne opvattingen van het koningschap. De Lubicz neemt aan dat dit het beginsel is dat alle natuurrijken kan omvormen: mineralen worden goud en elk mens wordt een farao (dat wil zeggen, per-ao, ‘groot huis’, wat betekent de tempel van een godheid). Dit proces van omzetting was de geheime wetenschap in Egypte. De innerlijke betekenis van de heilige geschriften, met hun illustraties van vignetten en schilderingen, wordt pas duidelijk in het licht van dergelijke aanwijzingen.

Het vignet van het wegen van het hart (of de ziel) dat zo bekend is geworden door de publicatie van de Papyrus van Ani, en de overeenkomstige teksten van Hunefer en Anhaï*, vertegenwoordigen een belangrijk stadium in de ontplooiing van de innerlijke mens. De ziel wordt gewogen op de weegschaal tegen de veer van de waarheid, Maat. Vóór dit stadium is bereikt, moet ze door lagere ervaringen gaan en pas daarna door de Dubbele Hal van de Maati van Boven- en Beneden-Egypte, waar het wegen plaatsvindt.

*Ani was een koninklijke schrijver en hoveling; Hunefer was farao’s opzichter: Anhaï een hoge priesteres.

Maati betekent meer dan de twee altaren, opgericht ter ere van de neter van Boven- en Beneden-Egypte. Als we Egypte vanuit het noorden bekijken, zien we hoe de richtingen waren bedoeld, want het zuiden was Boven-Egypte, de bron van de Nijl vanwaar de leven schenkende wateren kwamen die het land vruchtbaar maakten. Dat was een prachtig symbool voor het uitstromen van het goddelijke beginsel uit de onzichtbare werelden van de kosmische neters. Het noordelijk deel van het land, dat het vruchtbare slib uit het zuiden ontving, werd voorgesteld als Beneden-Egypte, het ‘stoffelijk lichaam’. De term Twee Maati werd ongetwijfeld gebruikt voor de waarheden van de innerlijke en uiterlijke kosmos en mens.

Voor ieder mens lagen twee wegen open: de eerste was voortgaan op de langzame weg van evolutie totdat de innerlijke schoonheid zich kon openbaren. In de tijd van het Nieuwe Rijk, in het bijzonder tijdens de 18de en een deel van de 19de dynastie, was dit bekend als de (cyclische) gang van Osiris. De tweede weg was een veel kortere reis wat de duur betreft, en werd voorgesteld als de avonturen van Horus zoals vermeld in Het Oude Egyptische Boek van de Twee Wegen. De langere reis gaat over land, terwijl de tweede in sommige teksten door vuur gaat en in andere over water, maar van de langere weg gescheiden door vuur. In de symboliek vertegenwoordigt vuur het hogere denken, nous in de Griekse filosofie, en water de niet-stoffelijke substantie, in onze tijd gewoonlijk aangeduid als het ‘astrale gebied’.

De ervaringen opgedaan langs de kortere weg zijn vermeld in de mythe van Horus van Behutet (Behdety), gegraveerd op de muren van de tempel in Edfu. De mythe, ook bekend als die van de Gevleugelde Schijf, vertelt over de strijd waarin Horus, als neter van het Licht, Seth* overwint. Dat de Egyptenaren het kwaad niet verpersoonlijkten, zoals wij dat in het Westen hebben gedaan, wordt geïllustreerd door een vignet van een menselijke figuur met twee met elkaar verbonden dierenhoofden, die Seth voorstellen, de god van de duisternis, en Horus, de god van het licht. Dit laat de dualiteit van de menselijke natuur zien en ook dat Seth slechts de polaire keerzijde was van Osiris.

*In vóór-dynastieke tijden waren de ‘strijders’ ongewapend, maar in de latere versie was Horus gewapend met ijzeren wapens. Zie The Gods of the Egyptians, E.A. Wallis Budge, 1:475-6.

Zo vertegenwoordigt de neter in de Horus-cyclus de menselijke ziel die de lagere eigenschappen moet overwinnen en in hogere moet omzetten. Daarover gaan de papyri van Ani, Hunefer en Anhaï: de persoonlijkheid wordt beproefd en gezuiverd. In de vignetten die bij de teksten horen, staat elk van hen naast een tafel met offergaven – eigenschappen van de ziel – tegenover het heiligdom van Osiris.

Al deze teksten geven zowel de langzamere weg van evolutionaire ervaring weer als de snellere vooruitgang van kandidaten die zijn ‘ingewijd’ in nieuwe gebieden in zichzelf. De ceremoniën zijn niet zelf het bereikte doel: ze geven slechts een verslag ervan.

Van ieder werd verwacht dat hij het dagelijks leven zou leven in overeenstemming met de wetten of regels van Maat, als hij of zij een volledig mens wilde worden. Pas nadat men zich aan deze ontwikkelingsweg wijdde, werden de hervormingen verwezenlijkt. De grote levensopgave is de waarheid in zichzelf te realiseren. Herkenning van de waarheid van de kosmos moet volgen, omdat we zijn gevormd uit de stof en de eigenschappen van het heelal, en zijn wetten beheersen ons leven, onze groei en ons bestaan. ‘Van de Al-ziel komen al die zielen die zijn gevormd om zich door de hele kosmos voort te bewegen. . .’

Samenvattend kunnen we zeggen dat het pad naar Maat in het oude Egypte werd voorgesteld als het pad naar koningschap over zichzelf. De koning van het rijk symboliseerde een Waarheidsdrager, terwijl het gaan door de Hal van de Twee Maati betekende het ervaren van het heelal zoals het werkelijk is.

 
Andere artikelen over Egypte
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency